Dirigent Pappano zorgt voor snijdende spanningen in 'Il trittico'

Nog 7,9,11,14,16,19,21,24,26 februari.

Dat boek brengt in beeld wat Giacomo Puccini uitdrukkelijk wenste toen hij deze drie zeer uiteenlopende opera's componeerde: ze te presenteren als één geheel. De première in 1918 in New York leverde een daverend succes op; tientallen produkties overal ter wereld volgden direct. Toch werd sindsdien de drieëenheid nogal eens verscheurd.

'Suor Angelica' werd vaak geschrapt; het drama van de non die om de smet van haar ongehuwd moederschap gedwongen was in het klooster te treden, zou 'te katholiek' zijn, en dus niet geschikt voor niet-Italiaans publiek.

Ook omdat liefst 41 vocalisten benodigd zijn, is het een dure grap om 'Il trittico' (zoals de roepnaam luidt) te programmeren. Dat droeg er ook toe bij dat het drieluik nooit de populariteit haalde van 'La bohème', 'Tosca' of 'Madama Butterfly', terwijl juist de miniatuurkunst van Puccini in de drie eenakters zo'n grootse dramatische kracht uitstraalt. Het Brusselse operahuis behoort echter tot het groeiend aantal huizen dat Puccini recht wil doen met een onverdeelde 'Trittico'.

'Puccini in de Muntschouwburg?'. Met deze uitdagende vraag introduceerde intendant Bernard Foccroulle vorig jaar bij de seizoenspresentatie het plan om 'Il trittico' in studie te nemen. Immers, ten tijde van het bewind van Gerard Mortier was de naam Puccini taboe. Foccroulle zet met zijn beleid een misverstand recht, namelijk dat Puccini in naturalisme en realisme op platvloerse wijze het sentiment bespeelde.

In 'Il tabarro' (De mantel) zijn de hartstochten inderdaad primair, en is de scène uit het leven gegrepen. Michele, de kapitein-eigenaar van een aak, merkt dat zijn vrouw Giorgetta hem afweert; hij ontdekt dat zij een verhouding heeft met een van zijn knechten, Luigi. Dat broeiende verhaal speelt zich af tegen een achtergrond van zwoegende werklieden, een vertier brengende orgeldraaier, een kwebbelende vriendin van Giorgetta en een vallende avondhemel waarin de geluiden van een grote stad opklinken (autotoeters, trompetsignaal).

Op het toneel flitsen snel genoteerde gesprekken en uitroepen heen en weer; in het orkest legde Puccini de doorgaand oplopende spanning van menselijke relaties. Dirigent Antonio Pappano haalde zondagmiddag tijdens de tweede voorstelling, het maximale effect eruit: geladen klonken de violen in de heftig doorgetrokken lijnen, geweldig de crescendi om de botsing tussen Michele (als gekwetste minnaar nobel, maar ook wit-heet gezongen en geacteerd door bariton Peter Sidholm) en Giorgetta (een royale sopraan, Galina Kalinina) te duiden. En dat draai-orgeltje (instrumenten in het orkest) knerpte niet voor niets zo vals toen Giorgetta en Luigi (tenor Craig Siriani) aan de zwier gingen.

Regisseur Stein Winge en ontwerper Tobias Hoheisel voegden sterke sfeer toe in de wijze waarop de twee mannen en een vrouw om elkaar draaiden in het strakke, realistische decor (een dek, een hoge kade, alles grijs-zwart, met een naar donker-oker kleurende lucht erboven).

Jammer genoeg trok regisseur Winge de rechtstreekse, felle speelstijl (Michele smijt Luigi tegen de scheepswand, wurgt hem in wilde woede) door in de volgende eenakters. Een vergissing, want daar is de sfeer heel anders. Het derde stuk is een komedie, razendsnel en met muzikaal ensemblewerk dat zindert van virtuositeit. De aanleiding: de verdeling van de erfenis; een kibbelende familie haalt er een om zijn slimheid gewantrouwde vriend bij, Gianni Schicchi. Die weet zo'n deel van de erfenis te veroveren, dat zijn dochter Lauretta kan trouwen met Rinuccio, lid van de ruziënde familie. Deze opera werd beroemd om de aria van Lauretta 'O mio babbino caro' (O, mijn liefste vadertje), door Elsbieta Szmytka glanzend gezongen.

Schicchi is een echte buffo-rol; de zanger moet er een buigzame, met ironie en pret gekruide bariton voor hebben. Hoe de gevierde José van Dam zich ook inleefde, hij miste toch die kwaliteit in zijn voor dramatische rollen zo fantastische stem. Hij was niet Schicchi, en het hele gezelschap werd geen komische bende vanwege de nadrukkelijkheid in de regie. Vooral het gesol met de erflater (die leuk gesmoord werd door de joelende familie!) sloeg nergens op. Het zwaar aangezette oranje en blauw in het schematische renaissance-interieur, werkte verdikkend. Pappano zette met het virtuoze operaorkest Puccini's buitelingen wèl in heldere kleuren en ritmische flonkering om.

In het midden stond dus 'Suor (zuster) Angelica'. Na zeven jaar krijgt zij eindelijk bezoek, van haar tante, een prinses. Angelica moet een akte van erfrecht ondertekenen, en krijgt terloops te horen dat haar zoontje dood is. Een tranentrekker van jewelste, maar zo eerlijk, zo teer door Puccini getoonzet, dat je met zo'n werk niet moet spotten. Pappano deed dat zeker niet; spannende stiltes, donkere ondertonen, heftige ontladingen, het was verbluffend om deze partituur zo te ondergaan.

De komedianterige uittekening van de zusters (in wit, streng decor) was te clichématig om je druk over te maken, maar dat Angelica de broze tante (in feite een oude vrouw) tegen de grond smakte, was ver bezijden de dramaturgie van Puccini en zijn librettist. Sonia Theodoridou drukte vooral de felle kant van Angelica uit met haar naar het scherpe neigende sopraan. Indrukwekkend was de mezzo Anne Gjevang als de tante die de opdoffer met voorname minachting van zich afschudde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden