Dierproef heeft vaak weinig praktisch nut

Dierproeven leveren weinig op voor de medische praktijk, constateert Frans Stafleu. Er moet veel verbeteren om de resultaten vertaalbaar te maken naar patiënten.

Deze krant berichtte op 26 januari over dierproeven waarvoor apen autistisch waren gemaakt. Er was besloten de proeven te doen met apen, omdat onderzoek met ratten te weinig opbracht. De volgende dag schreef de redactie naar aanleiding hiervan dat 'alleen dierproeven waarvan nut en noodzaak onomstotelijk vaststaan' mogen worden gedaan.

Als we het over dit uitgangspunt eens zijn, hebben we een serieus probleem. Want uit onderzoek blijkt dat gegevens uit dierproeven maar heel beperkt van nut zijn voor de kliniek. De discussie gaat dus niet alleen over de 'autistische apen', maar als eerste om de algemenere vraag hoe je naar de patiënt vertaalbare resultaten kunt verkrijgen uit dieronderzoek.

In de praktijk zijn er verschillende manieren om de vertaalbaarheid van dierproeven te verbeteren. Ten eerste moeten de opzet en uitvoering van dierproeven optimaal zijn. Hierbij is het belangrijk om eerst alle beschikbare relevante informatie boven water te krijgen. Dat kan met een bijzondere vorm van literatuurstudie, een zogenaamde systematic review. Zo'n aanpak kost veel tijd en tijd is schaars in een competitief veld als het medisch onderzoek. Daarom gebeurt het te weinig.

Ook in de uitvoering is winst te behalen door bijvoorbeeld 'blind' te werken. 'Blind werken' betekent dat de onderzoeker bij het meten van de verschijnselen niet weet welk dier de behandeling heeft gehad en welk dier, ter controle, de behandeling níet heeft ondergaan. Dit zorgt ervoor dat de verwachtingen van de onderzoeker geen invloed kunnen hebben op de resultaten. Het blijkt dat als je niet blind werkt de resultaten er vaak tientallen procenten naast zitten. Veel dierproeven worden nog niet blind uitgevoerd.

Gestandaardiseerd

De vertaalbaarheid van dierproeven vereist bovendien dat een oplossing wordt gevonden voor het probleem 'dat een proefdier geen patiënt is'. De mensen voor wie het onderzoek wordt gedaan, zijn vaak heel divers: jong en oud, vrouw en man, ze hebben vaak meerdere ziektens en een gevarieerde genetische achtergrond. Die diversiteit zien we bij de proefdieren meestal niet terug: ze zijn vaak jong, van één geslacht, genetisch identiek en gezond. Onderzoekers gebruiken deze 'gestandaardiseerde' dieren bewust. Ze kunnen zo met meer zekerheid vaststellen dat meetresultaten echt het gevolg zijn van de behandeling, en niet van andere verschillen tussen de proefdieren.

Meer gevarieerd

Behandelingen die ontwikkeld zijn in zo'n gestandaardiseerde groep proefdieren, werken vaak niet bij patiënten, waarschijnlijk doordat die zo'n diverse achtergrond hebben. Dit probleem oplossen is niet makkelijk. Wellicht moeten we met meer gevarieerde proefdieren werken, of meer gebruikmaken van wat we weten van de patiënten.

De conclusie is dat er in de voorbereiding, opzet en uitvoering van dierproeven nog veel winst te boeken is voordat we echt voldoen aan het uitgangspunt dat nut en noodzaak onomstotelijk vaststaan. Wetenschappers begrijpen dit zelf heel goed. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) financiert bijvoorbeeld een project waarin de Universiteit van Utrecht en het Radboudumc samen met commerciële partners zoeken naar hoe die winst in de praktijk te behalen is.

Tot slot nog even terug naar de 'autistische apen'. Gezien de vele bovenbeschreven problemen, maak je de vertaalbaarheid naar patiënten dus maar een klein beetje beter door met apen te werken, in plaats van met ratten. Daar is echt wel meer voor nodig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden