Dit is een monument voor de zwaarste koers aller tijden

Lucien Buysse, winnaar Tour de France 1926, beklimt de Tourmalet. Beeld Hollandse Hoogte / Presse Sports
Lucien Buysse, winnaar Tour de France 1926, beklimt de Tourmalet.Beeld Hollandse Hoogte / Presse Sports

Kan je objectief bepalen wat de zwaarste wielerkoers aller tijden was? Ja, dat kan. Honderd jaar geleden werd die verreden. Een etappe zonder cols, in hondenweer en desolate omgeving. Hoog tijd dat er een monument voor komt.

Eerbetoon, de wielrennerij is er goed in. Koersen hebben bijnamen, zoals de ‘Hel van het Noorden’. De belangrijkste eendaagse wedstrijden heten ‘Monumenten’. Er zijn koersen vernoemd naar renners. Er zijn standbeelden opgetrokken en plaquettes gebeiteld. Er zijn straten naar renners vernoemd, sporthallen en parken. In grote koersen is het verleden altijd dichtbij. Helden van weleer worden uitgenodigd om te vertellen over toen. Verering is hun deel.

Vreemd genoeg is er geen eerbetoon, standbeeld of ander monument voor de zwaarste rit die ooit is verreden en voor de winnaar ervan. Daar zou eens verandering in moeten komen.

De zwaarste rit ooit – wanneer was die dan? Dat moet welhaast in de begintijd van het professionele wielrennen zijn geweest. Toen renners met zware fietsen, zonder versnellingen of derailleurs, beladen met banden en musettes vol proviand, over onverharde wegen vol stenen en kuilen trokken. Toen coureurs zelf hun lekke banden moesten vervangen en hun kapotte fietsen zelf bij een smidse moesten repareren. Toen Touretappes langer dan 400 kilometer konden zijn en koersen soms in het donker begonnen – en voor menigeen in het donker eindigden. Toen er altijd kans was op een botsing met een loslopende geit of een tegemoetkomend paard.

Aantal uitvallers

Verslagen van die wedstrijden zijn er. Tenminste: van etappekoersen als de Tour de France en de Giro d’Italia en van grote eendagskoersen als Parijs-Roubaix, Milaan-San Remo en de Ronde van Vlaanderen. Met die verslagen is wel wat aan de hand. Jarenlang werden koersen georganiseerd door kranten. Concurrerende bladen waren meestal niet welkom, het organiserende blad kon schrijven wat het wilde.

De peetvaders van de wielerjournalistiek, Henri Desgrange van l’Auto en Karel Steyaert, alias Van Wijnendaele, van Sportwereld, schuwden de overdrijving niet. Superlatieven en bombast waren vaste bestanddelen van hun verslagen. Dikke kans dat wedstrijden minder zwaar, sensationeel en bloedstollend waren dan de auteurs deden voorkomen – en dito als ze schreven over het weer. De opvolgers van de peetvaders bombastten later overigens vaak net zo.

Is er een objectieve maatstaf om te bepalen wat de zwaarste koers aller tijden is? Als het aantal uitvallers het criterium is, dan is het klaar. Dan is de Milaan - San Remo van 1910 de zwaarste. Een bizarre koers. Winnaar Eugène Christophe, een Franse knoest, zou later verhalen over extreme kou, sneeuw, een onzichtbaar wegdek, gladheid, bevroren vingers en een herberg waarin hij vertoefde om een grog te drinken, te eten en zich op te warmen.

Barre oerjaren

Van de 63 renners die in Milaan vertrokken, kwamen er zeven in San Remo aan. Van hen was één te laat, en twee bleken een stuk parcours in een auto afgelegd te hebben. 63 starters, vier renners in de einduitslag: een uitvalpercentage van 93,6 procent. Sindsdien nooit meer vertoond. Als eerbetoon de namen van de vier: Eugène Christophe, Giovanni Cocchi, Giovanni Marchese en Enrico Sala.

Het was in die eendaagse wedstrijden vaker bar in die oerjaren. In vier edities van Milaan-San Remo tussen 1907 en 1918, verreden in het vroege voorjaar, viel meer dan 70 procent van de coureurs uit. In de Ronde van Lombardije, een najaarswedstrijd, gebeurde dat in die jaren drie keer. Il Lombardia van 1908, met onweer en donderbuien, spande de kroon: 208 starters, 19 geklasseerd. Uitvalpercentage: 90,8 procent. In 1921 finishten in Parijs-Tours acht van de 64 gestarte renners. Twee kwamen na de tijdscontrole binnen, maar kregen van de wedstrijdleiding respijt omdat het weer zo honds (kou, sneeuw) was geweest. Officieel uitvalpercentage: 87,5; zonder respijt was dat 90,6 geweest.

Extreem weer

Toch is er iets. François Faber legde in 1908 de Il Lombardia met zijn 189 uitvallers af met een gemiddelde van 28,7 kilometer per uur. Niet snel voor die tijd, maar ook niet langzaam. De wegen en het materiaal waren veel slechter dan nu. De klasseverschillen tussen de renners waren juist veel groter. Dikke kans dat er veel avontuurlijke, maar matig getalenteerde mannen tussen de deelnemers zaten. Dat er mede daarom veel uitvallers waren.

Later worden zulke hoge uitvalpercentages zeldzamer. Behalve in Luik-Bastenaken-Luik, de late-voorjaarsklassieker in de Waalse Ardennen. Ná de Tweede Wereldoorlog zijn er zes edities waarin meer dan 80 procent van de renners voortijdig afhaakt. Die van 1980 springt eruit: 174 starters, 21 aankomers (87,9 procent). Kou, regen en sneeuw. Winnaar Bernard Hinault hield er eeuwige roem en twee gevoelloze vingers aan over.

Er is nog iets. In etappes van grote rondes zijn er nooit uitvalpercentages van 70 procent of meer. Renners die kansloos waren voor een prijs(je) gaven in eendagswedstrijden eerder op dan in etappekoersen. In een rittenkoers hadden zij de volgende dag weer een kans, of konden zij hun kopman wel bijstaan. Bovendien lagen de zwaarste etappes nooit in het begin van een ronde: de mindere goden waren al uit koers als de bergen of de kasseien opdoemden.

Totaal verkleumd

Ook in grote rondes kon het spoken. Neem de Giro-rit van Merano naar Bondone in 1956. Kou, wind, regen, sneeuw. De Luxemburger Charly Gaul, eigenlijk kansloos voor de eindzege in de Giro, rijdt het hele peloton aan gort. 46 uitvallers op 89 starters: 51,6 procent. Een wielerwijsheid leert dat winnaars geen pijn voelen. Foto’s die zijn genomen, bewijzen dat die wijsheid toen niet opging voor de ‘Engel van het Hooggebergte’. Gaul zou die Giro winnen.

Extreem was het op 5 juni 1988. Johan van der Velde beklimt de Passo di Gavia. Het wordt kouder en kouder. De weg is modderig en het gaat sneeuwen. Van der Velde, in korte broek en korte mouwen, rondt de top. Een begeleider roept hem, maar hij hoort hem niet. Zo mist hij een regenjasje. Van der Velde wordt bevangen door de kou. Na een tijdje ploeteren stapt hij, totaal verkleumd, in een busje. Vlak voor de finish stapt hij eruit. Hij ziet andere renners uit busjes stappen. Die rijden naar de meet. Van der Velde doet dat dan ook maar. Eerbetoon aan Erik Breukink, die uiteindelijk de bergrit van 120 kilometer wint. Het uitvalpercentage is laag. Ongeveer een derde van de renners heeft in busjes gezeten. Ze mogen de volgende dag toch van start.

Langste rit ooit

En de Tour de France? De tiende rit in de editie van 1926, van Bayonne naar Luchon over 326 kilometer en vier Pyreneeëncols, geldt als de zwaarste Touretappe ooit. Dat komt niet door de verslagen van Desgrange en Van Wijnendaele, beiden overigens schrijvend ter plekke. In die Tour zijn er ook verslaggevers van andere bladen. Allemaal schrijven ze hetzelfde: dat het regende, heel koud, mistig en glad was. Dat delen van de bergwegen waren omgeploegd door mensen die ’s morgens per auto naar de bergtoppen waren gereden. Foto’s bewijzen het. Dikke blubber op de Tourmalet. Alle renners moeten er van hun fiets. Op de andere cols moeten veel renners dat ook.

Het aantal uitvallers valt mee. Maar er zijn, als de tijdslimiet is verlopen, pas 31 renners binnen. Tourbaas Desgrange verlengt de limiet en pardonneert ook zeven verkleumde sloebers die na de tweede tijdgrens binnenkomen. Zo blijft het aantal uitvallers beperkt tot 22 (28,9 procent). Het hadden er 45 (59 procent) kunnen zijn.

Beruchte Alpenritten

Het was loodzwaar. Het beste bewijs? Winnaar Lucien Buysse rijdt met een gemiddelde van 18,9 kilometer per uur. Geen Touretappewinnaar had ooit zo’n laag gemiddelde. Een jaar later gaat het, onder vergelijkbare omstandigheden over hetzelfde parcours, weinig harder. Winnaar Nicolas Frantz haalt 19,8 kilometer per uur.

Er zijn meer barre Tourritten geweest. Alpenetappes met sneeuw; Pyreneeënritten met onweer en hoosbuien of met temperaturen van 40 graden, al leidden die laatste nooit tot veel uitvallers. Berucht zijn de twee Alpenritten van 1948, die qua zwaarte weinig onderdeden voor de Bayonne-Luchons van 1926 en 1927. Gino Bartali won ze.

Geen cols maar wel berucht zijn de ritten van Metz naar Duinkerken in 1919 en 1924. In 1924 rijden de renners urenlang in regen en tegenwind, deels over kasseien. Ritwinnaar Romain Bellenger finisht drie uur later dan het geplande tijdschema, zo ongeveer in zijn blote kont: door de regen en het geschuif op zijn zadel is zijn koersbroek versleten. Hij doet ruim 20 uur over de 433 kilometer: 21,2 kilometer per uur.

Nog langer doet de Waal Firmin Lambot over de editie van 1919. Die telt dan 468 kilometer en is volgens Lambot veel langer geweest omdat hij vanwege de beroerde staat van de naoorlogse wegen vaak moest omrijden. Nooit deed een ritwinnaar langer over een rit: 21 uur, 4 minuten en 27 seconden. De etappe is om nog een reden historisch. Het frame van gele-truidrager Eugène Christophe breekt onderweg en de knoest moet naar een smidse. Zo verliest hij de Tour. Nog iets bizars: alle elf (!) renners die in Metz zijn gestart, komen op tijd in Duinkerken aan.

Sylvère Maës en Ambrogio Morelli op de flanken van de Tourmalet tijdens de 16de etappe  van de Tour de France 1935. Beeld AFP
Sylvère Maës en Ambrogio Morelli op de flanken van de Tourmalet tijdens de 16de etappe van de Tour de France 1935.Beeld AFP

Decor van totale verwoesting

Toch, de zwaarste rit ooit is een andere. Zes weken na het einde van de Eerste Wereldoorlog kondigt Le Petit Journal een wielerwedstrijd aan: het Circuit des Champs de Bataille: een koers langs alle grote slagvelden van de Eerste Wereldoorlog.

Bizar is het idee, macaber wordt de wedstrijd. De Omloop begint in het heroverde Straatsburg. In de eerste etappe is er regen, sneeuw en hagel – de rit kan zo in de top-25 van zwaarste ritten ooit. In de tweede rit, naar Brussel, is het glad, is er wind, regen en sneeuw. Ook een kandidaat voor die top-25.

Maar de derde etappe slaat alles. Kou, plensbuien en storm – over nauwelijks begaanbare wegen vol stenen, gaten en bomkraters, in een decor van totale verwoesting. De Belg Charles Deruyter, om half 5 in Brussel gestart, komt rond 11 uur ’s avonds in het donker aan in Amiens. Zijn gemiddelde? Iets boven de 18 kilometer per uur. Over de laatste 130 kilometer doet hij negen uur (14,4 kilometer gemiddeld).

Die rit en die winnaar verdienen een monument of een jaarlijks eerbetoon. Dat kan op de 2e mei, de dag dat de etappe begint en Deruyter finisht. Of op de 3e mei: dan halen er drie renners voor 1 uur ’s nachts de meet, arriveert nummer vijf om half 9 ’s ochtends en druppelen de hele dag renners binnen die ’s nachts ergens geslapen hebben: in herbergen, ruïnes, loopgraven, wie zal het zeggen.

Eerbetoon aan de Belg Camille Leroy die om 19.26 uur, bijna 39 uur na de start in Brussel, als laatste in Amiens arriveert. Er zijn twaalf uitvallers, maar Leroy zet door en meldt zich de 4e mei rond 4 uur ‘s morgens bij de inschrijving voor de vierde etappe. Hij rijdt het hele Circuit (7 ritten) uit, al is er geen eindtijd van hem bekend. In de zesde etappe komt hij zo laat binnen dat de tijdwaarnemers al vertrokken zijn.

Lees ook:

Koersen tussen de kraters

De vijfde rit van de Tour de France van 2014 stond in het teken van de Eerste Wereldoorlog. In 1919 werd er ter herdenking van de slachtoffers al een ronde verreden: de meest deprimerende wielerkoers ooit.

Milaan-San Remo 1910, dát was pas zwaar

Kou, sneeuw, de geschrapte passage van de Passo del Turchino: 65 van de 200 renners hielden het voor de eindstreep voor gezien. Maar het kan erger. In 1910 was het nog beroerder weer. En niemand die op het idee kwam de Turchino uit het parcours te halen.

Voetremmen in een donderbui

De Tour de France van 1926 was de langste ooit. Maar hoe bar waren de omstandigheden echt, en wat is mythevorming? Trouw-redacteur Koos Schwartz zocht het uit en schreef er een boek over.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden