Digitale Stad kent geen pleinvrees

Een digitale stad, die niet bestaat uit bakstenen, beton en klinkers, maar uit telefoonlijnen en elektronische verbindingen. Kan zo'n stad functioneren? Vorig jaar begon het Amsterdamse politiek-cultureel centrum De Balie in samenwerking met de stichting XS.4.all met een experiment. Iedereen die over een telefoonlijn, een computer en een modem beschikt kan inloggen op de computer van de Digitale Stad en als een digitale geest rondwaren door het digitale stadhuis, het digitale café en het digitale Centraal Station. Marleen Stikker, 'burgemeester' van de Digitale Stad, blikt terug op de successen en de dompers.

Deze week precies een jaar geleden opende de Digitale Stad haar poorten. De gemeenteraadsverkiezingen stonden voor de deur en het nieuwe medium leek bij uitstek geschikt om de kloof tussen burgers en bestuur te dichten. De gemeente Amsterdam besloot, samen met de ministeries van economische zaken en binnenlandse zaken, om het experiment financieel te ondersteunen. Via de Digitale Stad konden Amsterdammers voor het eerst on-line notulen inkijken van raadsvergaderingen, beleidsnota's opvragen of informatie inwinnen op het digitale stadhuis. Maar er waren ook andere dingen te doen. Behalve dat men via het 'Centraal Station' het hele Internet op kon, was er ook een bezoek mogelijk aan een digitaal café, de digitale krantenkiosk, het digitale gebouw voor kunst en cultuur of aan een digitale seksshop met, helemaal achterin, een digitale dark room. “Alle ideeën over de nieuwe informatie-maatschappij, de tele-democratie, het digitale burgerschap, waar in Amerika al zoveel over gesproken werd, kregen door de Digitale Stad ineens een gezicht”, vertelt Marleen Stikker, projectmedewerkster bij de Balie en initiator van de Digitale Stad. Wat haar voor ogen stond was het Amerikaanse Freenet, een vergelijkbare virtuele stad, waar daklozen het via de computer bijvoorbeeld voor elkaar kregen om douches en kleedhokjes voor zich op te eisen bij het gemeentebestuur, zodat ze voortaan fris gewassen en goed gekleed op sollicitatie-gesprekken konden verschijnen.

Dat de belangstelling voor het Amsterdamse experiment zo'n vlucht zou nemen, had Stikker destijds niet echt voorzien. Na de opening was er binnen een week in heel Amsterdam geen modem meer te krijgen. De telefoonlijnen die toegang tot de stad geven waren van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat overbelast. Inmiddels is de toestrooom gestabiliseerd. Het aantal gebruikers ligt op dit moment rond de 4000 per dag. Maandelijks worden zo'n miljoen 'pagina's' geraadpleegd. Met een nieuwe opmaak, waarbij de gebruiker in plaats van de saaie menulijstjes uit de eerste versie nu ook een hoop grafische informatie (foto's, plaatjes, plattegronden) kan oproepen, lijkt de Digitale Stad hard op weg om een echte virtuele gemeenschap te worden.

“In het begin was onze grote angst dat het project alleen zou aanslaan bij het kleine groepje computerhackers en BBS-gebruikers die je altijd tegenkomt bij dit soort initiatieven”, vertelt Stikker. “De zogenaamde early adaptors, meestal jonge jongens die de knoppenangst al jaren geleden overwonnen hebben.” Gelukkig bleek dat niet het geval. Ook 'gewone' mensen schaften een modem aan om on-line te gaan. Toch is Stikker nog niet honderd procent tevreden over de deelname aan de Digitale Stad. “De digitale bevolking is nog lang geen afspiegeling van de echte samenleving.” Vrouwen, bejaarden en allochtonen komen relatief veel te weinig voor. In een nieuwsgroep, speciaal opgezet door en voor vrouwen, waren binnen de kortste keren alleen nog maar mannen te bekennen. Stikker: “Die waren daar met z'n allen aan het discussiëren over vrouwenzaken. Totdat een van hen zei: als ik een vrouw was zou ik dit niet pikken.”

Vrouwen zijn toch al een zeldzaamheid in de virtuele gemeenschap. Stikker: “Geen wonder als je ziet hoe weinig vrouwen zich achter de computer durven te begeven. Dat begint al op school. Als je bij de TU Eindhoven in de computerruimte bent, zitten daar op de vierhonderd gebruikers zo'n twee à drie meisjes. Pas sinds kort zijn onderwerpen als Internet en de digitale snelweg tot bladen als Opzij en de Elle doorgedrongen.”

GEEN MORALISTEN

Bij de vrouwenpraatgroep met alleen nog maar mannen had Stikker geen behoefte om in te grijpen. “Daar zijn we niet voor”, vindt ze. “Wij leveren het platform, de gereedschappen. Wat men verder in de nieuwsgroepen wil doen, daar bemoeien wij ons niet mee.” Ook niet als er dingen worden beweerd waarvoor je in het dagelijkse leven voor de rechter zou kunnen worden gesleept. “Soms zie je best dat dat fout gaat, zoals bij die CD'er die wekenlang door bleef zeuren over buitenlanders. In het echte leven zou dat waarschijnlijk op een knokpartij zijn uitgelopen. In de Digitale Stad kan dat niet. Hier wordt zo'n discussie tot in alle finesses uitgesproken, compleet met verwijzingen en argumentatie.” Het is een hele andere vorm van communiceren, geeft Stikker toe. “Wij zijn geen moralisten. Wij willen dat de Digitale Stad-populatie in zo'n geval haar eigen etiquette ontwikkelt, net als op het Internet. Wij kunnen mensen niet vooraf de toegang tot de Stad ontzeggen. En verder houden wij ons gewoon aan de Nederlandse wet. Neo-fascistische clubjes of kinderporno komen er bij ons niet in.”

Vooral de nieuwsgroepen, waar in principe iedereen aan mee kan doen, hebben soms iets van een vogelvrij discussie-platform, geeft Stikker toe. “Juist omdat het zo'n directe en anonieme vorm van communiceren is. De emoties kunnen daardoor hoog oplopen. Niet iedereen voelt zich daar altijd even prettig bij.” De Digitale Stad is nu bezig met het ontwikkelen van verschillende soorten nieuwsgroepen. Stikker: “We zijn er inmiddels achter dat de ene nieuwsgroep beter functioneert in volledige vrijheid, terwijl de andere beter werkt onder toezicht van een soort discussieleider. Dat heeft te maken met een verschil in stijl, net zoals je in een vergadering een ander soort conversatie voert dan in de kroeg. Wij willen dat soort nuanceverschillen verder doorvoeren, zodat je als digitale stedeling kunt zeggen: ik ga nu eens niet naar het Hardrockcafé, maar naar Americain.”

En hoe zit het met de digitale burgerinspraak, waar het toch allemaal om begonnen was? Aan lokale politiek wordt in de diverse nieuwsgroepen van de Digitale Stad - van 'Amsterdam autovrij' en de uitbreiding van Schiphol tot en met 'wel of geen ROA' en 'stad en criminaliteit' - ruimschoots aandacht besteed, maar de discussies worden voornamelijk gevoerd door burgers onderling. “De politici zelf laten het nog een beetje afweten”, geeft Stikker toe. “Dat is geen onwil, maar eerder een soort drempelvrees.” Volgens Stikker heeft ook dit weer te maken met de vorm waarin de discussies worden gevoerd. “Nieuwsgroepen zijn voor de politiek te anoniem en dus ook vaak te bedreigend.” Andere modellen slaan wel aan. “Bij de 'Vraag en Antwoord-module', (waarbij politici antwoord geven op vragen die burgers stellen, red.) komen ze wel over de brug.” Zoals PvdA-wethouder Guusje ter Horst, die onlangs nog deelnam aan een debat over de vorming van een regionale stadsprovincie en Groenlinks-raadslid Cees Hulsman, die met digitale stedelingen in discussie trad over de regionale werkgelegenheid. Loco-burgermeester Frank de Grave, die destijds met veel aplomb de digitale stadspoorten opende, schijnt sindsdien nooit meer te zijn gesignaleerd in de Digitale Stad, om van burgermeester Patijn nog maar te zwijgen.

Dat de Digitale Stad de kloof zou kunnen dichten tussen burger en politiek is dan ook wat veel gezegd, vindt Stikker: “Het is duidelijk dat het ter beschikking stellen van informatie en databanken nog maar de eerste stap is in dit hele democratiseringsproces. Een werkelijke burgerinspraak via het netwerk (te denken valt aan het houden van digitale referenda, red.), dat is een openbaarheid waar de meeste ambtelijke instellingen nog lang niet aan toe zijn.”

KABELNET

Zoals ook blijkt uit de nogal heikele kwestie rond de verkoop van het Amsterdamse kabelnet KTA. De gemeente zwijgt daarover, ook naar het bestuur van de Digitale Stad toe, in alle talen. “Tot nog toe is dat een erg afgesloten traject”, aldus Stikker. “Er is aan de kant van de gemeente weinig bereidheid om daarover te spreken.” En dat terwijl KTA een cruciale rol speelt bij de verdere ontwikkeling van een lokaal interactief netwerk (omdat de coax-kabel veel meer bandbreedte biedt dan de telefoonlijn is er grote kans dat die deze taak van het telefoonnetwerk zal overnemen).

Stikker: “Voorlopig zitten we gewoon op het telefoonnet. Maar we hopen wel dat er in de toekomst ruimte gereserveerd zal worden op zo'n interactief netwerk voor openbare nutsfuncties zoals wij, en dat niet de hoogste bieder zal bepalen wie er op komt.” Van de vierhonderd miljoen die KTA moet opbrengen, zou nu al geld gereserveerd moeten worden voor de ontwikkeling van zo'n publiek domein, vindt Stikker. “Al die discussies worden wel gevoerd bij de gemeente, maar ik heb het gevoel dat de awareness daarover eigenlijk pas sindskort bestaat. Elke concrete vraag die je stelt, is een vraag te ver.”

Toch is Stikker hoopvol over de toekomst. Het idee van een digitale stad slaat aan. In navolging van Amsterdam heeft inmiddels ook Rotterdam een interactief lokaal netwerk. De regio Utrecht opent deze maand haar digitale poorten, Groningen, Den Haag en Eindhoven volgen binnenkort. In opdracht van het ministerie van economische zaken stelde de Digitale Stad een handboek samen waarin de ervaringen van het afgelopen jaar werden verwerkt. Tijdens een bijeenkomst op het ministerie, begin februari, zal dit boekwerk worden gepresenteerd. Stikker: “Inmiddels zijn we van een experiment uitgegroeid tot een fenomeen. We zijn nu bezig om wat we hebben opgebouwd te consolideren. Te kijken hoe je zo'n systeem in stand kunt houden, zonder te verstarren. Want het moet wel open en dynamisch blijven. In dit stadium is de druk groot om te commercialiseren. Tot op zekere hoogte zullen we dat ook doen, door ruimte te bieden aan adverteerders.” Het Amsterdamse midden- en kleinbedrijf kan binnenkort reclameboodschappen aanbieden via het lokale netwerk, ook al is het voor de meesten nog even de vraag hoe die interactieve advertenties er eigenlijk uit moeten zien. Organisaties en particulieren die een eigen 'kantoor' willen openen in de Digitale Stad betalen 250 gulden per maand.

Dat de Digitale Stad in een behoefte voorziet, is volgens Stikker duidelijk. “Op het moment dat blijkt dat het niet alleen een speeltuin voor computerfreaks is, komen er vanzelf nieuwe partijen bij.” Stikker denkt daarbij aan allerlei on-line diensten zoals bejaarden- en gehandicaptenzorg, doktersdiensten, een databank voor rechtshulp. “Waar het nu om gaat is een soort data-geletterdheid te ontwikkelen bij personen die daar tot nog toe weinig mee te maken hebben gehad. Eigenlijk zou je bij elke vereniging iemand moeten hebben die weet hoe je contact kunt leggen met de Digitale Stad.” Maar ook gewone burgers kunnen de Stad op geheel eigen wijze ontginnen. Stikker: “In onze digitale woonwijk kan iedereen zijn eigen digitale huis bouwen. Van daaruit kun je van alles ondernemen: eigen homevideo's uitzenden, jamsessies organiseren, je privé-museum openen.”

BEDREIGEND

“Veel mensen hebben bij het woord 'nieuwe media' nog steeds een soort 'bom-gedachte'. Die zien het als bedreigend. Dat is een houding die volgens mij weinig zinvol is, omdat we zelf deze technieken uitvinden. Toen ik, nu zo'n twee jaar geleden, voor het eerst met het Internet in aanraking kwam, had ik al snel door dat het niet alleen maar over computers ging, maar dat die techniek een heleboel dingen impliceert. Van passieve consument kan iedereen nu informatie-aanbieder worden. Sociale en politieke processen verlopen ineens binnen heel andere verhoudingen. Op die manier is techniek net zo goed een cultuurverschijnsel.”

Waar het in de Digitale Stad volgens Stikker vooral om draait is het vervullen van menselijke behoeften. “Op het net is iedereen gelijk. Mensen die al jarenlang binnen zitten vanwege pleinvrees vinden elkaar nu op het bulletinboard. Op het net kun je personen aanspreken die je in het echte leven nooit zou tegenkomen. Die behoefte aan communicatie is menselijk. Waar men nog steeds de meeste lol in heeft, dat is het eindeloos ouwehoeren met elkaar.” En daarvoor is de Digitale Stad inderdaad bij uitstek geschikt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden