Domineeskinderen / 'Tuinders op de stoep maakten mij heiden'

De pastorie heeft haar sporen nagelaten. In de aanloop naar de Dag van het domineeskind, 26 oktober in de Nieuwe Kerk, portretten van meer en minder bekende pastoriekinderen. Vandaag schrijver Jan Brokken.

,,Er waren wel vriendjes, maar ik werd ook vaak buitengesloten. Spelletjes op de hooizolder, daar werd ik nooit voor gevraagd. Terwijl ik toch een dondersteen was, zeker geen voorbeeld van vroomheid. Dat was vervelend maar had ook iets spannends.

Rhoon was in die tijd voor tachtig procent hervormd. Je was je hele jeugd ingesteld op de functie van je vader. Je woonde in het huis waar mensen aanbelden met problemen. Je zag je vader in de studeerkamer zijn preek maken. Je wist alle nieuwtjes het eerst, de leuke dingen maar ook de drama's. Er is een keer een meisje van twaalf doodgereden op weg naar school, door onze buurman. Mijn vader had dus de geestelijke zorg voor de familie van het meisje én voor de veroorzaker. Hij moest het nieuws ook nog eens gaan vertellen bij de familie, omdat de politie dat niet durfde. Zo krijg je even een doorkijkje in de tragiek van het leven, ik was zelf ook twaalf. Het dorp leefde verder, maar mijn vader zat twee jaar later nóg met het verdriet van die mensen.

Toen wij in 1952 vanuit Emmen in Rhoon kwamen, gingen mijn broers van twaalf en veertien in Rotterdam naar school. Ik was een nakomertje. Vooral op de lagere school werd mij ingepeperd dat ik het zoontje van de dominee was. In die tijd hield mijn vader op donderdagmorgen radiopraatjes voor de NCRV. Elke week haalde de hoofdonderwijzer mij uit de klas om bij hem thuis naar de radio te luisteren. Na afloop moest ik in de klas vertellen wat mijn vader had gezegd. Zo werd je heel nadrukkelijk gepresenteerd als voorbeeld van stichtelijkheid. Dat heb ik heel erg verafschuwd.

Aan de andere kant had je ook het gevoel dat je bijzonder was: het kroonprinsje van het dorp. Op mijn veertiende was dat over. Als ik onder aan de dijk een meisje gezoend had, wist mijn vader het al voordat ik weer thuis was.

Andere vaders waren bezig met handel, geld of de haven. Mijn vader deed iets met geestelijke dingen. Dat vond ik wel mooi. Als je alleen al die gigantische bibliotheek van hem zag, met boeken van Karl Barth of over de islam en het boeddhisme. Daar zat hij uren in te studeren, hij maakte echt geen wauwelpreken. Hij kon heel boeiend vertellen, in de kerk, en thuis aan tafel.

Ik heb ook heel veel te danken aan het feit dat ik kind van een dominee ben. In 'De Provincie' heb ik veel verhalen gebruikt die ik in mijn jeugd hoorde. Uiteindelijk was de pastorie een goede voedingsbodem voor mijn carrière.

Aan mijn vader heeft het ook niet gelegen dat ik van het geloof ben afgestapt. De gelovigen hebben van mij een heiden gemaakt. Op zeker moment kwamen er een heleboel tuinders naar Rhoon, verdreven door de uitbreiding van Pernis. Die sloten met de landarbeiders en forenzen die uit Rotterdam kwamen een soort pact om de liberale herenboeren te wippen. Dat werd een enorme geloofsstrijd, want die tuinders waren zwaar op de hand. Zij vonden mijn vader veel te licht en maakten het hem heel moeilijk. Hij werd bespied en zwartgemaakt; hij kreeg last van een kampsyndroom, uit zijn Indische tijd. Ze stuurden dreigbrieven en begonnen zelfs een afzettingsprocedure. Dat was zo'n stiekem gedoe.

Ze richten ook een evangelisatiebeweging op, kwamen 'savonds met kaarsjes in de hand voor de pastorie Johannes de Heer-liederen zingen. Die bezetenheid was heel beangstigend. Daar heb ik een enorme vrees voor groepen aan overgehouden, ik ben huiverig voor conspiratie. Uiteindelijk heeft mijn vader vijftien tropenjaren in de polder gehad en was zijn Indische tijd heerlijk voor hem, ondanks de oorlog.

Het was geen fluisterend vertrek uit de kerk, ik heb een hele geloofscrisis doorgemaakt. Ik ben in die tijd erg gegrepen door de films van Ingmar Bergman over zijn gevecht met het geloof. Ook een domineeszoon overigens. Als je als kind van een dominee je geloof verliest, wordt heel je jeugd een wrange komedie. Ik ging elke zondag naar de kerk, met kerst soms wel vijf of zes keer. Ik ging overal met mijn vader mee, zelfs op huisbezoek. Daar is erg moeilijk van los te komen. Het zijn die mensen op de stoep die me ervan af hebben gebracht.''

Jan Brokken (1949) is schrijver. Zijn vader deed in Indonesië onderzoek naar islamitische bewegingen en was hervormd predikant in Emmen en Rhoon.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden