'Dit is een beetje een vies museum'

Op de landgoederengordel bij het Groningse Eelde is het prettig wandelen. Maar of je daaraan toekomt, is een tweede.

Dick Verel opent een glazen deurtje en haalt een koperen blaasinstrument uit de kast. Met de mouw van zijn dikke trui van fleece veegt hij het rietje schoon en geeft een demonstratie van de muzikale mogelijkheden op de fluit. Hij verontschuldigt zich lachend. „Het is hier een beetje een vies museum. Iedereen lebbert maar wat aan die instrumenten.” Maar da’s ook wel aardig, dat je in Muziekinstrumentenmuseum Vosbergen veel instrumenten mag aanraken en van haast elk instrument te horen krijgt hoe het klinkt. Waar kan dat nou?

We kwamen hier om te wandelen. Vijftien kilometer over de landgoederengordel tussen de Groninger dorpen Eelde en Paterswolde. Over slingerpaadjes, langs vijvers en stuwwallen. Met een zak doppinda’s in de sneeuw, dat idee. Op de kaart is een route aangegeven langs landgoederen als De Braak, Vennebroek, Lemferdinge, De Duinen en Oosterbroek, die we door doorsteekjes te kiezen net zo lang kunnen maken als we zelf willen. Het wordt een ’kortje’. Nog geen kilometer onderweg valt onze blik op een doorkijkje. Over het – vanwege de sneeuw – grijszwarte water zien we landgoed Vosbergen liggen, omringd door een fotolijstje van bomen. En daar blijkt een collectie muziekinstrumenten te zijn gehuisvest, waardoor we de andere landgoederen die dag niet halen.

Landgoed Vosbergen is een Rijksmonument dat toebehoort aan de Klaus-Groeneveldstichting, naar het echtpaar Klaus-Groeneveld, dat het in 1890 kocht. Na hun dood moest op het landgoed een rusthuis ’voor beschaafde en ontwikkelde personen’ worden gesticht. Later werd die definitie verbreed: een culturele bestemming mocht ook. Dick Verel kon zich geen betere ruimte bedenken voor zijn muziekinstrumentenverzameling dan dit landhuis.

Rieteke en Dick Verel bewoonden tot die tijd een boerderij in het nabijgelegen Onnen. Samen vertimmerden ze het landhuis Vosbergen in anderhalf jaar tijd terug in de oude stijl. Daarvoor hadden er studenten gewoond en ook de verslavingszorg – nu een deur verderop – was er een tijd gevestigd. Daar werd het niet mooier van. Nu is het er aangenaam, authentiek en stil.

Dick Verel verzamelt al vijftig jaar lang instrumenten. In zijn museum toont hij de geschiedenis ervan. Op zijn twaalfde kocht hij zijn eerste trekharmonicaatje. „Daarna nog eens een trompetje, een gitaartje.” Hij praat bescheiden grappig, in verkleinwoordjes en understatements. „Ik specialiseer niet op die toeters; alles wat lawaai maakt, vind ik leuk. ’t Is hier voor kenners mooi en voor amateurs ook. ’s Zomers staan hier vijfenveertig stoeltjes op het terras. Een paradijselijke toestand is het dan. Dat vinden de mensen leuk.”

Van elke rondleiding maakt hij een feest – dus ook van deze. „Dit noemen wij ons klassieke kastje.” Grote trots uit het kastje zijn de restanten van een aulos, een Grieks blaasinstrument uit ongeveer vierhonderd voor Christus. Eronder ligt eenzelfde instrument, zoals dat er vermoedelijk heeft uitgezien. Verel maakte het zelf na. Het doet denken aan een pvc-buis. Verel zucht. „Er heeft zóveel tijd in gezeten om dat instrument te maken. Dat hertenbot heb ik zelf gevonden en bewerkt. En dan denken bezoekers dat het gewoon een pvc-buisje is.”

Toch weet Verel ook uit een eenvoudige pvc-buis een fatsoenlijke melodie te krijgen. „Als je je lippen stijf houdt, krijg je hoge tonen. Als je je lippen slap houdt, lage tonen. Dat gaat vooral goed met een borrel op.”

Eigenlijk krijgt Verel overal wel geluid uit. Een kist met wijnglazen in verschillende formaten bespeelt hij met een natte vinger. We horen een foutloos Wilhelmus, met klanken die in elkaar overlopen. Ook een zingende zaag krijgt hij aan de praat, met een strijkstok van paardenhaar. En nee, dat was net het énige waar we niet aan mochten komen. Een eenhandsfluitje uit de twaalfde of dertiende eeuw neemt hij in de ene hand, in de andere een trommeltje. Hij heeft er zichtbaar plezier in zijn eigen muziekcorps te vormen. En dan weer zijn rol van conservator op zich te nemen. „Enfin, je rommelt maar wat aan.”

De historische ontwikkeling van instrumenten wordt zichtbaar op de afdeling klavierinstrumenten. „Het virginaal heeft vier octaven; daarmee kun je Bach spelen”, legt Verel uit. Steeds meer stukjes werden aan het klavier toegevoegd, waardoor componisten meer mogelijkheden kregen. Rond 1780 heeft een klavierinstrument meestal vijf octaven – geschikt voor Mozart – en na 1800 zes. Voor Schubert.

Rieteke en Dick Verel hebben een goede reputatie in de omgeving. Vrijgezellen vieren er hun vrijgezellenfeest, kinderen hun kinderfeest. In de omgeving kent iedereen ze, ’die leuke mensen van het Muziekinstrumentenmuseum’. In 2005 wonnen ze de Cultuurprijs, die de gemeente Tynaarlo driejaarlijks toekent aan een cultureel initiatief.

Verel blijft er nuchter onder. Dit is waarvan hij droomde: „De hele dag met mijn instrumenten in de weer. Je wordt er niet rijk van. Zelfs steeds een klein beetje armer. Maar dit vinden de mensen leuk.” Ook als dat betekent dat ze een dag later moeten terugkeren om de rest van de landgoederengordel te bewandelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden