Doe de Oost-Indische kers in de groene bak

In haar negende bundel richt Elma van Haren de blik op tuin en natuur. Dat levert niet altijd interessante observaties op.

‘Flitsleemte’ is de negende bundel van dichter en beeldend kunstenaar Elma van Haren (1954). Dik twintig jaar geleden debuteerde ze met ’De reis naar het welkom geheten’, die bekroond werd met de C. Buddingh’-prijs. Het in 1997 verschenen ‘Grondstewardess’ won de Jan Campert-prijs. Haar poëzie is door de jaren heen a-lyrisch van aard gebleven. De taal is eerder verhalend van aard dan melodieus. Bovendien krijgen de regels niet steeds na een paar woorden een harde return om de oren maar lopen ze wat langer door op het papier. „Nog vertrouwend op het genestelde Joehoe! van de dag draait de klok / uiteindelijk zijn wijzers vanuit het oeverloze helle blauw naar het gepokt / en gemazelde trommelvel van de nacht, die aanglooit met het maanlicht / schuin door de wolken getrokken, gevuld met gedrup: erin of eruit, liefje, / binnen of buiten?” is zo’n lang doorlopende slechts door de lijmlaag van het boek onderbroken zin.

In haar negende boek vat Van Haren de natuur in taal. Er zijn kraaiensnavels, groenstaartparkieten en koolwitrupsen en er schijnt ’saffraans’ zonlicht, vrij naar de roodgele specerij. Dat laatste gebeurt in een gedicht met de veelbelovende titel ’Sint-Antoniusvuur’, verwijzend naar een schimmelziekte van vroeger, die gelet op de maniakale bezetenheid onder patiënten rechtstreeks van de duivel afkomstig leek. De dichter staat in de woestijn als er een hagedis over haar voet loopt, ’als was ik een steen in het landschap’. Een zieke zit op de houten vloer in een kamer die wordt bedicht als ’de ademende doos van de ruimte’. Spielerei met de symptomen van Sint-Antoniusvuur (’braaksel te overweldigend’) brengt de lijder tot een uitroep: „Hoe kan ik dan liefde belichamen?”

Interessanter wordt het als Van Haren vraagt hoe ze de ‘schubbige warmte’ in haar lichaam kan ‘gebruiken als persoonlijk aanbod, zoals een verliefde / zijn lichaam voorlegt aan zijn geliefde’. Een lichaam voorleggen aan een geliefde, als een voorstel waarop je in kunt gaan. Dat zijn woorden die in hun schijnbare onbewogenheid zwaar binnenkomen bij de lezer. Ze doen denken aan een prachtregel uit Van Harens tweede bundel ’De wankel’ (1989): „Het lukt me soms,/-wanneer ik iemand tegenkom-/onbewogen te blijven staan.” Dat komt aan, vooral door dat woordje ‘soms’.

In plaats van dergelijke verslaglegging van falend intermenselijk contact geeft Van Haren hier, zoals gezegd, de voorkeur aan natuurbeschrijvingen. In het lange gedicht ‘Vasthoudendheid’ voert ze in een drieluik eerst nog een nachtelijke lezer in bed op. Ze ziet „de lichtvlek van het lamplicht en daarin mijn gestalte, lezend in bed / met het enorme donker daaromheen”. Maar in deel twee snoeit de verteller ineens haar tuin en werpt ze surplus van Oost-Indische kers op een berg afval waar de eenjarige, kruidachtige plant meteen weer wortel schiet. Ze „gedijen beter dan ooit op die / berg, waar zoveel zuurstof inzit door vermenging van het afval”. Zo’n gedicht is naar mijn mening niet schijnbaar onbewogen, maar eerder onbeduidend. Als ik van mijn Oost-Indische kers af wil, moet ik het afval nooit zomaar in de tuin werpen maar resoluut in de groene bak, stel ik vast. En als ik in het laatste deel een bejaarde dichteres en één van middelbare leeftijd naar een jonge collega op het podium zie kijken die ‘elegant haar benen verplaatst, terwijl ze / zorgvuldig bladert op zoek naar het juiste gedicht’, concludeer ik dat ouder worden ook voor dichteressen niet altijd even makkelijk is, zeker niet in het aanschijns van een schmierend blondje.

Van Harens natuurobservaties missen ook slagkracht. Een midzomerdag wordt omschreven als ’geurig, helder schijnend, warm’. Na de zomer volgt een ’broeiende herfst’. En er zijn ’okerdonkere dagen met diepblauwe luchten’, terwijl de naaktslakken masse de paden op slowen’. Poëzie is hier niet langer een vehikel van verbeelding maar eerder een spel van platte synoniemen. Zoals ook in het hieronder afgedrukte gedicht, dat deel twee vormt van opnieuw een drieluik. Hier leert Van Haren de lezer de wetten van het lijnperspectief: dat een struik en een boom in de tuin elkaar lijken te raken als je de twee beziet vanuit de serre, terwijl er in werkelijkheid tien meter afstand ligt tussen gewas en houtcilinder. En dan moet ik me voorstellen dat de roos de notenboom aanvalt, terwijl ze toch echt gewoon wiegt in de wind.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden