Directeur Mondriaanfonds: Ambtenaren zijn hun leuke taken kwijt

AMSTERDAM - Met een bijna euforisch gevoel bladerde directeur Melle Daamen pas geleden het eerste jaarverslag van zijn Mondriaanstichting door. Na een periode vol aanloopproblemen gaat het betermet het fonds. Daamen neemt zelfs de recente kritiek van staatssecretaris Nuis met een flinke korrel zout: “Je moet onze macht niet overdrijven”.

Het jaarverslag van het in Amsterdam gevestigde stimuleringsfonds voor musea, beeldende kunst en vormgeving heeft een kaft in de stijl van de naamgever: een gele lijn snijdt het groene vlak bijna doormidden. Alle hoofdstukken hebben felle kleuren in de middenlijn. Ze zijn ontleend aan het kleurschema dat Piet Mondriaan zelf ook gebruikte. Over de vormgeving is duidelijk nagedacht.

Het rapport is uitzonderlijk dik. Volgens Daamen komt dat doordat alle 468 gehonoreerde subsidie-aanvragen er met een kort verhaaltje in staan; van het gerestaureerde draaiorgel in Lochem tot de kunstaankoop in het Maastrichtse Bonnefantenmuseum. Individuele kunstenaars kunnen meestal niet bij de stichting terecht.

De lijvigheid van het boekwerk heeft nòg een oorzaak: in het verslag staat meer informatie dan het ministerie van OCW verlangt. Het fonds heeft alles vermeld waarover anderen wel eens 'stiekem' doen. Als voorbeeld geeft Daamen de vijf gevallen waarin het bestuur het advies van een commissie naast zich neerlegde; onverbloemd blijkt hieruit een verschil van mening.

Openhartigheid

Ongebruikelijk is ook de vermelding welke 264 aanvragers géén subsidie kregen en waarom - van alle cultuurfondsen heeft verder alleen het Stimuleringsfonds culturele omroepprodukties dit in zijn jaarverslag staan. Eén afgewezen kunstenaar heeft laten weten dat hij deze openhartigheid nogal vervelend vindt. “Maar onze redenering is dat we ons willen verantwoorden voor de besteding van publieke middelen - in totaal achttien miljoen gulden. Wie daar een beroep op doet, wordt onderdeel van de publieke discussie. Door bekend te maken welke projecten we níét ondersteunen, zeggen we net zoveel over ons beleid.”

In het verslag staat niets over de bezoekcijfers van de tentoonstellingen en de abonnementenaantallen van de publicaties. Het ministerie zou die wel graag willen weten. Maar er zijn bij de Mondriaanstichting twijfels over de betrouwbaarheid van deze informatie: “Want hoe meet je het aantal bezoekers van een evenement in de open lucht? En hoe kom je erachter of een galerie niet schromelijk overdrijft?”

Daamen moet bekennen dat hij eerst wel moeite had met de eisen van het departement. Tot hij zich realiseerde dat streng toezicht op de besteding van overheidsgeld past bij deze tijd. Het cultuurbeleid voltrekt zich bovendien in golfbewegingen. Eerst was er de roep om politiek op afstand. Mede daardoor zijn de fondsen ontstaan, met als laatste de Mondriaanstichting. “En nu slaat de discussie weer om in het benadrukken van politieke verantwoordelijkheid. Vandaar de controle op onze effectiviteit.”

De directeur zegt zelf ook benieuwd te zijn naar de evaluatie van de cultuurfondsen die Nuis graag wil. Maar hij tekent er bij aan dat deze instellingen afhankelijk zijn van de kwaliteit van de aanvragen. Als die laag is, draaien de fondsen ook minder goed. Bovendien zijn de resultaten nergens mee te vergelijken. Vilein merkt Daamen op dat het ministerie zichzelf ook nooit heeft geëvalueerd toen het zelf nog de incidentele subsidie-aanvragen verdeelde.

Achter de druk van het departement zit volgens hem ook een persoonlijke reden: met de komst van de cultuurfondsen hebben de ambtenaren van het ministerie minder werk gekregen. Minder 'leuk' werk ook, met de bijbehorende openingen van exposities en reisjes naar het buitenland. Logisch dat ze zich met spijt afvragen of ze niet teveel taken hebben afgestoten.

Een voorbeeld daarvan is de Nederlandse presentatie op de huidige Biennale in Venetië. De Mondriaanstichting kreeg de organisatie vorig jaar toebedeeld. In het verleden was dit de taak van de Rijksdienst beeldende kunst en het departement. Zij waren daar allebei graag mee doorgegaan.

Voor het nieuwe fonds was de uitverkiezing een teken dat het vertrouwen groeide. Des te gelukkiger is Daamen dan ook met de enthousiaste persreacties op de Nederlandse presentatie. Overigens liepen de ambtenaren van OCW hun snoepreis naar Venetië niet mis; bij de opening van het Rietveldpaviljoen waren zij in groten getale aanwezig.

Melle Daamen kent hen als betrokken werkers. “Cultuurambtenaren zijn geen saaie pieten die hun tijd vullen met koffiedrinken.” Wel heeft hij gemerkt, dat zij nog altijd liever werken aan projecten “zoals ze vroeger altijd deden”. “Volgens mij hebben ze de omslag naar het denken in grotere lijnen nog niet gemaakt. Ik weet dat er sprake is van een reorganisatie daar. Dat lijkt mij een goed idee. Het is toch geen wet van Meden en Perzen dat de Rijswijkse cultuurdirecties in hun huidige vorm moeten blijven bestaan.”

Behalve kritiek op het ministerie is er ook kritiek op de Mondriaanstichting. Neem de beslissing om geen Nederlandse bijdrage meer te leveren aan de Biennale in het Zuidamerikaanse Sao Paulo vorig jaar. Bij betrokkenen zette die kwaad bloed. In een ingezonden stuk in NRC/Handelsblad hekelde oud-Stedelijk Museum-directeur Wim Beeren de weigering om de traditie voort te zetten. Hij noemde de Mondriaanstichting een quango (quasi autonomous non gouvernmental organisation) met een schrikbarend grote macht. In zijn reactie verdedigde Daamen uitvoerig zijn beslissing, maar op het laatste punt ging hij niet in.

De scepsis over de rol van de fondsen kwam echter terug. In vergaderingen met ambtenaren hoorde Melle Daamen steeds een nieuw woord rondzoemen. Vorige maand stond het opeens zwart op wit in de uitgangspuntennotitie voor het toekomstige cultuurbeleid 'Pantser of ruggegraat': volgens Nuis lopen de fondsen het risico smaakmonopolies te worden. Hij bedoelt hiermee dat zij met hun adviescommissies een te zwaar stempel kunnen drukken op artistieke ontwikkelingen. Daardoor zou er eenzijdigheid ontstaan.

Vergadertijger

De verwachte reactie van de cultuurfondsen bleef uit. Daamen voelt zich desgevraagd ook niet erg aangesproken: “Adviescommissies zijn er al sinds de Raad voor de kunst bestaat. Ik snap niet goed waar de angst nu opeens vandaan komt. Je moet onze macht ook niet overdrijven. Bij de Mondriaanstichting kloppen vaak musea aan die zelf al hebben geselecteerd. Bovendien zijn onze commissies divers samengesteld. Zo hebben we onlangs de kunstenaar Ger van Elck gevraagd. Dat is helemaal geen vergadertijger. Hij vroeg nog: weet je wel zeker dat je mij wilt hebben? Ik ben nogal dwars. Maar zo iemand wilden we er juist graag bij.”

Desondanks doet Nuis de suggestie om opdrachtgevers en burgers meer mee te laten beslissen over de aanschaf van kunst. Daamen vraagt zich af hoe de bewindsman dat voor zich ziet. “Moeten wij een enquête onder buurtbewoners gaan houden? Dat lijkt me meer de taak van een stadsdeelraad of een gemeente. Ik wil de emoties van burgers niet wegwuiven, maar ik houd m'n hart vast: hoe meer er gepraat wordt over kunst, hoe minder ervan komt.”

De Mondriaanstichting bereidt zich voor op een lange discussie over de nieuwe Cultuurnota. Die zal ook wel eens heftig kunnen worden, want het budget is nog niet rond. De fondsen zullen gezamenlijk moeten lobbyen voor hun ondersteuning van de Nederlandse kunst. Zullen ze over tien jaar nog steeds bestaan? “Ik denk het wel. Daarvoor doen we het nu goed genoeg. Volgens mij verlangt de kunstwereld ook niet echt terug naar de oude situatie. Maar kritiek zal er altijd klinken. Nederlanders vinden vaak dat ze recht hebben op subsidie. Bij een afwijzing ontsteken ze in grote toorn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden