Dirigent Iván Fischer kan zich als componist niet losmaken van andere muziek.

Iván Fischer wordt er bijna verlegen van als hij het over zijn activiteiten als componist heeft. Tijdens het gesprek blijft hij zeggen dat het allemaal heel nieuw voor hem is, dat de afgelopen weken met repetities van zijn werk heel vreemd voor hem zijn geweest - tegelijkertijd opwindend en confronterend - en dat hij zich vooralsnog geen componist wil noemen. Omdat het, hij zegt het weer, allemaal nog zo nieuw en vreemd is. Het is hem als het ware overkomen.

Het publiek kende Fischer tot nog toe als dirigent die bekendheid kreeg met onder meer zijn Mahler- en Bartók-interpretaties. In zijn geboorteland Hongarije richtte hij zijn eigen orkest op, het Budapest Festival Orchestra, waarmee hij internationaal furore oogstte. Maar morgen is Fischer in het Amsterdamse Felix Meritis dus voor het eerst te horen als liederencomponist, naast zijn vijfentwintig jaar jonge landgenoot, vriend en ver familielid Matthias Kadar.

Fischer legt uit: “Matthias en ik zijn geestverwanten. Bovendien was zijn overgrootmoeder de zus van mijn overgrootmoeder. Ik heb hem door die familieband leren kennen. Hij zei drie jaar geleden tegen me dat ik moest gaan componeren, dat er dan deuren voor me open zouden gaan. In het begin had ik heel veel remmingen bij het schrijven van mijn eigen noten. Als uitvoerend musicus is de muziek een wereld die constant in je hoofd ronddraait. Om dat uit te schakelen en vervolgens zelf op een leeg vel muziek te gaan schrijven: dat was zó vreemd.“

Als druk bezet dirigent moet Fischer tijd máken voor zijn nieuwe bezigheid. Hij vertelt dat het na het dirigeren van een concert zo'n drie dagen duurt voordat hij die muziek kwijt is uit zijn hoofd. “Sinds ik zelf ben gaan componeren, begrijp ik het probleem van Gustav Mahler. Mahler was het hele seizoen als operadirigent bezig en kon dan geen noot componeren. Hij moest zich in de zomer totaal afsluiten van de wereld, in zijn componeerhuisje, om die enorme hoeveelheid ideeën los te laten. Maar die stroom komt bij mij op dit moment nog niet zo los: als ik me afsluit van het dirigeren, begint een langzaam proces, waarin ik moet omschakelen naar de vraag wat ik zélf te zeggen heb. Toen dat voor het eerst lukte, voelde het als iets heel belangrijks. Ik had eigenlijk dertig jaar eerder moeten beginnen, maar het is nu gebeurd.“ Fischer grijnst weer als hij zegt: “Het is een heel raar verhaal. Voor mij is het ook verassend.“

Fischer volgde tijdens zijn conservatoriumtijd theoretische vakken als harmonieleer en contrapunt, maar binnen zijn familie werd de nadruk altijd gelegd op de interpretatie van de muziek, niet op het scheppen. De discussies thuis, zo zegt hij, gingen over dirigenten en verschillende uitvoeringen van symfonieën. Toen Fischer als vijfentwintigjarige onverwacht een dirigentenconcours in Londen won, kwamen de uitnodigingen al snel vanuit de hele wereld. Zijn agenda raakte gevuld en het dirigentenberoep zoog hem vervolgens dertig jaar lang op.

Hoe is het om nu eens niet zelf op het podium te staan, maar in de zaal te zitten en naar je eigen muziek te luisteren? Fischer: “Ik heb zoiets nog nooit meegemaakt. Het is totaal anders dan mijn werk als dirigent. Dan ben ik in principe een acteur, dan ben ik Beethoven of Bruckner. Ik identificeer me met de componist en ik ben diens ambassadeur. En nu gaat het ineens over mijn muziek. Mensen luisteren naar mij en praten over wat ze horen: ik voel me ineens heel erg naakt. Het maakt me tegelijk bang en blij.“

Zijn eerste werk was een liederencyclus voor sopraan en klein ensemble - de 'Spinoza-vertalingen' - die morgen zijn première beleeft in het concert van Stichting Het 20ste-eeuwse Lied. “Matthias, het verre familielid, heeft me deze opdracht bezorgd. Hij vertelde me dat een stichting iets met vertalingen wilde doen. Toen ik naar teksten ging zoeken, stuitte ik op de zeventiende-eeuwse Spinoza-vertalingen van Glazemaker, in mooi oud Nederlands. Ik vertaalde die op mijn beurt weer in muziek, als een soort ketting van vertalingen. Daarbij ging ik associatief tewerk. Dat hoort denk ik bij mijn zoeken als componist. De teksten hebben me een heel verschillende muzikale richting in geduwd.“

Wat opvalt is de joods-Duitse oorsprong van de liedteksten in drie van de vier werken. Fischer vertelt over zijn joodse achtergrond en over het verafgoden van de Duitse cultuur door de Hongaarse joden, zelfs nog na de Tweede Wereldoorlog. Een verscheurdheid tussen twee culturen, die je ook in Fischers muziek terugziet als collage. “Ik weet nog niet zo goed met welke componisten ik me verwant voel. In elk geval moet ik tonale muziek schrijven en kan ik geen atonale dingen maken. En ik zoek vaak naar meerstemmigheid. Mijn muziek klinkt soms als barok, soms als een soort Kurt Weill. In 'La Malinconia', (samen met 'Zigeunerlied' een cadeautje voor Het Nationaal Jeugdkoor, waarin mijn dochter Nora morgen meezingt) klinkt een soort madrigaalstijl naast nachtclubjazz: voor mij allebei melancholieke stijlen. In bijna al mijn werken bestaan stijlen naast elkaar. Daaraan hoor je waarschijnlijk dat ik dirigent ben: net zoals Mahler kan ik me niet losmaken van muziek van anderen. Maar dat accepteer ik. Ik ben een componerende dirigent, so what? Die constante combinatie van stijlen, dat ben ík misschien.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden