Dolf Verroen / Het is erg moeilijk om kind te zijn

Dolf Verroen (Delft, 1928) is schrijver. Hij debuteerde in 1955 met de dichtbundel ’In los verband’, schreef enige romans voor volwassenen maar ontpopte zich uiteindelijk toch als kinderboekenschrijver.

Hij ontving Zilveren Griffels voor ’De kat in de gordijnen’(1979), ’Hoe weet jij dat nou?’ (1981) en ’Een leeuw met lange tanden’ (1987). Voor het in 2006 verschenen ’Slaaf kindje slaaf’ ontving Verroen de Deutsche Jugendliteraturpreis en de Gustav Heinemann Vredesprijs.

„Er schijnt een oudtante te zijn geweest die als godsdienstwaanzinnige in het gekkenhuis is geëindigd en ik heb een tot het katholieke geloof bekeerde grootmoeder gehad die mij, als jongetje van een jaar of zes, meenam naar de kerk – dat vat mijn religieuze achtergrond wel zo’n beetje samen. Mijn ouders, die atheïst waren, zorgden er wel voor dat ik op de openbare school catechisatielessen kreeg van meneer Schouwenaar die ook voorganger was in de Vrijzinnig Hervormde kerk. Zij vonden het belangrijk en ik was geïnteresseerd, al moet ik eerlijk zeggen dat ik waarschijnlijk meedeed omdat ik toch graag ergens bij wilde horen. Dat ik nooit gelovig zou kunnen worden wist ik al toen ik op een dag een hondje had meegenomen naar de kerk van mijn oma. Het zat keurig bij me op schoot, maakte geen enkel geluid, toen ineens de koster naar mij toe kwam en siste: ’Weg met die hond! Honden horen niet in de kerk.’ ’Waarom niet?’ vroeg ik geschrokken. Waarop de koster zei: ’Honden hebben geen ziel’.”

II

„Het leven is natuurlijk een wonder en het zou best eens zo kunnen zijn dat er toch* maar àls er iets is, dan is het veel te groot voor ons. Daar kunnen we met onze kleine mensenhanden niet bij. Ik geloof dat dit gebod, in die zin, wel goed kan zijn: je moet iets wat je heilig is geen vorm willen geven. De God van de joden is mij daarom nog het dierbaarst: zijn naam wordt niet uitgesproken.”

III

„Weet je wat blasfemisch is? Zoals de kerk met God omgaat. Iedereen gaat maar op Zijn plek zitten, iedereen wil uitmaken hoe God de dingen interpreteert. We hadden hier in de buurt, in Heerenveen, een geweldig raadslid: Tineke Huizinga. Fantastisch. Ze ging voor de ChristenUnie naar de Tweede Kamer en wat doet ze? Ze geeft de soldaten die naar Uruzgan vertrekken haar goedkeuring en Gods zegen mee. Dan denk ik: wijf! Hoe durf je? En dan die Rouvoet – ja, sorry hoor, maar daar kan ik zo razend om worden – dat vond ik altijd zo’n sociale man, een uitstekend politicus. Maar onlangs las ik dat hij, als zijn partij in de regering komt, er alles aan wil doen om het homohuwelijk terug te draaien! Dat is toch onverdraagzaamheid? Erger nog: ik vind het vooral zo onintelligent, zo achterlijk.”

IV

„Je moet iedere dag heiligen die je leeft.”

V

„Mijn vader was een mooie man, ik zeg altijd: een Italiaanse ijsco-schoonheid. Mijn moeder was een lelijk meisje met een zeer sterke persoonlijkheid. Als zij ergens binnenkwam, viel iedereen stil. Zij was een stuk ouder. Ze waren al tien jaar getrouwd, hadden helemaal niet meer op kinderen gerekend, toen ik werd geboren. Ik ben grootgebracht – ik wil niet eens zeggen opgevoed – als haar kleine prins. Ze was zó bang mij te verliezen, ze adoreerde mij. Na twee miskramen werd er, tweeënhalf jaar later, nog een jongetje geboren. Hij werd, dat kon je duidelijk zien, door haar verwaarloosd. Hij sprak nauwelijks, deed niet veel en kon op school niet meekomen terwijl hij, bleek later, toch een intelligente jongen was.

Ik trok veel op met een anderhalf jaar ouder nichtje, een meisje dat alles kon. We woonden in Delft, tussen de weilanden. Zij sprong over alle sloten, ik – zo’n tuttige jongen – belandde er altijd middenin. Het idee dat meisjes overal beter in waren heeft me later, toen ik in de jaren zeventig ging schrijven, geen windeieren gelegd. Het was toen helemaal niet gebruikelijk om, bijvoorbeeld, te schrijven over een vader die bang was voor een muis. Ja, mijn vader was die bange man* weet je, mijn vader* hoe zal ik je dat vertellen? Ik heb een slechte relatie met hem gehad. Tot de lagere schooltijd ging het nog wel, maar toen ik meer een persoonlijkheid werd, stootte hij mij van zich af. Hij kon ontzettend driftig worden. Ja, hij heeft me vaak geslagen, maar wat erger is: hij heeft me vooral vernederd. Nu moet ik ook zeggen dat ik mij, toen ik een jaar of veertien was, beestachtig heb gedragen. Ik ging drinken, luisterde naar niemand, deed precies waar ik zin in had. Het was oorlogstijd, we hadden onderduikers. Die wist ik zonder veel moeite in mijn bed te krijgen* het was avontuur, maar misschien ook wel wanhoop; ik was op zoek naar een relatie of minstens naar acceptatie, maar voor die mannen was het niet meer dan seksuele ontlading, dat begrijp ik nu wel. Mijn ouders wisten er niets van – of hebben het in ieder geval niet laten merken. Weet je, een paar jaar geleden sprak ik er nog eens met mijn nichtje over; hoe het mij speet dat ik mijn vader had teleurgesteld. De jongen op wie ze zo lang hadden gewacht, voor wie een toekomst was uitgestippeld, had zich zo slecht, zo lamlendig gedragen. Over mijn boeken heeft hij – hij heeft het begin nog meegemaakt – nooit iets aardigs gezegd. Ik zei tegen mijn nichtje: ’Mijn vader had een afkeer van mij, hij vond het vreselijk dat ik schrijver was geworden.’ ’Maar Dolf,’ zei ze stomverbaasd, ’heb je dat dan nooit begrepen? Het was jouw homoseksualiteit die hij niet kon verdragen.’ Dit klinkt misschien naïef, maar toen viel bij mij het muntje pas; ineens begreep ik dat zijn afkeer voor mij te maken zou kunnen hebben met gevoelens waar hij zelf geen raad mee wist.

Heb je met mij te doen? Tja, Arjan, weet je wat het is? Ik kan er zelf niet bij. Ik kan zo slecht bij mijn gevoel* Ik zal proberen het je uit te leggen. Mijn moeder overleed in ’54, ze is zestig geworden. Mijn vader had gezegd: ’Dolf, zorg ervoor dat je vanavond thuis bent, want ik denk dat je moeder doodgaat.’ Ik geloofde er niks van, maar ik heb naar hem geluisterd en hij kreeg gelijk. Ze stierf. En het gekke is: ik voelde er haast niets bij. Terwijl ik zo dol op haar was. Ik sloot me af, om niet gekwetst te kunnen worden. Ik heb veel meer verdriet om mijn vader gehad. Heel vreemd: dit keer had ík zo’n voorgevoel. Hij lag in het ziekenhuis. Ik zei tegen de arts dat ik dacht dat mijn vader ging sterven en dat ik mijn broer móest bellen. Hij zei dat het zo’n vaart niet zou lopen, maar dat ik moest doen wat mijn hart mij ingaf. Ik heb er een uur over gedaan om mijn broer te bereiken – hij was uit wandelen – en gezegd dat hij onmiddellijk naar het ziekenhuis moest komen. Ik zat bij mijn vader naast het bed. Hij had net nog een bakje yoghurt gegeten en ik hield zijn pols vast. Het voelde heel dichtbij. Na een tijdje verscheen mijn broer in de deuropening. Toen mijn vader hem zag, duwde hij mij weg, omhelsde mijn broer en stierf. En dit klinkt misschien gek, maar ik was vooral opgelucht. Eindelijk duidelijkheid. Mijn broer was een veel betere zoon dan ik ooit was geweest; aan hem kwam die omhelzing toe. Over dat afscheid ben ik niet verdrietig, nee, het is vooral de herinnering aan de vervreemding, aan de onmogelijkheid om elkaar te bereiken die mij nog zeer kan doen. We hebben elkaar zo verschrikkelijk tekort gedaan.”

VI

„Ik begrijp het volkomen als iemand een ander uit machteloosheid, radeloosheid doodt. Herinner je je die moord op een leraar in een college in Zuid Holland? Een allochtoon jongetje heeft toen – jazeker, een jongetje, hij was toch minderjarig? Wacht, daar raak je meteen mijn tweede bezwaar: ze wilden hem als een volwassene berechten. Alsof het allemaal al niet erg genoeg was. Kort na de moord stond een grote groep kinderen op die het onrechtvaardig vond dat hun klasgenootje zo werd bestraft. Als het waar is wat zij zeggen, namelijk dat die jongen in een positie van machteloosheid was gebracht, kan ik heel goed navoelen dat hij geweld ging gebruiken. Natuurlijk, het is wat grof, zo’n pistool en, hou me ten goede, die arme man is misschien wel gestorven zonder te weten wat hij fout had gedaan, maar toch: ik vind het zo erg dat niemand luistert; dat men, ook bij andere delinquenten, niet lijkt te willen horen wat er aan het geweld vooraf ging. Hoe komt iemand zo ver? Wat hapert er aan?”

VII

„Het was begin jaren vijftig. Ik had een zeer intieme, maar mislukte relatie met ene Gerard achter de rug en kwam mijn toekomstige vrouw tegen. Ze was ouder dan ik. We hadden veel plezier samen, we waren dol op elkaar en dol op Sarah, de dochter die we later kregen. Toch liep het vrij snel spaak. Ik kreeg succes met mijn boeken en zij wilde dat ik meer van hetzelfde zou maken terwijl ik vooral de behoefte had om dóór te gaan. Onze karakters, bleek al snel, weken verschrikkelijk uiteen. Ik zou zelf waarschijnlijk nooit gescheiden zijn – ik ben een heel trouw iemand – maar zij wilde er mee ophouden en ik heb wel ingezien dat het beter was. We hebben een tijd contact gehouden, maar de basis was bijzonder negatief. Ik leerde een man kennen, ook Gerard geheten, met wie ik tien jaar heb samengewoond. Drie jaar na zijn dood – nee, vraag daar alsjeblieft niet over door, het heeft me zoveel verdriet gedaan – kwam ik mijn huidige echtgenoot – alweer een Gerard – tegen, met wie ik nu al drieëntwintig jaar gelukkig ben.

Een paar jaar geleden heb ik Sarah’s moeder nog een keer gezien. Yvonne (Keuls, red.), die haar ook goed kent, vertelde dat ze in een verzorgingstehuis was opgenomen en dat ze dolgraag nog eens met mij wou praten. Ik dacht: waarom eigenlijk niet? Dus ik belde, zei wie ik was en dat ik haar wilde komen opzoeken. ’O,’ zei ze, ’wat vind ik dat enig!’ Een paar dagen later zat ik tegenover haar. Ze was net negentig geworden en zag er beeldschoon uit. Prachtige kleren, heel eenvoudig, goeie kop. We kletsten over koetjes en kalfjes toen ze plotseling zei: ’Wij hebben toch een verhouding met elkaar gehad?’ ’Dat kun je wel zeggen,’ zei ik. ’Ja,’ ging ze verder, ’nu herinner ik het me. Dat was erg leuk.’ ’Nou,’ antwoordde ik, ’zo leuk was het niet altijd.’ ’Jawel,’ zei ze beslist, ’heel leuk.’ Het was even stil toen ze vervolgde: ’Zeg, jij hebt Dolf toch ook gekend?’ ’Maar ik bén Dolf,’ zei ik. Waarop er toch een stroom gif vrijkwam! Verschrikkelijk. Een en al klachten en verwijten; precies zoals al die jaren geleden. Toen ze wat bedaarde ben ik weggegaan. Het is een prachtige vrouw – Gerard, die haar één keer heeft gezien, zei: ’Dat is nou echt iemand voor wie ik een tramhalte zou blijven zitten’ – maar ik heb er geen behoefte aan haar nog een keer te zien. Het is afgemaakt.

Goed, wat wil je nog weten? Of ik zelf een goede vader ben? Dat is een pijnlijke vraag, maar ik wil er wel op ingaan. Ik denk dat ik, in zekere zin, wel een goede vader voor mijn dochter ben geweest. Ik heb gegeven wat ik kon, vooral in materieel opzicht. Ik heb haar werk gevolgd (Sarah Verroen is schrijfster/programmamaakster, red.), haar aangemoedigd, haar* Ik geloof echt dat ik het goed gedaan heb, maar misschien geldt hier hetzelfde wat ik eerder over mijn ouders zei: ik kom niet bij mijn gevoel. Ik heb alles willen geven – maar is het wel zo overgekomen? Hoe dan ook: vijf jaar geleden heeft ze mij de wacht aangezegd. Het gebeurde op een avond die geprepareerd was om ruzie te maken. Ze zei: ’Ik ga weg en ik kom niet meer terug.’ Ik heb geprobeerd om haar van gedachten te doen veranderen, maar het is niet gelukt. Uiteindelijk heb ik er maar genoegen mee genomen. Sindsdien doe ik mijn best mij niet schuldig te voelen. Het is een natuurlijke neiging van me geworden, maar ik móet me verzetten. Ik ben niet schuldig. Het is háár besluit. Een vrouw van vijftig zou toch iets genuanceerder over dit soort zaken na moeten kunnen denken. Weet je wat ik eigenlijk het verdrietigst vind? Dat ze zo in boosheid leeft. Dat gun ik niemand.”

VIII

„Ik heb een sterk gevoel van mijn en dijn, maar ik weet eerlijk gezegd niet of ik het wel zo erg vind als mensen stelen. Ik hóef het niet te doen, ik heb alles, maar ik sta niet voor mezelf in. Als ik iets heel graag wil hebben en ik zou het niet kunnen krijgen? Ik weet het niet.”

IX

„Mijn laatste boek voor volwassenen heette ’Onder dak’. Dat waren eigenlijk allemaal beginstukjes van nieuwe romans; verhalen waar ik niet verder mee kon. Het was net alsof ik niet wist hoe grote mensen dachten, hoe ze voelden. Ik kon het wel bedenken, maar het kwam niet uit mezelf, begrijp je? En op een nacht werd ik wakker met de volgende zinnen: ’Sjoe woont in Afrika. Daar schijnt elke dag de zon. Je hoeft er nooit een jas of een das om want het is er altijd warm.’ Ik ben uit mijn bed gestapt en gaan schrijven. Alles klopte. Ik had het gevonden. Een verhaal met een ondergrond, álles. En het mooiste was: ik had voor het eerst het gevoel dat wat ik schreef waarachtig was. Waarom? Misschien wel omdat schrijven een verlengstuk van mezelf werd. Al de kinderen die ik beschrijf, dat ben ik zelf. Ik verbaas me er wel eens over hoeveel mensen het contact met hun kindertijd kwijt zijn. Als ze beweren dat het de mooiste tijd van hun leven is geweest, denk ik: dan moet je nu wel erg ongelukkig zijn, want zo gelukkig is die kindertijd meestal niet. Het is vooral erg moeilijk om een kind te zijn. Ik denk dat veel mensen er misschien niet bewust, maar dan toch onbewust voor kiezen die tijd achter zich te laten. Dat is mij niet gelukt.”

X

„Ken je ’Misschien tot morgen’, het dagboek van Leo Vroman? O, dat is zó goed. Beloof me dat je het zult lezen. Hij is 91 jaar oud, maar zit nog vol literaire eerzucht. Noemt zichzelf ergens een renaissancemens: goed in de wetenschap – hij onderschat zichzelf helemaal niet – in de beeldende kunst èn in de literatuur! Jaloersmakend? Nee, erger: het roept bij mezelf een gevoel van minderwaardigheid op. Vroman kan over zichzelf beschikken, hij lost zijn problemen op, ik sluit me liever af voor alles wat mij niet welgevallig is. En wat kan ik nou helemaal? Ja, van die kinderboekies schrijven. Maar goed, waar ik dan wel trots op ben: van de mensen met wie ik begin jaren vijftig debuteerde, ben ik de enige die nog publiceert. Het werk van die anderen is verramsjt of weggedaan. Ik mag niet klagen. Ik heb een zeer goed leven gehad. Ik ben dankbaar, zelfs voor de ouders die ik heb gehad. Ik heb nooit iets gedaan wat ik niet wilde, alles kunnen doen wat ik niet laten kon, dus ik hoop dat ik niet zal protesteren als de man met de zeis me komt halen. Dat is gek: ik kan mij zo veel voorstellen, maar juist daar schiet mijn verbeeldingskracht tekort. Ik kan me niet indenken dat ik niet weet dat ik er niet meer ben; dat alles, alles weg is. Het eeuwige niets. Ik hoop dat het nog even wegblijft. Yvonne’s moeder zei ooit dat ik stok- en stokoud zou worden. Dat was trouwens nadat ik haar had ontmoet. Daarvoor had ze mij een keer op televisie gezien en tegen haar dochter gezegd: ’Ik snap niet dat je met zó’n figuur bevriend kunt zijn! Die man kan toch nooit een militair worden?’ ”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden