Review

Dominee: een mooi beroep

Vier hervormde predikanten uit Scheveningen, gefotografeerd in 1895, toen hun beroep nog deftig was. Mettereeuw heeft de dominee het steeds drukker gekregen. Dat kan anders, vindt Gerben Heitink. Voor een preek is theologie nodig, maar dopen of Avondmaal bedienen kan ook een ander doen. Dat is toch niet zulk moeilijk werk?

Dertig jaar al leidt Gerben Heitink dominees op, de laatste veertien jaar aan de VU. Hij weet het zeker: had het aan de kwaliteit van 'zijn' predikantsopleiding gelegen, dan was de VU één van Sow's hofleveranciers van dominees gebleven, maar die kerken ontnamen haar het kerkelijk keurmerk. ,,Ik heb me daardoor beledigd gevoeld'', zegt Heitink, maar zijn wraak is zoet: de VU-professor schreef een mooi, persoonlijk getint boek over én voor Sow-dominees, en niet alleen voor hen.

Werkbegeleiding, supervisie, postacademische nascholingen en wat niet al moeten de moderne dominee ondersteunen. Maar grote en kleine onderzoeken wijzen op hoge werkdruk voor predikanten, op stress en burn-out. Omgekeerd moet de dominee een alleskunner zijn, zegt Heitink, 'het bekende schaap met vijf poten, gekloond in profielschetsen'. Met zijn 'Biografie van de dominee' gaat Heitink het getob van de dominee te lijf want, zegt hij, het is een mooi beroep.

Hoe is het allemaal zo gekomen, en hoe moet het verder? Daarvoor gaat Heitink terug tot de Reformatie, een revolutie in de 16de-eeuwse rk kerk, die de protestantse kerken zou voortbrengen. De priester, bemiddelaar van heil tussen God en mens, werd ingeruild voor het priesterschap van alle gelovigen. De predikant, want íemand moet het doen, diende de gemeente. Dat was het ideaal. Maar de realiteit was anders, aldus Heitink: een dominocratie ontstond.

Begin 17de eeuw dong een aardige doorsnee van de (mannelijke) bevolking naar het wondere ambt van predikant, een curieus mengsel van oprechte godzaligen en gelukszoekers. Er waren gestudeerden bij, maar ook ambachtslieden die het 'om een luy leven ende seeckere jaerlicx incoemst' te doen was. Eind 17de eeuw was het predikantschap iets voor de gegoede burgerij geworden, vaak van vader op zoon doorgegeven. Het prestige steeg, geholpen door een academische opleiding die vanaf 1815 verplicht werd gesteld.

Dat de positie van de predikant mettereeuw veranderde, was eerst niet zo merkbaar. Toen in 1848 kerk en staat gescheiden werden, maakte dat voor de dominee niet veel uit: een goede burger was toch hervormd, de dominee een gewild volksopvoeder. Maar zijn prestige had een gevoelige duw gekregen. Had de kerk begin 19e eeuw nog opgedragen, het kostuum van de chique burgerman aan te trekken in plaats van mantel en bef, in 1854 moest het 'ambtsgewaad der geleerden' omgehangen, de toga. Wat de dominee aan maatschappelijk aanzien verloor, won de weleerwaarde aan geleerdheid; het promoveren nam toe.

In die eeuw ontstond wat later de gereformeerden zouden worden, Afgescheidenen (die hun 'oudmodische' pak graag aanhielden en de steek op) en Dolerenden. Lutheranen vallen buiten Heitinks blikveld. Het was niet de elite, maar de eenvoudiger ziel die het in de Nederlandse Hervormde Kerk niet uithield. De gereformeerde dominee was -en is nog steeds, aldus Heitink- minder deftig dan de hervormde, meer 'een van de gelovigen' dan de vrije beroepsoefenaar die een hervormde predikant graag is.

De binnenkerkelijke rol van de dominee viel onder gereformeerden eerst niet zo op, dankzij 's lands hoogste dominee (want minister-president) Abraham Kuyper. Hij creëerde een zuil waarbinnen ogenschijnlijk de hele wereld viel, van wieg tot graf. De hervormden maakten zich na de Tweede Wereldoorlog sterk voor hun 'apos tolaire' taak voor de wereld. Maar de wereld van Kuyper schrompelde ineen, die van de hervormden bleek te groot.

Vanaf 1960 brak de Verlichting door in de kerken, verlaat maar definitief. Het geloof verloor vanzelfsprekendheid, de dominee gezag. Een zekere bescheidenheid maakte zich van de kerk meester. Toch brulde de protestantse leeuw nog één keer. Jezus kreeg de baard van Marx omgehangen en verkondigde een radicaal evangelie dat de wereld omver zou gooien. Op colleges, zegt Heitink, ging het over 'je bovenbouw', de raketten moesten de wereld uit, de utopie overheerste, het was een zich 'overschreeuwende poging tot relevantie', het ging er 'te hard en te fel' aan toe. Heel wat theologiestudenten kwamen hierdoor in psychische moeilijkheden, schrijft Heitink, 'een enkele suïcide kon hiermee in verband gebracht worden'.

Van de weeromstuit is het woord voor de wereld verstomd en de dominee nog binnenkerkelijker geworden dan hij al was. Voor andere dominees, in orthodoxer richtingen dan waar Heitink het meeste oog voor heeft, is het beeld iets anders. ,,Gereformeerde Bond kent nog een grote saamhorigheid, het verenigingsgevoel is sterk. Maar kijk naar de vrijgemaakten: die moderniseren snel. Ik denk dat het zich binnen de orthodoxie ook allemaal voltrekt, maar vertraagd''.

Vanaf 1848, 'opgesloten' binnen de kerkmuren, kreeg de dominee vreemd genoeg geen 'luy leven'. Was hij in zijn publieke ambt eerst voorganger en hoeder van de tucht, in de 19de eeuw werd hij daarnaast catecheet, iets later kwam het individuele pastoraat erbij, begin 20ste eeuw groeide de liturgische interesse, daarna moest je wat van gemeenteopbouw afweten, en ten slotte van spiritualiteit.

Om de gevolgen voor de predikant te schetsen, stoft Heitink het werk van een verre voorganger af, hoogleraar 'practische godgeleerdheid' Willem Muurling, rond 1850. Deze had oog voor nieuwe vakken, zodat de 'evangeliedienaar' naar persoon, ambt en beroep zou kunnen functioneren.

Nu het predikantschap op drift is geraakt, zitten daar de gevaren, zegt Heitink. De persoon wordt te belangrijk -,,Je moet het hebben, charismatisch zijn, kerkgangers trekken. Dat maakt dergelijke mensen kwetsbaar en moeilijk te corrigeren''.

Een tweede gevaar: clericalisering. Toen dominee gezag verloor, onzeker werd, verscheen juist het Lima-rapport, een oecumenisch document waarin het ambt een sterk accent krijgt. De dominee krijgt er weer priestertrekken van, trekt zelfs een gebedsmantel aan, met stola's, precies als een priester doet. Heitink kan zich voorstellen dat vrouwen om praktische redenen kiezen voor liturgische kleding, maar verder ziet hij er niet veel in. ,,Niemand draagt meer zondagse kleren -want kerk is vrije tijd- en dan maakt de dominee het onderscheid juist groter!'' Heitink draagt zijn (zwarte) toga niet meer.

Het derde risico is een doorgeschoten professionalisering. Een voorbeeld is zo gevonden: de Landelijke en Regionale dienstencentra. ,,Ze hebben draagvlak verloren. Alleen dat had het LDC-vliegtuig in de lucht kunnen houden, maar het is gecrasht. De arbeidsorganisatie is losgemaakt van het ambt. Zo maken ze gemeenten te afhankelijk van deskundigen. In Zuid-Nederland ligt beroepingswerk stil, omdat de voor een handtekening benodigde RDC-ambtenaar ontbreekt. Dat is de limit!''

Heitink wil het anders. Met teams van zeg 5 personen, die allemaal hun specialisatie (gematigd, niet te veel) hebben, geleid door een gekozen pastor pastorum, 'een deken', kan de professionaliteit binnenshuis gezocht worden. Dat scheelt een hoop functionarissen. Gemeentegrenzen worden wat opgerekt, van de grote autonomie die de plaatselijke kerk nu heeft bij het zoeken van een predikant moet ze wel iets inleveren. De deken helpt bij de vervulling van de vacature, passend bij zowel gemeente als team.

Bijkomend voordeel: de dominee krijgt prikkels, goed tegen sleur en met loon naar werken -een heuse loopbaan dus. Niet van gehucht naar grote stad, zoals vroeger, maar van junior-dominee op proef, naar dominee in volle rechten tot leidinggevende, senior-pastor. Dat kan het sneuvelen van een jonge dominee voorkomen; die hoeft niet alles te kunnen, en krijgt steun en dekking van zijn deken.

Niet alle teamleden hoeven theoloog te zijn, zegt Heitink, teruggrijpend op de tijd net na de Reformatie, zomin als dat voor het kerkenwerk nodig is. ,,Kerken doen minder moeilijk over een niet volledig geschoolde preker, dan over een niet-predikant die de sacramenten bedient. Dat is vreemd: voor een preek moet je de bijbeltekst kunnen lezen in de grondtalen, exegese, hermeneutiek beheersen. Daar is theologie voor nodig. Maar dopen, of het Avondmaal bedienen, dat is toch niet zulk moeilijk werk? Dat kan een ander ook doen, zoals een diaken in een langdurig vacante gemeente''.

Heitink wil het traditioneel binnenkerkelijke doorbreken. En ook andersom moet de kerk open: ,,Als je een kring organiseert, dan ook voor niet-kerkelijken''. ,,En een dominee kan met één been buiten de kerk staan.'' Een werkkring naast het predikantschap juicht Heitink toe. Tentmaking ministry -naar de broodwinning van apostel Paulus- kan uit financiële nood geboren zijn. Maar belangrijker: De kerk kan zo naar buiten treden, haar publieke functie vervullen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden