Dominicus' orde krijgt er zeven leken bij

Zeven lekendominicanen verbinden zich overmorgen aan hun orde. Drie doen een eerste belofte, vier anderen bekrachtigen deze professie die ze eerder deden, nu voor het leven. Twee van hen leggen uit waarom ze deze gelofte willen afleggen.

Monic Slingerland

Kleis Adema (1968):

„Ik wil in het dagelijks leven uiting geven aan mijn verbintenis met de dominicaanse familie. Ik hoor bij die beweging. Dat uiting geven kan op verschillende manieren.

Het afgelopen jaar ben ik als aspirant de diepte in gegaan, ter voorbereiding van mijn professie. Daarbij zijn we geprikkeld, is ons van alles aangereikt. Daar moet je zelf mee aan de slag.

In mijn werk voer ik gesprekken met mensen die in arbeidssituaties met zinproblemen zitten. Dat komt dan bijvoorbeeld naar boven als ze steeds weer verzuimen door ziekte en we gaan praten over de achtergrond van dat verzuim. Dan blijkt bijvoorbeeld dat mensen geen zin kunnen geven en geen zin kunnen ontvangen. Waar gaat het nu echt over, bij die vraag komen we dan terecht. Wie ben je, wat wil je, bij wie kun je terecht? Het gaat om de vraag naar authenticiteit.

Tegen cliënten zeg ik wel eens dat ik even voor hen het stuur vasthou, zodat zij op de kaart kunnen kijken. Daarna moeten ze het stuur weer overnemen.

Ik wil me aan de orde der dominicanen verbinden om me vanuit deze inspiratie in te zetten en me door hen te laten voeden. Ik wil erbij horen en ik wil er iets voor doen. Hier in Huissen kwam ik een keer en wist toen dat ik tijd moest vrijmaken om zelf na te denken. Ik leerde hier de priester en dominicaan Henk Jongerius kennen en die bracht me in contact met een gast hier in het klooster, voor wie ik iets kon betekenen.

Het gaat vaak over loslaten van streven naar materiële zaken. Ik had een zakelijk conflict met een vriend, en las toen hier in Huissen een tekst van Anselm Grün over vriendschap. Daardoor kon ik stoppen met vechten. Ik dacht: is dit het allemaal waard?

De dominicanen hebben iets eigenwijs en dat spreekt me aan. Bij de dominicanen vind ik studie, gemeenschap, contemplatie, zending.

Eerst waren studie en gemeenschap voor mij belangrijk, het afgelopen jaar hebben contemplatie en zending ook waarde gekregen.

Voor mijn werk ben ik veel op pad. Dat zwerven, daarin herken ik iets dominicaans. Een dominicaan in de auto.

Ik draag het speldje van de dominicanen. Dat is altijd aanleiding tot vragen en een gesprek.

De professie is niet vrijblijvend. Je moet aan de slag en de dominicaanse gemeenschap kan een beroep op je doen. Vorig jaar ben ik bij de professie van anderen geweest. Het voelde alsof ik als kersverse schoonzoon in de familie kwam.”

Ineke van Cuijk, (1952)

„Ik ben een echte paplepelkatholiek. Als meisje ging ik naar de Orion gymclub, als puber deed ik vrijwilligerswerk bij missie en ontwikkelingssamenwerking. Ik werd secretaresse van een parochie in Apeldoorn, maar wilde ook inhoudelijker bezig zijn. Dat kon ook steeds meer, in de jaren zeventig. In die parochie in Apeldoorn was toen een priesterloze periode.

Ook mijn man deed veel vrijwilligerswerk in de parochie. Mijn taak verschoof in de richting van het pastoraal-inhoudelijke. Ik ben in 1990 theologie gaan studeren in Amsterdam, districtscatecheet geworden en les gaan geven.

Sinds 1 november werk ik als pastoraal werkster in deze parochie, de Levensbron, in de Lingewaard. Vijf dorpen en twee stadjes. In het pastorale werk kan het soms druk zijn. Uitvaarten komen niet keurig gepland. Soms zijn het er veel tegelijk.

Ik was al langer op zoek naar een spiritueel thuis. Op die zoektocht ben ik in verschillende kloosters geweest, in de trappistenabdij Maria Toevlucht in Zundert, bij de zusters in Maarssen en ook bij de dominicanen in Huissen. Via internet kwam ik toen bij de lekenbeweging van de dominicanen beland.

Ik heb contact gezocht en me verdiept in de spiritualiteit van deze ’predikheren’. Prediking en verkondiging horen bij mijn werk als pastoraal werkster. Misschien dat daarom juist de dominicanen me aanspreken.

Dominicanen heben ook iets grensoverschrijdends. Die eigenschap kan nodig zijn als we in deze tijd samen kerk willen zijn.

Er is geen noodzaak om de professie te doen als lekendominicaan. Het is iets wat vooral voor mijzelf belangrijk is, naar buiten toe geldt dat minder. Na die professie kunnen de dominicanen een beroep op mij doen en ik op hen, maar dat kan nu natuurlijk ook al.

Het religieuze leven krijgt een andere vorm. Ook als lekendominicaan doe je wat religieuze dominicanen doen: stil worden, reflecteren, bidden voor het heil van de wereld.

Of de professie beperkingen met zich meebrengt? Voor de grap zeg ik wel eens dat ik nu niet mag stelen, en na de professie dus ook niet. Nee, het is geen gelofte van armoede, gehoorzaamheid of kuisheid. Ik ben me daarna, denk ik, er misschien nog bewuster van dat ik een beeld van God ben in deze wereld. De professie is daarom niet vrijblijvend.

Ik ga bij een groep horen van mensen die elkaar steunen, ondersteunen, bij de vraag wie je bent, en wat je bent. Er zijn weekenden waarbij je als lekendominicanen bijeenkomt. Bij die retraite-bijeenkomsten zijn er inleidingen, zoals van Erik Borgman.

Voor de professie hebben we een inloop-jaar gehad, om te ervaren of de verantwoordelijkheid over en weer wel past. Er zijn mensen uitgestapt tijdens dat jaar. Na de professie is er een periode van drie jaar, waarna er een bekrachtiging komt.

Ik heb die spirituele voeding wel nodig in mijn werk.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden