Diplomatieke Europeaan

Ambassadeurs zijn voorbijgangers; maar Otto von der Gablentz, de man die Duitsland van 1983 tot 1990 in Den Haag vertegenwoordigde, was een uitzondering. Gisteren overleed hij, 76 jaar oud, in Amsterdam.

Jan Kuijk

Otto von der Gablentz was een geboren Berlijner: op 9 oktober 1930 kwam hij er ter wereld. Nu hij is overleden, zal hij er in stilte naast zijn ouders worden begraven.

Hij diende zijn land 36 jaar als diplomaat in onder meer Londen, Tel Aviv en Moskou en op het hoogste niveau als beleidsmedewerker op het ministerie van buitenlandse zaken en de bondskanselarij. Tijdens zijn zeven Haagse jaren werd hij een warm en toegewijd vriend van Nederland – ’een van ons’. Prins Claus mag bij zijn overlijden geprezen zijn voor zijn rol bij de gezondmaking van de Duits-Nederlandse betrekkingen; hetzelfde kan over het werk van Otto von der Gablentz worden gezegd.

Zo zag het er niet naar uit toen hij in 1983 naar Den Haag kwam. Het waren de nadagen van de Koude Oorlog, al vermoedde niemand dat op dat ogenblik. De Navo, en zeker Nederland, was hopeloos verdeeld over het antwoord dat moest worden gegeven op de dreiging die uitging van de nieuwe SS-20 raketten, die de Sovjet-Unie in Oost-Europa wilde opstellen. De Navo had daarop in 1979 al een antwoord geformuleerd: 572 kruisraketten in het Westen (waarvan 48 op Woensdrecht), net als de Russische raketten uitgerust met atoomkoppen. Tegelijkertijd had de Navo Moskou de vraag voorgelegd of er niet te praten viel over een wat lagere toonzetting; het zogenoemde ’dubbelbesluit’ van de Navo.

Het was diplomatiek spel op hoog niveau, dat de wereld in spanning hield en in Nederland in 1981 een kleine vier miljoen Nederlanders hun handtekening deed plaatsen achter een ’nee’ tegen al die plannen. Twee jaar later lokte het nog eens ruim een half miljoen landgenoten naar het Haagse Malieveld, waar zij onder andere van prinses Irene konden horen dat ook zij tegen was.

Dat was de sfeer waarin Von der Gablentz in Den Haag belandde. Hij was in deze zaak geen onbeschreven blad. Sedert 1978 was hij de naaste medewerker geweest van de socialistische Duitse bondskanselier Helmut Schmidt. Die was de opvolger van Willy Brandt en voortzetter van diens politiek van verzoening en dialoog met Oost-Duitsland. Maar tegelijk zag hij de dreiging die van het hele Oostblok uitging en zo werd hij, de pragmaticus, de architect van dat ’dubbelbesluit’. Von der Gablentz was daarbij Schmidts adviseur.

Toen op 1 oktober 1982 Schmidt als kanselier werd vervangen door de christen-democraat Helmut Kohl was er geen plaats meer voor Von der Gablentz. Weliswaar was hij partijloos, maar zijn samenwerking met Schmidt was zo nauw geweest, dat Kohl hem toch niet in zijn omgeving vertrouwde. De benoeming in Den Haag was beslist geen promotie – het was wel zijn eerste keus toen hij uit Bonn weg moest.

Von der Gablentz had al gauw in de gaten dat Duitsers in de ogen van heel wat Nederlanders nog steeds niet deugden. Toch meed hij het contact met de Nederlanders niet. Integendeel. Hij leerde in korte tijd perfect Nederlands, verdiepte zich grondig in onze toch wat eigenzinnige cultuur en werd met zijn discrete charisma al snel als uitstekend en erudiet debater een graag geziene gast in allerlei gesprekskringen en op de televisie.

Vanaf zijn eerste optreden in Den Haag heeft hij geweten waar bij de Nederlanders de gevoelige punten lagen in de relatie met Duitsland. De wortels daarvoor liggen ongetwijfeld in zijn ouderlijk huis. Zijn vader, Otto Heinrich von der Gablentz, was in de oorlog actief in de Kreisauer Kreis – een Duitse verzetsbeweging die vanuit een duidelijk ethisch-religieuze overtuiging in de Hitlerjaren de beste Duitse tradities probeerde hoog te houden, maar ook nadacht over de toekomst en een federaal Europa.

Die Europese erfenis nam hij van zijn vader over. Hij had rechten en sociologie gestudeerd in Berlijn, Freiburg, Oxford en Harvard. Na dat alles volgde hij ook een postdoctorale studie aan het Europa College in Brugge, toen daar de Nederlander Hendrik Brugmans rector was. Als het zo uitkwam, citeerde hij graag deze leermeester, die Europa niet beperkt wilde zien tot een economisch gebied dat nu eenmaal geadministreerd moest worden. Voor Brugmans – en voor Von der Gablentz – was ’Europa vooral en in de eerste plaats een zeer oude beschaving, die weer kon opbloeien door de schok van de Unie’.

Na zijn pensionering als Duits diplomaat kwam voor hem Europa aan de beurt. Van 1996 tot 2001 was hij rector van het Europa College in Brugge, om daarna nog eens van 2002 tot 2006 op te treden als voorzitter van Europa Nostra – een federatie van 240 organisaties uit veertig Europese landen die zich inzetten voor het behoud van het culturele erfgoed in die landen. Als voorzitter van Europa Nostra bepleitte hij bij de conventie die een Europese grondwet schreef, dat deze zich niet tot de politiek moest beperken, maar dat er ook een ondubbelzinnige verwijzing naar Europa’s culturele dimensie in het stuk moest worden opgenomen.

Achter de vanzelfsprekende beheerste houding die hem in hoge mate kenmerkte, ging een Europese gedrevenheid schuil. Zijn vriend Henk van Os, de oud-directeur van het Rijksmuseum, herinnert zich dat hij hem eigenlijk maar één keer kwaad gezien heeft. Toen was het zeker een uur echt raak. Dat was toen het Nederlandse volk in 2005 bij referendum de Europese grondwet verwierp. Zijn boosheid richtte zich niet zozeer op de Nederlandse kiezers, als wel op de Haagse politici; die verschuilen zich maar al te gretig achter Europa en Brussel als het om onwelgevallige maatregelen gaat. Bovendien accepteren zij vaak stilzwijgend alle voordelen als een vanzelfsprekendheid.

Een Europeaan – maar er was meer. Hij was van ons land gaan houden; en dan niet alleen van die ene Nederlandse vrouw, met wie hij in 1999 trouwde nadat zijn eerste vrouw overleed. Eenmaal met pensioen keerde hij terug naar Nederland, waar hij Amsterdam als woonplaats koos, in 1997 een eredoctoraat in ontvangst nam en zich intensief in de culturele en wetenschappelijke wereld bewoog.

Bij zijn vertrek uit Den Haag in 1990 mocht hij een liber amicorum in zijn koffer meenemen. Ed van Thijn, de toenmalige burgemeester van Amsterdam, noemde hem daarin ’een toffe goser’. Dat is geen diplomatieke taal; wie Amsterdams verstaat, weet dat daarin een hoge waardering verborgen ligt.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden