Dit is een verlangen zo oud als de mensheid - om in het hoofd van een ander plaats te kunnen nemen. Kon ik een ander zijn, dan kwam ik los van mijzelf.

Kunt u één ding, een persoonlijk bezit aanwijzen dat uw leven weerspiegelt? Deze zomer laat Letter&Geest acht auteurs zoeken naar een betekenisvol object. Vandaag: Willem Jan Otten

Afgezien van mijn portemonnee is er maar één ding dat ik als ik het huis uit ga, min of meer automatisch bij me steek. De portemonnee zal niet mijn graf in gaan. Het voorwerp in kwestie, deo volente, wel. Dat wil zeggen: als het aan mij ligt zou ik het in, zoals het heet, het uur van mijn dood in mijn handen willen hebben. Als ik inslaap is dat niet zelden al het geval.

Mijn laatste voorwerp ziet er uit als een kralenketting en er hangt een vingerkootgroot crucifixje aan, met een 'poppetje' zoals ik een kind eens heb horen zeggen. Het heet een 'rozenkrans', een te zoete naam voor iets wat nogal wat te verduren krijgt. Als alle rozenkransen die in de loop van het christendom gehanteerd zijn, aangesloten waren geweest op een transformator die vertwijfeling kon omzetten in stroom, dan zou er nooit een grondstoffencrisis zijn ontstaan.

De rozenkrans op de foto is mijn zesde of zevende - ze slijten in het gebruik, ze vallen uit elkaar. Een gebroken rozenkrans is geen probleem - je kunt de losse onderdelen moeiteloos tot één geheel prevelen. Persoonlijk leg ik de hele krans (elk kraaltje een Wees Gegroet of een onzevader) maar zelden af. Wel weet ik dat het echt een ervaring is om, na de hele tocht, de crucifix te bereiken en eindelijk het minuscule lichaampje aan te raken.

Mijn rozenkrans is het onpersoonlijkste wat ik bezit (er gaan er miljoenen in een dozijn, deze laatste komt van een rek in Assisi), en tegelijkertijd is het, op het lichaam van mijn echtgenote na, het intiemste. Daarom is de vraag naar mijn laatste voorwerp ook een indiscrete: het is mij eigen als mijn eigen handpalm. Het is zoiets als mijn binnenzijde.

Om uit te leggen wat mijn laatste voorwerp voor mij betekent neem ik mijn toevlucht tot de film 'Inception', één van de grote bioscoopsuccessen van afgelopen seizoen. Hij is van Christopher Nolan. De film heeft me meer beziggehouden dan ik na de eerste keer zien van plan was toe te geven. Hij is beslist kitscherig, vaak te handig (sommigen noemen dit: geniaal) en soms stuitend effectief. Maar hij wil het onmogelijke - en blijft je bij. Je gelooft geen snars van wat je ziet, het is allemaal vaak nodeloos ingewikkeld en voortdurend puberaal gewelddadig - maar er is iets wat echt fascineert: het verlangen waar de film uit bestaat. Hoofdpersoon Leonardo DiCaprio heeft namelijk toegang tot andermans dromen.

Dit is een verlangen zo oud als de mensheid - om in het hoofd van een ander plaats te kunnen nemen. Het is een almachtsdroom, maar ook een verlangen naar verlossing: kon ik een ander zijn, dan kwam ik los van mijzelf. Zelfs mijn hond roept dit verlangen op, wanneer zij zachtjes jankend droomt en met haar poten onwillekeurige bewegingen maakt die doen vermoeden dat zij zich zelf lopend droomt, of zelfs: jagend, door een voormenselijk mythisch wolvenlandschap.

Waarom kunnen we niet echt bij elkaar naar binnen? Waarom moeten we het stellen met elkaars uitingen, elkaars buitenkant? Zelfs al is die uiting een schitterend intiem gedicht, opgeweld uit het 'diepst van de gedachten', dan nog lijkt het ware daarachter of daar in verscholen te zijn. Ik 'ken' dat ware van mij zelf: het is wat ik van binnen uit meemaak. Op dit moment.

Als je er goed over nadenkt, dan is dat wat ik van binnen uit meemaak ook voor mezelf onkenbaar. Wat ik 'ken' is nu net niet 'wat er in mij omgaat'. Maar deze filosofische onmogelijkheid deert me niet: ik zou graag van binnenuit een ander willen zijn. Dat dat zou kunnen, is één van mijn dierbaarste ficties. Het is, om maar iets te noemen, het rad dat ik me voor ogen draai om op mijn wijze schrijver te zijn. Hoe dwingend mij ook voorgefilosofeerd wordt dat ik geen ziel heb - zodra ik mij probeer in te leven in een ander, in iemand die mij aanspreekt of bezighoudt, in een personage, verhuis ik van ziel.

Het lijkt er op dat in onze tijd dit verlangen naar zielsverhuizing (dat nergens zo fanatiek wordt gecelebreerd als in de filmkunst) omgekeerd evenredig is aan het besef dat we elkaar juist uiterst begrijpelijk vinden. We herkennen ons paf - de hele televisie-industrie is er op gericht om ons op elkaar te laten lijken, om de verschillen weg te denken. Het raadsel van mensen is zo beschouwd helemaal niet hun mysterieuze andersheid, maar juist: hun voorspelbaarheid, hun manipuleerbaarheid. We leven wat dat betreft in een Gouden Eeuw.

Hoe dan ook, in 'Inception' is Leonardo DiCaprio in staat tot het hevig verlangde: aangesloten worden op de droomwereld (en daarmee op het geheugen) van een ander. En als hij zich in zo'n droom bevindt, dan kan hij daar, in het 'onderbewuste', veranderingen aanbrengen. Herinneringen een slag draaien. Aan het verleden, en daarmee: aan de wil en zelfs het verlangen van de dromer sleutelen.

Meestal is de ingreep zakelijk of politiek van aard. Iemands geheugen wordt veranderd om hem iets te laten willen wat de opdrachtgever profijt zal brengen: een fusie afblazen, een testament veranderen, een politieke beslissing ongedaan maken. Maar Leonardo DiCaprio heeft nóg een reden om andermans droom binnen te willen gaan: hij wil de bestaansangst die zijn ex-vrouw heeft opgevat, ongedaan maken. Die angst, en de bijbehorende (zelf)haat, is, denkt hij, door zijn toedoen ontstaan Hun vervreemding is het gevolg van een ingreep zijnerzijds geweest. Hij heeft haar, toen hij eens in haar (radeloze, verlaatangstige) droom verkeerde, verteld: als je in je droom doodgaat, word je in de realiteit wakker. Met andere woorden: ook al was het 'maar' een droom, hij heeft haar wanhoop gevoed, hij is, uit medelijden (dat zo dikwijls gemakzucht is), in gedachten 'met haar meegegaan'. Om er, in de droom, van af te zijn, van het wanhopige leven. Maar ze is, eenmaal ontwaakt, de gedachte blijven denken. Zij is ook in de realiteit gaan denken dat zij droomde, en dood blijven willen...

Ik vond dit een mooie manier om het verhaal van de levensangst te vertellen, die jonge mensen die schijnbaar alles mee hebben zo wreed kan teisteren, het onvermogen om zich te binden.

De film vertelt dit verhaal op een even breinbrekende als emotionerende wijze. En waar het mij om te doen is, is het feit dat Leonardo DiCaprio zelf ook aan de ziekte, of de zwakte van zijn vrouw leidt. Zijn inleving is een herkenning. Ook hij, die van droom naar droom reist, van realiteit naar realiteit, heeft grote moeite te beseffen wanneer iets 'echt' is, en om zich daar aan uit te leveren. Nu. Reëel. Steeds staat hij aan de verleiding bloot om, door middel van een gedroomde dood, te ontsnappen aan de realiteit. Er zijn zelfs episoden waarin hij moet beseffen dat hij door anderen wordt gedroomd... dat er aan hem gesleuteld wordt...

Het klinkt zo naverteld onwaarschijnlijk en nerd-achtig hypothetisch, maar de verlorenheid van DiCaprio op ogenblikken dat hij in dit labyrint van door elkaar heen lopende dromen aan het verdwalen is, en dit beseft, zijn beslist aangrijpend. Je weet dat het allemaal even verrukkelijke als volslagen onzin is, een game-wereld met oogverblindende special effects, en toch maak je iets existentieels mee. Iets dat je al kende, en waar je hondsbevreesd voor bent. En je kent het van... dromen. En van denken dat je droomt. Van dromen dat je denkt. Het is tijdens bepaalde episoden van deze film alsof je wordt aangesloten op een zijnswijze van je bewustzijn. Een vertwijfeling over de vaste grond waar je op staat.

'Inception' is natuurlijk niet de eerste film die je, zoals Ingmar Bergman het noemde, 'de vertrekken van de droom laat zien'. Tarkovski, Buñuel, Pasolini en Bergman zelf hebben ons de droom van hun personages - die natuurlijk de droom van henzelf was - laten dromen, en daarmee onze droomwereld beïnvloed en geherdefinieerd. De filmkunst is iets meer dan een eeuw oud, maar we zijn nog niet eens begonnen met begrijpen hoe zij ons bewustzijn, ons realiteitsbesef, onze dromen heeft beïnvloed.

Maar in 'Inception' lijkt er méér te gebeuren dan het weergeven van droomrealiteiten: de dromen worden niet als een of andere poëtische waarheid gepresenteerd, maar als een web van realiteiten waarin een mens zijn zelfbeeld kan zien verzwakken - omdat de 'ervaring van realiteit' verijlt.

Vroeger werd er van mensen die rotsvast geloofden in een hiernamaals, in nóg een wereld, beweerd dat zij niet echt 'nu' leefden - ze hadden de volgende, mooiere werkelijkheid als het ware achter de hand. Zelfs in een stukje van de wijze Bert Keizer (over ik meen zijn gelovende vader) heb ik het een keer gelezen: geloof in Christus is een geloof waarbij je Zijn dood niet 'echt' hoeft in te denken als heus hartstikke dood, want Christus staat terstond weer op. En de implicatie was: wie niet echt 'dood is dood' durft te denken, leeft met behulp van een zoethoudertje. Het klinkt stoer, maar ik weet niet of het waar is - de zeldzame diepgelovigen die ik ken leven juist jaloersmakend intensief en aandachtig.

In onze areligieuze tijd lijken mensen, door de media, door het web, door het toerisme en zijn bliksemsnelle vervoer van werkelijkheid naar werkelijkheid, meer dan ooit in 'verschillende realiteiten' te verkeren. Ze geloven niet in een leven na de dood, toch neemt het leven de vorm aan van een reeks hiernamaalsen. Hun besef maar één keer geboren te zijn verzwakt, en daarmee hun bindingen, hun aandacht, hun gehechtheid. Het is alsof het, juist door de veelheid aan 'mogelijke levens' steeds groter moeite kost om werkelijk te beseffen 'dat dit alles is', dit ene leven. Het is, tot bijna het laatste uur, alsof er voortdurend een reserveleven klaar staat. Alsof je zo nodig altijd zult kunnen worden doorgezapt.

Voor DiCaprio, die in de fictie van 'Inception' voortdurend in andere bewustzijnen en realiteiten bivakkeert is het van groot belang om droom en werkelijkheid uit elkaar te houden. Om niet te vervagen, en te denken: wat maakt het uit, straks ben ik weer elders. Hij vecht, zou je kunnen zeggen, tegen zijn eigen wegzapbaarheid.

Hij heeft dan ook voor zichzelf een even simpele als geniale methode bedacht om te weten of hij al dan niet droomt. Want dat is, nogmaals, het grote gevaar dat hij loopt, en met hem wij, bewoners van het zaprealiteitenpark. Dat we willen blijven hangen in onze kunstmatige paradijzen, tot in de eeuwige vergetelheid. Daarom: telkens wanneer DiCaprio twijfelt aan de realiteit waar hij in verkeert haalt hij een draaitolletje tevoorschijn en dat laat hij dan voor zich op tafel, of op de vloer, tollen. Niemand weet dat hij over dit teken dat hij zichzelf kan geven beschikt. Dus als hij het doet, dan weet hij: ik ben nu echt. De enige. In mijn ene leven. Ik ben hier de dromer, dit is mijn bewustzijn, ik besta.

De tol is op zekere crisismomenten van de film het enige dat hem doet weten dat hij bestaat. Dat hij het zelf is, degene die zijn ene keer geboren is. En het is duidelijk: zijn vrouw beschikt niet over zo'n tol. Ze wordt gedroomd, ze verkeert niet in de realiteit, ze wil weg, altijd maar weg uit waar ze is, en denkt: als ik spring, dan spring ik de ware werkelijkheid in.

De film probeert ons te vertellen hoe moeilijk het is geworden om de realiteit werkelijk als het enige te beschouwen waarover we beschikken, waarin we tot een bestaan moeten zien te komen. De waan van DiCaprio's vrouw is geen fantasie. Iedere bioscoopganger herkent er iets van. Daarom leven we ook zo naarstig mee met DiCaprio, die zichzelf schuldig weet aan de angstige dorheid van zijn vrouw, haar bestaansvrees. Want dat is het natuurlijk, wat ons, elk op onze eigen maat, zo bekend voorkomt.

Ook dát zou je een waanidee kunnen noemen, van DiCaprio: te menen dat je de macht gehad zou kunnen hebben om de ander tot zelfmoord te drijven, als die zelfmoord niet al lang een verlokking was. Maar dat maakt voor DiCaprio's positie in de film niet uit. Als je het gevoel hebt iemand gesterkt te hebben bij het willen verdwijnen uit het leven, dan herinner je jezelf als iemand die niet genoeg van iemand heeft gehouden. Wat een ander woord is voor zeggen: dat je niet genoeg in liefde hebt geloofd.

Tegen dit laatste heeft DiCaprio geen verweer en dus reist hij stad en droom af op zoek naar het ogenblik waarop hij zijn fatale ingreep, zijn ogenblik van laissez-faire, zijn erftekort zou je haast zeggen, heeft gepleegd. En hij maakt deze tocht weer en weer om niet zelf aan de waan en de wanhoop van zijn geliefde ten prooi te vallen.

Tegelijkertijd dreigt hij verstrikt te raken in het dromenweefsel, of beter: loopt ook hij steeds sterker het gevaar om niet meer uit de droom weg te willen - en er te blijven, krabbend aan de korst van zijn schuldgevoel, ongeveer zoals een verslaafde denkt te kiezen voor zijn verslaving.

Daarom is het tolletje méér dan een gadget, meer dan een effectief scenario-ideetje. Het is wat onder bepaalde omstandigheden een gebed is voor een gelovige. Of beter: wat bijvoorbeeld een rozenkrans zou kunnen zijn. Of een ikoon, of een crucifix. Het zichtbare, en vooral tastbare voorwerp dat je bewustzijn helpt zich te richten. Eruit.

Heb ik hiermee verteld wat mijn laatste voorwerp, de rozenkrans, voor mij betekent?

Ja en nee. Want er is iets wat ik noch van DiCaprio's tolletje noch van de rozenkrans begrijp: hoe komt het dat ik ernaar grijp? Wat is de impuls die me aan het richten zet? Waar komt het altijd weer plotselinge, soms zelfs onverhoedse stootje besef vandaan dat er op dit eigenste ogenblik een oor is, een bewustzijn, dat mij hoort en waar ik mij toe kan richten?

Geen idee. Iets zegt mij dat het verreweg het beste is om hier geen antwoord te zoeken, maar om domweg te doen. In de illusie dat als ik ijzervijlsel ben dat zich richt, er dus een magneet is.

Ding rozenkrans Materiaal kralen: olijfhout, kruis en corpus: gietijzer Afmetingen kralen: erwt, kruis: vingerkootlang Waarde € 5,95 Citaat'Wel weet ik dat het echt een ervaring is om, na de hele tocht, de crucifix te bereiken en eindelijk het minuscule lichaampje aan te raken.'

Willem Jan Otten
Veelzijdig schrijver, dichter en essayist. Otten (1951) was literatuur- en theaterrecensent bij Vrij Nederland, dramaturg bij toneelgroep Baal, schreef toneelstukken, novelles, romans, dicht- en essaybundels.

Hij won in 2005 de Librisprijs voor zijn roman 'Specht en zoon'. In 1999 kreeg Otten de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre. Eind jaren negentig bekeerde hij zich tot het katholicisme, een belangrijk thema in zijn werk. Zijn echtgenote, schrijfster Vonne van der Meer, maakte die stap enkele jaren eerder.

Otten publiceert regelmatig in Trouw. Op 4 mei van dit jaar hield hij de herdenkingslezing in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, waar hij sprak over de kampervaringen van zijn moeder in Indië.

Zijn meest recente dichtbundel 'Gerichte gedichten' verscheen dit voorjaar. (Van Oorschot, ISBN 9789028241732)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden