Discussie over postmodernisme van Lyotard

Er is weinig eruditie vereist om op te merken dat de filosofie vandaag de dag wordt beheerst door een trend die wordt aangeduid met de beladen term 'postmodernisme'. Wat niet direct in het oog springt is een veel invloedrijkere mode in de filosofie: namelijk de gewoonte om alles wat na één lezing niet direct duidelijk is, vaag te noemen en daarmee post-modern.

Het meest recente voorbeeld van dit hardnekkige trekje van de hedendaagse wijsgeer treffen we aan in de kritiek van de Leidse filosoof Paul Cliteur (Trouw, 7 mei) op de filosofie van de onlangs overleden Jean-François Lyotard (1924-1998). Cliteur hekelt Lyotards obscure schrijfgedrag, “iets dat indruist tegen de ethiek van een filosoof. De wijsgeer moet zijn inzichten op het marktplein met iedereen kunnen bediscussiëren, zoals Socrates deed in Athene.” Een filosoof moet duidelijk zijn en waar dat niet lukt moet hem gebrek aan logica worden verweten. Dat is zo'n beetje de toon van de laatste mode.

In een democratie is dit ook niet ongepast. Niemand mag immers worden uitgesloten van de discussie, want wat is de waarde van een universele filosofie, die slechts op een select publiek van toepassing is? Niet op het marktplein maar in de kroeg vindt daarom maandelijks in café Hofman te Utrecht een filosofisch debat plaats. Het publiek is vrij zich hierin te mengen. Ditmaal gaat dat debat over de van postmodernisme betichte filosoof Lyotard. Erno Eskens, eindredacteur van Filosofie Magazine, zit aan tafel met christelijk filosoof Sander Griffioen van de Vrije Universiteit en humanist Harry Kunneman van de Universiteit voor Humanistiek.

Lyotard zelf wordt vertegenwoordigd door een videoband met een interview dat Eskens een jaar geleden met hem had. Vermoeid legt de dan al ernstig zieke Fransman uit hoe aan zijn filosofie ten onrechte de naam postmodernisme is gegeven. “Die term postmodernisme, dat is niet mijn term. Ik heb die term zelfs nooit in de mond genomen. Ik heb het over postmoderniteit. Dat is iets heel anders. Postmodernisme klinkt als een beweging, een school. En dat is niet iets waar ik naar streef. De postmoderniteit is een toestand, un état des choses.”

De toestand die Lyotard voor ogen heeft, wordt gekenmerkt door het steeds ongeloofwaardiger worden van de grote verhalen van vooruitgang en emancipatie. Niet alleen het marxisme, maar elk sluitend verhaal dat de weg naar de waarheid biedt lijkt in opspraak geraakt. Het onrecht van de twintigste eeuw heeft dit vooruitgangsdenken ernstig in diskrediet gebracht. Behalve de constatering van dit ongeloof, biedt Lyotard een analyse van het gevaar van het grote verhaal.

Kunneman benadrukt het belang van deze analyse: “De grote verhalen doen met behulp van hun grondbegrippen alsof alles dat wezenlijk van belang is ook gezegd kan worden. Deze pretentie is gewelddadig. Lyotard laat zien dat wat in een menselijk leven van belang is vaak helemaal niet in taal te vatten is.”

Maar er zijn ook goede grote verhalen, meent Griffioen. Dat niet alles in taal is te vatten betekent niet dat we een poging om dit te bereiken moeten opgeven. Lyotards kritiek op de grote verhalen heeft met name betrekking op de beperkingen van het marxisme. Daar buiten heeft het maar weinig aanrakingspunten.

“Maar”, corrigeert Kunneman, “het gaat niet over een bepaald genre, over christendom of marxisme, maar om taal. Het onrecht schuilt in een te sterk geloof in de taal, het logocentrisme.” In de zogenaamde zinnenfilosofie die Lyotard in zijn hoofdwerk Le différend (1983) uiteenzet, wordt duidelijk welk onrecht hier wordt bedoeld. Taal is een continue aaneenkoppeling van zinnen. Elke zin is hoe dan ook een antwoord op de vorige zin en veronderstelt tegelijk weer een toekomstige zin. Hoe weloverwogen de volgende zin ook is gekozen, er is met evenveel recht een andere zin mogelijk. Deze zin wordt echter met vele andere mogelijke zinnen uitgesloten. Dit is wat Lyotard het onrecht van de taal noemt. Er kan er maar één de eerste zijn. Om dit onrecht zoveel mogelijk tegen te gaan, doen we er volgens Lyotard dan ook goed aan om niet van te voren al een richting te kiezen, maar om stap voor stap, zin voor zin, de wereld op ons af te laten komen. Te handelen uit volstrekte ontvankelijkheid.

Deze opgave vraagt om 'een ondraagbare verantwoordelijkheid' volgens Griffioen. “In deze visie is geen afwenteling van verantwoordelijkheid mogelijk, je bent absoluut verantwoordelijk.” Bovendien kan een mens zo niet leven. Er is altijd behoefte aan een zekere ordening. “Totale ordeloosheid is onleefbaar.”

Zo gelezen lijkt het onhoudbaar zwaar, geeft Kunneman toe. Niemand kan leven zonder maar een moment vooruit te kijken. “Maar het gaat niet om absolute verantwoordelijkheid. Wat je moet proberen, is openstaan voor het gebeuren.” Als we dit niet doen dan vergeten we, zoals Lyotard zegt, het kind in ons. Dit is het deel van de mens dat zich maar niet kan aanpassen aan alle generalisaties. Dat deel dat altijd blijft wringen. “Als wij voorbestemd waren voor een humanistische opvoeding hoe kan het dan dat het zoveel moeite kost om ons te voegen naar instituties?”

Volgens Kunneman houden filosofen als Cliteur geen rekening met deze wezenlijke 'onafgestemdheid'. En dat druist in tegen de ethiek van de filosoof. De wijsgeer moet zijn inzichten op het marktplein met iedereen kunnen bediscussiëren, dus ook met de kinderen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden