Discriminatie en racisme zijn van alle tijden

Op deze plek stond in Uden de islamitische basisschool Bedir die in november 2004, kort na de moord op Theo van Gogh, in brand werd gestoken. (FOTO JÿRGEN CARIS)Beeld Trouw

Het is een onwelkome werkelijkheid die politicoloog Rob Witte beschrijft in zijn nieuwe boek. Racistisch geweld komt niet alleen in het buitenland structureel voor, maar ook in Nederland. Ook al wordt dat doorgaans ontkend.

’Nederlanders hebben het niet in zich te discrimineren. Wij zijn al eeuwenlang een gastvrij volk.’ Een citaat uit de speech die Rita Verdonk hield bij de oprichting van ’Trots op Nederland’ op 3 april 2007. Het vat in een paar woorden de mythe samen die Rob Witte doorprikt in zijn nieuwe boek.

Die mythe wil dat discriminatie in Nederland nauwelijks voorkomt en racistisch geweld al helemaal niet. Uit het onderzoek van Witte blijkt iets heel anders: discriminatie, racisme en ook racistisch geweld waren de afgelopen zestig jaar beslist geen uitzondering in Nederland. Maar de overheid, de landelijke en de lokale, wekte in haar reacties wel steevast de tegenovergestelde indruk.

Als het racistische karakter van geweldsdaden al erkend werd, dan werd in één adem meestal ook benadrukt dat het om een geïsoleerd incident ging. Als georganiseerd extreemrechts betrokken was of leek bij racistisch geweld kreeg dat vaak nog wel aandacht. Maar ’alledaags’ racistisch geweld, van het ene individu tegen het andere of van buurtbewoners tegen een gezin van buitenlandse komaf, werd meestal niet benoemd als wat het was, schrijft Witte.

De precieze omvang van het racistische geweld in Nederland is moeilijk vast te stellen. Lang was er geen sprake van een systematische registratie. Die bestaat pas sinds 1997, toen de Anne Frank Stichting en de Universiteit van Leiden begonnen met de publicatie van hun jaarlijkse ’Monitor Racisme en Extremisme’. Maar ook de registratie van racistisch geweld door de monitor is niet compleet. Politiekorpsen houden de incidenten die zich voordoen niet altijd even nauwkeurig bij en hanteren ook niet altijd dezelfde criteria.

In de zestig jaar die aan bod komen in Witte’s boek hebben zich verschuivingen voorgedaan in aard en ernst van het geweld. In de jaren vijftig en zestig ging het vaak om vechtpartijen tussen groepen autochtonen en repatrianten uit het voormalig Nederlands-Indië of gastarbeiders.

Verder waren er ook zo kort na de Tweede Wereldoorlog geregeld antisemitische incidenten: bekladdingen van joodse begraafplaatsen en gebouwen en bedreigingen tegen personen. Tegen die achtergrond geeft het door Witte geciteerde PVV-Kamerlid Fleur Agema blijk van een groot gebrek aan historische kennis met haar politiek gekleurde opvatting over antisemitisme als on-Nederlands fenomeen. „Antisemitisme en homofobie zijn geen Nederlandse verschijnselen. Ze zijn geïmporteerd, voor een bedroevend groot deel uit Marokko.”

In de jaren zeventig kenmerkte het racistische geweld zich door een paar grootschalige rellen die verscheidene dagen duurden: in de Rotterdamse Afrikaanderwijk in 1972 en in Schiedam in 1976. Beide keren ging het in eerste instantie om geweld tegen buitenlandse huiseigenaren en bewoners dat zich later ook tegen de politie keerde. In de tweede helft van het decennium kwam het geweld vooral van Molukse jongeren. Hun terroristische acties vergrootten de spanningen tussen Molukse Nederlanders en autochtonen.

In reactie op het extreme geweld dat de Molukse acties kenmerkte begon de Nederlandse overheid met de ontwikkeling van een minderhedenbeleid.

In de jaren tachtig was er een aantal racistische moorden. Op 20 augustus 1983 werd Kerwin Duijnmeijer in Amsterdam neergestoken door een extreemrechtse skinhead. Op 27 september 1986 overkwam Michaël Poyé in Hilversum hetzelfde. De daders werden in beide gevallen veroordeeld. Daags na de moord op Poyé werd – ook in Hilversum – een Marokkaanse jongen doodgeschoten voor de deur van een coffeeshop waar vooral allochtonen kwamen en die voor veel overlast zorgde. Er vielen veel meer doden bij incidenten waarbij racistische motieven misschien een rol speelden. Op 5 april 1983 schoot een Turkse man wild om zich heen in het Delftse café het Koetsiertje. Zes mensen kwamen om het leven. De dader zou kort voor de schietpartij uitgescholden zijn voor ’kankerturk’. In de jaren tachtig deed ook het racistische geweld tegen asielzoekers zijn intrede. De aandacht voor extreemrechts nam in deze periode sterk toe.

In het laatste decennium van de vorige eeuw zette die trend door. Asielzoekers(centra) waren vaak doelwit van geweld. Mishandelingen van asielzoekers door groepjes autochtone jongeren kwamen geregeld voor. Ook moskeeën waren vaak het mikpunt van brandstichting en vernielingen. Aan het eind van het decennium nam het geweld tegen personen toe.

In 1993 kwam de ’Richtlijn Discriminatie’ tot stand die politie en justitie nieuwe handvaten gaf om discriminatie en racisme aan te pakken. Dat gebeurde bijvoorbeeld in het proces dat leidde tot de ontbinding van de extreemrechtse CP’86; en in het proces waarin de leider van de Centrum-Democraten Hans Janmaat werd veroordeeld, overigens voor uitspraken waar nu niemand meer van wakker zou liggen.

In de eerste twee jaar van het nieuwe millennium daalde het aantal gewelddadige incidenten. Na de aanslagen van 9/11 in 2001 was er een piek te zien in geweld tegen moslims en hun instellingen. De moord op Pim Fortuyn op 6 mei 2002 leidde tot een groot aantal bedreigingen tegen vertegenwoordigers van wat werd gezien als de gevestigde orde. Na de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004 keerde het geweld zich weer tegen moslims en hun instellingen (moskeebrand in Helden, brandbom tegen islamitische school in Uden). De laatste jaren is er daarnaast ook weer vaker sprake van antisemitisch geweld. En van geweld tussen etnische groepen, zie bijvoorbeeld Culemborg. Eind 2008 waren er volgens de ’Monitor Racisme & Extremisme’ vierhonderd georganiseerde neonazi’s, een vertienvoudiging in vier jaar tijd.

Witte hanteert een ruime definitie van geweld. Ook de dreiging met fysiek geweld valt daar binnen. Hij constateert dat het opinieklimaat in Nederland door de sterke polarisatie van het integratiedebat drastisch veranderd is. „De gedachte dat racistische of haatzaaiende uitspraken op zichzelf óók al een onacceptabele vorm van geweld zijn – ook zónder dat men expliciet tot fysiek geweld oproept – lijkt nauwelijks draagvlak te hebben. Terwijl die gedachte wel de basis vormde voor het strafbaar stellen van racisme, discriminatie en haat zaaien.”

De agressieve toon in het debat over immigratie en integratie en islam-bashing zoals bijvoorbeeld Geert Wilders die bedrijft, zorgen voor een klimaat waarin geweld tegen moslims gedijt. In het proces tegen Wilders draait het precies daar om.

Witte's vlot geschreven en lezenswaardige boek is een welkome bijdrage aan het debat. Het rekent op een geloofwaardige wijze af met een wat al te positief zelfbeeld van veel Nederlanders. Nederlanders discrimineren net zo als mensen van andere nationaliteiten dat doen. En ze maken zich ook schuldig aan racistisch geweld. Hoe graag overheden in hun reacties op incidenten ook het tegendeel willen doen geloven.

Op deze plek stond in Uden de islamitische basisschool Bedir die in november 2004, kort na de moord op Theo van Gogh, in brand werd gestoken.
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden