Djosjo de dorpsgek

De dorpsgek Djosjo was een goede onderhandelaar, die onder geen beding afweek van de vraagprijs om in de modderige poel te gaan zwemmen. Het moet in de eerste weken van mei geweest zijn dat het kleine meertje net genoeg water bevatte om erin te rollen en zwemmen. Alle dierbare muntjes die we in de zakken van onze armoedige broeken hadden, moesten we aan Djosjo geven, maar zodra hij als een magere waterbuffel rolde in de modder hadden we voldoende pret om met gemak de eerste dagen van de winter te halen.

Djosjo zat bij mijn broer in de klas. De enige meester van de school betrad aan het begin van het lesjaar de klas en schreef in koeieletters op het zwarte bord het adres van de bakstenenfabriek in Istanbul. Daar werkten alle volwassen mannen uit ons dorp. "Het enige wat jullie moeten leren, is dit adres. Jullie zullen toch niet meer bereiken dan een baantje in die fabriek", zei hij en ging weer weg om zich te bekwamen in het bespelen van de saz.

Er was dus geen groot verschil in niveau tussen al die kinderen van mijn geboortedorp en dat van de dorpsgek. Was het Djosjo gelukt om dat adres in Istanbul uit zijn hoofd te leren, dan was hij net zo pienter als de rest.

De drang naar een betere toekomst was als de rattenvanger van Hamelen die alle kinderen van het dorp binnen een paar jaar uit dat gat lokte. Aan de hand van onze ouders streken we allemaal ergens anders neer in de wereld. Behalve de jongen Djosjo die met zijn moeder, opa en oma achterbleef. Geen familielid die het waard vond om zich te ontfermen over de zwakste schakel van het dorp Edegul.

Zo nu en dan gaat een kindervriend terug naar ons geboortedorp, met somberte in het hart. Dan hoor je geheid dat het zo slecht is gesteld met Edegul: het dorp is veranderd in een ruïne, de huizen zijn vervallen, op de graanvelden heerst de wildgroei, de school is dicht...

Djosjo is er wel nog steeds, als een rots in de branding, trouw aan zijn grond, nog altijd zonder de kennis van dat adres van die fabriek in Istanbul. Een van mijn dorpsgenoten heeft hem een jaar geleden gefilmd. In dat korte filmpje dat nu tussen Turkije, Duitsland en Nederland circuleert, is Djosjo net zo afgetakeld als het dorp waar hij leeft. Zijn vleesloze gezicht is verdwenen achter een enorme bril met de dikste glazen die te produceren zijn. Hij glimlacht zacht, is nog steeds dat maffe kind, alleen wat verlegen door de mobiele telefoon die op hem is gericht. "Lieve dorpsgenoten", brengt hij dan uit. "Met mij gaat het prima. Ik ben een jaar geleden aan mijn been geopereerd, maar nu gaat het weer goed. Maak je om mij maar geen zorgen."

Namens iedereen die aan heiligschennis heeft gedaan, waakt Djosjo over de grond van onze kinderjaren. In een wereld waar de bakstenenfabriek in Istanbul ook al niet meer bestaat, is hij de man met de officiële naam Coskun Budak. Hij heeft in modderige wateren gezwommen, opdat de kleur van poep van de natte grond de kleur van goud werd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden