Die zondag werd Noord-Ierse strijd een echte burgeroorlog

amsterdam – Het was zondag 30 januari, 1972. In Bogside, in het Noord-Ierse Derry, verzamelden zich zo’n 15.000 mensen om te protesteren tegen de opsluiting van, voornamelijk katholieke, Ieren in Noord-Ierland. De protestmars was georganiseerd door Ivan Cooper, een Iers parlementslid en een gematigd man, die pleitte voor samenwerking tussen katholieken en protestanten om voor hun rechten te vechten „net als de zwarten in de VS”.

Het radicale provisionele Ierse Republikeinse Leger, Ira, voerde al twee jaar campagne tegen de verdeling van Ierland, maar was nog een relatief kleine organisatie. Dat zou die dag veranderen.

De Britten hadden de demonstratie verboden. Twee dagen tevoren waren twee officieren gedood. Derry was een plek waar de politie zich nog nauwelijks durfde te vertonen. Toen een deel van de demonstranten probeerde wegversperringen te slechten, openden soldaten van het speciaal aangerukte Britse regiment paratroepers het vuur. Dertien mensen werden gedood, een veertiende stierf later aan zijn verwondingen.

Het was niet de bloedigste confrontatie in de burgeroorlog (The Troubles) die meer dan dertig jaar zou duren. In de voorafgaande drie jaren had de strijd al tweehonderd levens gekost. Maar Bloody Sunday bracht een ommekeer. Het was het startsein voor een escalatie in het geweld de komende decennia. Die dag markeerde in feite het einde van de niet-gewelddadige campagne voor burgerrechten. Jonge mannen stonden de volgende dag in de rij bij het Ira om zich aan te melden om tegen de Britten te strijden. In zijn memoires beschreef Gerry Adams, leider van de Sinn Féin, hoe Bloody Sunday een waterscheiding was: „Geld, wapens en rekruten stroomden toe naar het Ira”.

Een officieel onderzoek, het Widgery-tribunaal, pleitte twee maanden later de Britse troepen vrij – al had hun optreden wel ’gegrensd aan roekeloosheid’. De Ierse katholieken noemden dat bedrog. De soldaten hadden tegenover die commissie gelogen. Zij hadden onder meer beweerd dat de demonstranten gewapend waren en als eersten hadden geschoten. Het vergrootte slechts het gevoel van onrecht en strijdlust onder katholieken.

Het aantal dodelijke slachtoffers liep dat jaar op naar 479. De daaropvolgende vijf jaren zou het niet meer onder de tweehonderd per jaar liggen. Nog in 1972 werden de werkzaamheden van de Stormont, het Noord-Ierse parlement, opgeschort en trok Londen alle zeggenschap naar zich toe. Het zou tot dit jaar duren voor de bevoegdheden weer volledig werden hersteld.

De toenmalige premier Edward Heath was zich bewust van de catastrofale gevolgen van die bloedige zondag. De tragische doden op 30 januari hadden de toorn van de katholieke gemeenschap gewekt, de steun voor het Ira aangewakkerd en elk uitzicht op een politieke oplossing de grond in geboord, zo meende hij.

Pas in 1998 – het jaar dat het Goede Vrijdagakkoord een einde maakte aan de strijd – besloot de Britse regering van Tony Blair dat er alsnog een officieel onderzoek moest komen. Het defensie-establishment had zich daar al die jaren tegen verzet. Maar volgens Blair moest het onderzoek deel zijn van het verzoeningsproces. Zijn Ierse gesprekspartners eisten ook zo’n formeel onderzoek. Er moest eens en voor altijd klaarheid komen over de vraag hoe het gebeurd was. En het moest grondig, maar snel gebeuren.

Twaalf jaar, 2500 getuigen en 191 miljoen pond later – waarvan honderd miljoen in de zakken van juristen belandde – kwam Lord Saville gisteren met zijn onverbiddelijke rapport.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden