Doe-het-zelfhulp is helemaal van deze tijd

De kritiek op kleine particuliere ontwikkelingshulp is deels terecht. Doe-het-zelvers hebben weinig kennis. Maar voor kleinschalige idealen is het zeer geschikt.

Kleinschalige particuliere hulp ligt onder vuur. De Nijmeegse ontwikkelingsdeskundige Lau Schulpen stelde gisteren in Trouw dat de kwaliteit van kleine particuliere ontwikkelingshulp op een groot aantal punten te wensen overlaat. De claim dat bij hen minder aan de strijkstok blijft hangen dan bij de grote organisaties, kunnen zij volgens Schulpen niet waarmaken.

Een deel van de kritiek is terecht. Maar wie zich fundamenteel verzet tegen de doe-het-zelvers miskent de tijdgeest. Want het is een onmiskenbaar feit: particuliere hulp van westerlingen aan zuiderlingen neemt toe. In Nederland overleggen steeds meer mensen aan de keukentafel hoe ze een Zambiaans dorp kunnen voorzien van een waterpomp of een school in Guatemala van rekenboeken.

In Groot-Brittannië, de Scandinavische landen of Australië is het niet anders. Bill Clinton schrijft in zijn recente boek ’Geef en verander de wereld’ over een ’explosie van particuliere personen die zich inzetten voor het goede doel’. Clinton verklaart deze ’explosie’ als een ’ongekende democratisering van liefdadigheid’. Via televisie en internet weten we steeds beter hoe het mensen vergaat die in armoede leven. Bovendien wordt het met de dag gemakkelijker om de armen daadwerkelijk te ontmoeten.

Op vakantie in Guatemala wandel je een schooltje binnen en je merkt dat niemand over rekenboeken beschikt. Eenmaal thuis, en na een rondje e-mailen met vrienden en familie, stroomt het geld binnen. Binnen een maand kun je Guatemala melden dat ze die boeken kunnen gaan kopen. Op zakenreis in Lusaka neemt de bestuurder van een taxi je op een zondag mee naar zijn dorp. Je wordt gastvrij onthaald, raakt van slag door de armoede, hoort over het verlangen van de taxichauffeur om kinderen naar school te sturen en besluit op de weg terug om hun schoolgeld te gaan betalen. Eenmaal thuis overweeg je om het schoolgeld te betalen van álle kinderen in het dorp. Een week later stap je binnen bij een notaris en richt een stichting op.

Een ander feit is al even onmiskenbaar: ontwikkelen is een vak. Gevestigde ontwikkelingsorganisaties weten dat. Ze beseffen dat elke interventie in een vreemde omgeving risico’s met zich meebrengt. Je kent het terrein niet, weet niet wie er nog meer actief zijn, je hebt geen voeling met politieke en economische machinaties. Voordat grote ontwikkelaars ergens beginnen, maken ze tal van afwegingen. Ze bereiden zich langdurig voor, ze overleggen uitgebreid met consulaten en ambassades, zetten een kantoor neer, tuigen een organisatie op, trekken lokaal personeel aan, betrekken lokale organisaties in hun activiteiten en zetten een batterij aan instrumenten in om alle processen zo nauwkeurig mogelijk te meten. Een professionele ontwikkelingsorganisatie is bij uitstek een lerende organisatie.

En dáár, zegt Lau Schulpen, gaan de doe-het-zelvers in de fout. Ze concentreren zich op die school of dat dorpje, en hebben vaak geen flauw idee van de werkelijkheid eromheen. Dat maakt hen kwetsbaar, dat maakt hun ook werk onnodig ineffectief. Grotendeels heeft Schulpen gelijk. Het wordt hoog tijd dat particuliere ontwikkelingswerkers gaan studeren. Dat ze hun idealisme aanvullen met meer kennis. Ook de doe-het-zelf-organisaties moeten lerende organisaties worden. Al was het maar om hun idealisme effectiever in te zetten. De professionele ontwikkelaars zouden hierin een prachtige rol kunnen vervullen door het aanbieden van cursussen, workshops en intensieve begeleiding.

Maar de conclusie van Schulpen is te drastisch. Veel particuliere projecten zijn zó kleinschalig, dat professionalisering een brug te ver is. Wie zich louter concentreert op de reparatie van een waterpomp in een dorpje in Senegal, kan tevreden zijn wanneer die pomp ook gerepareerd wordt. Wie geen grotere idealen koestert dan het verschaffen van rekenboeken aan een Guatemalteeks schooltje, heeft het voortreffelijk gedaan wanneer die boeken er ook komen. Daar zijn geen verkennende studies, geen evaluatieprogramma’s, geen haalbaarheidsrapporten, en geen accountancyverklaringen voor nodig. Het is te evident dat rekenboeken en schoon water noodzakelijk zijn. Maar de zakenman die op grond van een enkel bezoek aan een Afrikaans dorp een stichting opricht om álle kinderen naar school te sturen, doet er goed aan om Schulpens kritiek ter harte te nemen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden