Do's en don'ts van de (Hollandse) boekverfilming

De Nederlandse boekverfilming zit weer in de lift: deze maand verscheen 'Nooit Meer Slapen/Beyond Sleep', donderdag gaat 'Knielen op een bed van Violen' in première. De weg van de boekverfilmer zit vol valkuilen.

Boeken moet je niet verfilmen, sprak Willem Frederik Hermans ooit. De schrijver was notoir afkerig van lieden die hun zinnen op zijn romans hadden gezet, en ontevreden met de films die er toch van kwamen. De samenwerking met Fons Rademakers aan het script van de verfilming van 'De donkere kamer van Damokles' werd verbroken, omdat Hermans' wensen een film van 18 uur zouden hebben opgeleverd. En hij was lang niet de enige Nederlandse schrijver die met licht afgrijzen toezag wat er in het proces van boek naar film allemaal verloren dreigde te gaan.

De glorietijd van de Nederlandse boekverfilmingen lag in de jaren 70 en 80, toen diverse boeken van Wolkers, Mulisch en Heere Heeresma werden verfilmd (zie kader). Het laatste anderhalve decennium taalden de filmmakers minder naar de vaderlandse literatuur, of het moest om de jeugdboeken van Carry Slee (zeven keer verfilmd) en de kinderboeken van Annie M.G. Schmidt (vijf keer verfilmd) gaan.

Maar anno 2015 en 2016 is de boekverfilming weer een gewild genre. Romans van Heleen van Royen ('De ontsnapping'), P.F. Thomése ('J. Kessels'), Bert Wagendorp ('Ventoux'), Thomas Rosenboom ('Publieke Werken') én W.F. Hermans ('Nooit meer slapen') werden verfilmd. Donderdag verschijnt het langverwachte 'Knielen op een bed violen', naar Jan Siebelinks bestseller, volgende maand 'De Helleveeg' naar A.F.Th. van der Heijden. Allemaal bekende romans, maar als film vooralsnog wisselend ontvangen door pers en publiek. Het verfilmde 'J. Kessels' flopte onlangs, terwijl het onverfilmbaar geachte 'Nooit meer slapen' het als 'Beyond Sleep' vooralsnog verrassend goed doet.

Trouw bekeek alle boekverfilmingen van het afgelopen jaar, denkt terug aan flops en toppers, en zet de do's en don'ts voor u op een rij.

Pas op voor gratuit spektakel

Een film kan laten zien hoe iets eruitziet, een boek niet. Dat is waar we ons bij boekverfilmingen haast kinderlijk op verheugen: Hoe gaat die lift nou door het plafond heen komen in 'Abeltje'? Of: Wat zal Ben Sombogaart gemaakt hebben van Sievez' visioenen in 'Knielen op een bed violen'? Geen wonder dat regisseurs zich op art direction en decor storten, nu de digitale trucage alles uitbeeldbaar maakt. Alleen komt bij al dat uiterlijk vertoon de ziel van de roman niet vanzelf mee. Toen André van Duren in 2004 'Kees de jongen' verfilmde, jubelde iedereen over het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt, dat in 1929 afbrandde. Nu herrees het op het witte doek digitaal uit de as. Het paleis was prachtig, maar kon niet verhullen dat er aan de film iets ontbrak. De ironie van Theo Thijssen school niet in het herrezen Volkspaleis.

Iets soortgelijks speelt in 'Publieke Werken', dat de bouw van het Amsterdamse Victoria Hotel in beeld brengt. Het imponeert, iedereen prees de film omdat het 19de-eeuwse Amsterdam zo schilderachtig en levensecht oogt. Toch komt de tijdgeest pas tot leven als Vedder en Anijs door de nevelachtige Drentse weilanden lopen, op zijn Rosenbooms mopperend op de publieke werken die verzuimen bruggen aan te leggen waar ze nodig zijn.

Doe voorzichtig met de voice-over

Wat doe je met al die gedachten? Het is een duivels dilemma voor iedere boekverfilmer, die binnenwereld van de romanheld. Hoe toon je de groeiende onrust van Hans Sievez, als hij voor het eerst de hem stalkende Jozef Mieras opmerkt. Of de verwarring van Alfred Issendorf die in 'Nooit meer slapen' langzaam aan het hallucineren slaat. Werd in Oscarwinnaar 'De Aanslag' de hele film nog door een ouderwetse verteller aan elkaar gepraat, tegenwoordig is men huiveriger voor de voice-over. En terecht.

Terwijl in 'J.Kessels; the novel' de eerste zin ('Het begon allemaal met zo'n telefoontje waar ik echt niet op zat te wachten') je direct de roman in trekt, zet diezelfde zin, uitgesproken door de voice-over, de kijker buiten het verhaal. Een voice-over is gemakzuchtig, lui, en vaak dubbelop. Overigens zijn er heel goede voice-overs in films - denk aan Woody Allen, aan 'Clockwork Orange', 'Adaptation' - maar niet vaak in boekverfilmingen.

Zoek een onbekend gezicht

Films willen helden die wat leren. Hoe kan je nou een film maken over een boek met een totaal passieve held, die alles overkomt, die niets zelf onderneemt, zou Fons Rademakers hebben verzucht, voordat hij zich aan het verfilmen van 'De Aanslag' zette. En dan hield Anton Steenwijk in dit verhaal nog nieuwe inzichten over. Nederlandse romans gaan vaak over sukkels. Frits Egters ('De Avonden'), Han de Wit ('Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp'), Osewoudt ('De donkere kamer van Damokles'): allemaal buitenstaanders, mislukkelingen. Maar ook personages als Walter Vedder ('Publieke Werken'), Hans Sievez ('Knielen op een bed violen'), en Alfred Issendorf ('Nooit meer slapen') die wel hogere doelen nastreven, zijn antihelden. Laat je ze vertolken door acteurs als Jeroen Krabbé, Barry Atsma of Reinout Scholten van Aschat dan moet er aan schrielheid, magerte, onhandigheid en algeheel 'autistisch' onbehagen extra getrokken worden. Paul Verhoeven, die als eerste de rechten van 'Knielen op een bed violen' kocht, haakte af omdat hij niet goed tegen Hans Sievez kon. Barry Atsma viel negen kilo af om de intens gekwelde antiheld te vertolken. Het helpt, maar hij blijft Barry Atsma. Net te blij, blond en gezond voor godsdienstwaanzin.

Sex sells (niet meer)

In de jaren zeventig struikelde je in de boekverfilmingen over de seksscènes. Jan Wolkers en Paul Verhoeven zetten de toon met 'Turks Fruit' en die toon werd zo'n twee decennia vastgehouden. Tegenwoordig lijkt de seksscène juist verdwenen uit de Nederlandse boekverfilmingen. Zelfs in de Heleen van Royen-verfilming 'De Ontsnapping', een boek dat aan elkaar hangt van uitspattingen met een Portugese gigolo, is de seks beperkt tot twee brave scènes die nauwelijks iets onverhuld in beeld brengen. Veel seks zat er nog wel enkele jaren terug in de Kluun-verfilming 'Komt een vrouw bij de dokter', een reclameversie van 'Turks Fruit'. Maar dat was een laatste eruptie. Overigens grossierde die film ook in ander lichamelijk controleverlies: de kotsscène is de laatste jaren wél vaste prik geworden in de boekverfilming. Dan toch liever nutteloze seks.

Duik in het landschap

Onverfilmbaar zeiden ze over 'Nooit meer slapen' van Willem Frederik Hermans. Wat moest een filmmaker met die monologue intérieur van geoloog Alfred Issendorf, die bladzijden lang vecht tegen muggen in een te kleine tent, er hele gesprekken mee voert, net als met zichzelf en een professor die hij als tegenstander ziet - allemaal louter in zijn eigen hoofd. Boudewijn Koole dook in het Noorse landschap. Hij schrapte bijna al het gepraat en vond in de verlaten toendra, in mist, regen, kolkende beken, en almaar irritant zoemende muggen, de perfecte verbeelding van zijn verhaal over een jonge man die teruggeworpen wordt op zichzelf, en zijn houvast verliest.

Durf te schrappen

Een boekverfilming is een oefening in loslaten. Overbodige plotlijnen, bijfiguren, te veel personages en gebeurtenissen - durf het maar eens te schrappen. Hoe zit het bijvoorbeeld tussen zoon Theo Vedder en vader Walter Vedder in 'Publieke Werken'? De eerste helft van de film staart de zoon zwijgzaam voor zich uit, de tweede helft van de film kiest hij zijn eigen weg. Zijn vader blijft verbaasd en ontredderd achter. Maar het bioscooppubliek ook. Waar ging dit over? Koole schrapte in 'Nooit meer slapen' de voorgeschiedenis en het slot, hij beperkt zich tot de wandeling die de geologen samen maken. Praktisch makkelijk omdat de toendra een tijdloze omgeving biedt, maar ook verhaaltechnisch sterker, omdat wat hij wilde verbeelden daar bij uitstek te verfilmen was. Iedere boekverfilmer moet uitbenen en iets nieuws vertellen; dát levert sterke films op.

Kortom: hou het simpel

Dan zit je de hele film te wachten tot Hans Sievez eindelijk op dat bed met violen knielt en dan valt dat grote moment in beeld toch een beetje tegen.

'De zonnebloemen werden zonnen, hij zag zonnen, sterren, verschrikkelijk koude sterren als het gezicht van het paapse afgodsbeeld, hoorde de stem van zijn moeder, hoorde het klagen van de doden die hij gekend had, een paard kwam op uit het veen en galoppeerde voorbij, alle geluid stierf weg.' Zo schrijft Siebelink. In de film zien we zwermen spreeuwen samenkomen, uitbundig licht, Barry Atsma die op de grond valt. Wat gaat er in die man om? Zonder Siebelinks wanhoopslyriek blijf je toch gissen.

Toch zijn er ook beelden die iedere beschrijving tarten. Een van de aangrijpendste scènes uit de Nederlandse filmgeschiedenis zit ook in een boekverfilming: 'Spoorloos' van George Sluizer. In 'Het gouden ei' van Tim Krabbé ontdekt de held dat hij levend is begraven. Sluizer bracht het simpel in beeld: eerst is het donker, dan hoor je schuiven, bonzen, een aansteker. Een vlammetje beschijnt flauw zijn gezicht, de groeiende paniek, de schreeuw. Slik je wat Krabbé opschreef nog redelijk makkelijk weg, in de bioscoop houd je je adem in en sla je de handen voor je ogen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden