Dieren in de tuin vragen vooral om veel natuurlijk afval.

Een échte tuin is een dierentuin, zeggen de liefhebbers van egel-, insect, vogel- en vleermuisrijke stukjes groen in de bebouwde kom. Ze doen er alles aan tussen het asfalt en de klinkers in de openbare ruimte, terreintjes te scheppen die lijken op mini-natuurreservaatjes. Vaak hebben ze allerlei denkbeelden over 'de natuur de stad in brengen', 'milieuvriendelijk tuinieren' en 'ecozones', en die zijn ongetwijfeld oprecht. Maar diep in hun hart vinden ze het gewoon erg leuk om in hun privé-flora ook een heuse fauna te beheren.

Wie 'leven' in de tuin wil, kan eigenlijk beginnen met vooral dingen te laten. Laat het perceeltje 'verrommelen' (niet te vaak het bladafval wegharken, niet te veel schoffelen, laat de 'zwarte aarde' begroeien) en op de bodem zal leven ontstaan, dat weer allerlei vogels en kleine zoogdieren aantrekt.

Raadpleeg vervolgens een van de diverse zadenlijsten (bijvoorbeeld die van de Vereniging voor Veldbiologie KNNV) en bestel zogenaamde vlinder-, hommel- en vogelmengsels met zaden van planten die deze soorten aantrekken. De eerste zomer al is de tuin plotseling drukgezocht.

Maar er kan meer. De truc is de tuin om te toveren in een zo gevarieerd mogelijk landschap. Kies bijvoorbeeld voor zon- en schaduwplekken, en wissel de grondsoorten (en dus de beplanting) af. Een poel (met aan de zuidkant een flauwe oever) in een verloren hoek kan ruimte bieden aan amfibieën als kikkers, padden en salamanders. Om uitdroging te voorkomen, kruipen ze overdag graag onder stenen. Wat maaskeien of een stapel oude dakpannen -ingepast in de omgeving- vormen prima schuilplaatsen.

Een houtwal (sla palen in de grond en leg daartussen het snoeihout) of een heg in plaats van een schutting trekt vogels aan. Dood hout (een mooie oude stronk of stammen waarmee een niveauverschil kan worden gecreëerd) lokt insecten, wormen en slakken, en die weer vogels en egels.

In dat gevarieerde landschap (dat overigens nog steeds tuin heet) kunnen allerlei voorzieningen gemaakt worden die het verblijf van dieren vergemakkelijken. Het vogelhuisje is het meest bekende voorbeeld (denk er wel aan dat elke vogel om zijn eigen ingang vraagt: een mees wil een cirkelingang, een boomkruiper een rechthoekige).

Maar wat te denken van een insectenhotel? Om klein te beginnen: neem een conserveblikje, en vul dit met rietstengels of bamboe. Hang dit op een zonnige plek in tuin of op balkon, en solitaire bijtjes en tal van andere soorten komen er in verschillende seizoenen in nestelen. Ze knagen de zachte merg van de kern weg, leggen hun eitjes en mestelen de gang weer dicht. Eenzelfde voorziening ontstaat door in een blok hout of een stam gaatjes te boren van verschillende diameter (van 2 tm 8 mm).

Wie het nog groter wil aanpakken neemt drie forse planken en drie blokken openhaardhout en maakt daarmee een raamwerk in de vorm van een driehoek. Zet de driekhoek rechtop (op een zonnige plaats) en vul deze met op maat gemaakte stammetjes en takken; laat het materiaal naar boven toe verfijnen. Eindig met stukjes vlinderstruik, braam en framboos, kaardebol en riet. Kies voor houtsoorten met een zachte kern, zoals vlier, of boor zelf gaten in de grotere stammen. Na één seizoen is het hotel bewoond.

Belangstelling voor het leven ín de hotelkamers? Neem dan een bestaand vogelhuisje of maak zelf een houten kubus en boor gaatjes met verschillende diameter in twee zijwanden. Plaats nu transparante slangetjes (aquariumslangejes, maar op maat gezaagde omhulsels van Bic-pennen kunnen ook) in de gaatjes van beide zijden, zodat een doorzichting tunneltje ontstaat. Open na een paar maanden het kastje, en het leven in de tunnels is van alle privacy ontdaan.

Een eenvoudigere behuizing is die voor de oorwurm. Neem een bloempot en wat stro, wikkel touw om het stro, en trek het touwtje door het gaatje van de bloempot. Hang deze op z'n kop aan het touwtje in de haag. De oorwurmen die zich hierin zullen ophouden, pakken in het vervolg de witte vlieg en luizen aan die de haag doorgaans ontsieren.

Een vlinderkast kost slechts één zaterdagmiddag. Pak twee plankjes van 20 bij 40 cm, en een lat van 120 bij 6 cm. Maak hiervan een gesloten kistje, waarvan één paneel verwijderbaar is. Maak hierin gleuven van enkele centimers lang en enkele millimeters breed. Een bijbehorende drinkplaats voor vlinders is nog eenvoudiger. Neem een platte schaal en overspan deze met fijn gaas. Vul de schaal tot net onder het gaas met honing- of suikerwater.

Een rommelige tuin is een uitstekende omgeving voor een egel; hij vindt zelf de dichte struiken, de composthoop en het oude muurtje wel om zich overdag schuil te houden. Maar de mens kan ook een handje helpen. Een egelhuis bestaat uit een kistje van watervast multiplex van ongeveer 30 bij 30 bij 30 cm.

Maak vervolgens een koker van minstens 50 cm lengte (17 bij 17) dat als kattenonvriendelijke ingang moet dienen en zorg aan de achterkant van de kist voor een ventilatiepijpje. Zet het huis op een stille plek, en bedek het met aarde en bladeren, zodat de pijp en de ingang vrijblijven. Voor de inrichting zorgt de egel zelf: hij heeft de hele dag niets anders te doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden