Digitale vergankelijkheid

Fotografen wissen mindere foto’s meteen van hun digitale camera. Jammer genoeg gaan de verbanden tussen foto’s zo verloren.

De eerste digitale fotocamera kwam in 1990 op de Nederlandse markt. Net als andere nieuwe gebruiksvoorwerpen zoals de mobiele telefoon, de cd-speler en de pc met internetverbinding is de digitale fotocamera inmiddels niet meer weg te denken uit het dagelijks leven. In eerste instantie waren beroepsfotografen huiverig voor de nieuwe techniek, maar na een snelle technologische groeispurt is vrijwel iedereen overtuigd van de kwaliteit van de foto’s. Deze omslag heeft rigoureuze effecten op de recente geschiedenis van de fotografie.

Hans Aarsman, fotograaf en journalist, vindt het een spannende ontwikkeling. „Mensen richten een camera nu veel argelozer – je ziet ze van alles fotograferen waar ze vroeger geen foto in zagen. Volgens een onderzoek van een telefoonprovider gebruiken vrouwen de camera in hun mobiele telefoon bijvoorbeeld vaak om kleren vast te leggen die ze in een winkel zien. Die foto’s sturen ze aan vriendinnen, zodat die kunnen meebeslissen over de keuze voor de mooiste jurk. Ook wordt de camera vaak gebruikt als spiegel, om het achterhoofd te fotograferen, of het haar nog goed zit. Dat is toch prachtig? Ik zie die miljoenen foto’s van jurkjes in winkeletalages al voor me. Historisch gezien erg interessant. Stel je voor dat er zulk soort opnamen waren vanaf het begin van de fotografie.”

Maar juist met de geschiedschrijving gaat het een en ander fout: veel foto’s worden meteen gewist. En als ze al op de computer of op een internetsite worden gezet, kan niemand garanderen dat die sites over tien jaar nog bestaan, laat staan over vijftig of honderd jaar. Ook de software waarmee de foto’s nu worden opgeslagen of de computers zelf kunnen binnen een paar decennia al verouderd zijn.

Voor instituten en musea die zich inzetten voor het beheer en behoud van historisch beeldmateriaal vereist de digitalisering van de fotografie een nieuwe manier van werken. Maar welke? Flip Bool, senior onderzoek en collecties bij het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, vindt dat er te weinig aandacht wordt besteed aan de zorg voor het duurzaam behoud van de digitale foto. „Voor de makers en directe gebruikers van foto’s is het er alleen maar makkelijker op geworden. Maar voor de beheerders niet. We gaan met de geschiedschrijving van de fotografie regelrecht de nieuwe Middeleeuwen tegemoet. Ik hoop dat ik het niet meer mee hoef te maken, de archivering van het digitale fotomateriaal. Tot nu toe hebben we in onze collectie nog geen digital born archive, een archief dat van oorsprong al digitaal is. We digitaliseren onze collectie, zoals bijna alle instellingen, om de beelden toegankelijk te maken. Maar dat is iets heel anders dan een archief van een fotograaf die alleen maar digitaal werkt. Toen fotografen nog analoog werkten, kon je aan de negatieven zien hoe ze te werk gingen, de foto’s die ze maakten tijdens een reportage of als serie stonden immers achter elkaar op film. Dat is de kracht van een collectie als de onze. Nu maken fotografen die selectie meteen, ze wissen de mindere opnamen al tijdens het fotograferen. Terwijl die achteraf juist heel interessant kunnen zijn.”

Ook Aarsman erkent het probleem. „De meeste aandacht van de industrie gaat nu nog naar de kwaliteit van de opname en de beeldbewerking daarna. Maar belangrijker dan de kwaliteit van die ene foto ,zijn de verbanden die tussen foto’s kunnen worden gelegd. Daarvoor moet er worden bewaard en toegankelijk gemaakt. De zoekprogramma’s waarmee je op internet en in archieven kunt zoeken naar foto’s worden steeds beter. Maar ze kunnen alleen uit de voeten met beschreven foto’s, bestanden die door de beheerder een aantal omschrijvingen krijgen; je kunt nu nog niet zoeken naar beeldelementen. Wie stopt daar energie in behalve archieven en persbureaus?”

Professionele fotografen maken zich minder zorgen over archiveringsproblemen. Het eigen archief gaat meestal op een losse harde schijf, die zo nu en dan wordt opgeschoond. Thomas Manneke, autonoom fotograaf, kocht een paar jaar geleden zijn eerste digitale camera. „De donkere kamer was voor sommige beroepsfotografen een garantie dat zij iets deden wat anderen niet konden, maar daar heb ik nooit zo in geloofd. Al die chemische producten zijn vooral erg slecht voor je gezondheid. Bovendien vind ik de techniek van ondergeschikt belang voor een goede foto. Met een mobieltje maak je soms mooiere foto’s dan met een dure professionele camera.”

Toch maakt Manneke nog steeds gebruik van zijn oude apparatuur. „Toen ik voor mijn laatste boek in Odessa was, had ik een camera die vier bij vijf inch-negatieven maakt. Het werken met zo’n camera vergt een ander soort concentratie. Een druk op de knop kost al snel elf euro; dat maakt je kieskeuriger. Die camera is zwaar en log; je werkt vanaf statief en met een lap over je hoofd, dus de omgeving reageert ook anders. De kwaliteit van de negatieven is schitterend, maar helaas was er geen mogelijkheid dat materiaal daar te laten ontwikkelen. Het heen en weer sturen naar Nederland duurde lang; ik wilde dagelijks zien wat ik gedaan had. Toen ben ik meer met mijn digitale camera gaan werken. Dit levert weer heel ander materiaal op. De situatie waarin je werkt, dicteert het materiaal waarmee je werkt.”

Manneke maakte van de digitale en analoge foto’s een boek: hij scande de negatieven van de analoge camera, selecteerde de beelden via zijn beeldscherm, maakte kleine beeldcorrecties (’echt Photoshoppen zie je meteen’), liet de vormgever digitaal een opmaak maken en pas in het allerlaatste stadium kwam het geheel gedrukt op papier. Van sommige opnames laat hij in kleine oplage een afdruk maken. Vroeger ging het maken van een boek via een negatief, een doka waarin werd gezocht naar de juiste belichting en uitsnede, dan op papier met een tastbare lay-out. Het maakproces van een fotoboek was zo achteraf te reconstrueren.

Ook fotoalbums van amateurs, privéboeken, veranderden met de komst van de digitale camera. Het Fotomuseum heeft veel albums van amateurs in de collectie. Bool: „In oude fotoalbums zie je vaak een combinatie van gekochte en zelfgemaakte beelden. Mensen plakten er een prentbriefkaart in, of een toegangskaartje voor een museum. Nu stel je via internet je album samen en laat je het dan pas drukken; de fysieke objecten verdwijnen dus. De consequenties daarvan gaan heel ver: een biografie zoals Anet Bleich recent heeft geschreven, gebaseerd op brieven en notities van Joop den Uyl, wordt wat betreft het heden nagenoeg onmogelijk – wie bewaart er immers al zijn e-mails? Het verbaast me dat niemand zich daar zorgen over lijkt te maken.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden