Die vogel moet en zal een naam hebben

“Het goddelijke scheppen en het benoemen van die schepping door de mens zijn min of meer van dezelfde orde, alleen heeft het eerste het eerst, in den beginne, plaatsgegrepen, en het tweede achteraf, op de achtste en nu nog aldoor voortdurende scheppingsdag.” T. van Deel, dichter en literair criticus, hield de eerste van een reeks literaire kanselredes. Hij sprak over het tweede scheppingsverhaal: “Iemand aan wie de schepping buitengewoon besteed was, was Nescio.”

In de Venetiaanse Gallerie dell'Accademia hangt het mooiste scheppingsschilderij dat ik ken. Het is van Tintoretto, de schilder die als geen ander de kunst verstond om een hevige beweging te suggereren in het stille theater van zijn voorstellingen. We zien God aan het werk op het moment dat Hij de vogels, de vissen en de landdieren schept. In de gedaante van een oude man met baard, zweeft Hij boven de aarde, onder Hem zee en land, tegenover Hem de lucht.

Zijn gestalte is omgeven door een vurige gouden gloed en Zijn hand wijst gebiedend, of beter gezegd: scheppend, vooruit en de indruk ontstaat dat door dit gebaar de schepselen spontaan aan het licht komen. Het wemelt van de vogels in de lucht, ze razen voort, de zee is afgeladen met vissen, die allemaal dezelfde kant op zwemmen en net even boven water komen kijken, en op het land krioelt het van allerhande kruipend, wandelend en springend gedierte.

Alle schepselen zijn ongeveer even groot, en temidden van hen zweeft hun reusachtige Schepper, die hen wel van zich afgestuurd lijkt te hebben.

Het is duidelijk dat Tintoretto een zwijgende God heeft afgebeeld op dit schilderij. (Het gebaar dat hij maakt zal als zegening bedoeld zijn.) Volgens het eerste scheppingsverhaal in de bijbel is Gods scheppen een taaldaad. God hoeft maar te zeggen: er zij licht en er is licht. “En God zeide: Dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo” (Genesis 1:24). Zijn woorden hebben een scheppend vermogen, ze roepen op wat ze zeggen, ze máken een werkelijkheid die voordat de woorden zijn, uitgesproken niet bestond.

Dit goddelijke scheppende spreken domineert in het eerste scheppingsverhaal uit de bijbel, maar speelt geen enkele rol in het tweede scheppingsverhaal. Daarin 'maakt' God hemel en aarde, 'formeert' Hij de mens en 'plant' Hij de hof van Eden. Er komt geen taal aan te pas. Ook de dieren des velds en het gevogelte des hemels worden gemaakt, gelijk een pottenbakker zijn potten vormt uit klei, namelijk 'uit de aardbodem'. Maar in een laat stadium komt dan toch het moment waarop de taal wel degelijk een rol gaat spelen in het verhaal: als de dieren en de vogels worden voorgeleid aan de mens die ze namen mag geven.

Naar mijn idee geeft God op dit cruciale moment Zijn schepping uit handen, en delegeert hij die aan de mens. Het geven van namen is geen sinecure, het betekent dat Adam de gelegenheid krijgt om de wereld om zich heen, de vogels, de dieren, te benoemen - God lijkt zelfs wel enigszins benieuwd naar zijn benamingen.

God zelf mag weliswaar die schepsels gemaakt hebben, er is geen twijfel aan dat Hij ze in het tweede scheppingsverhaal pas werkelijk laat bestaan in hun benoeming - en daarmee toeëigening - door de mens. Ook de vrouw die God na de dieren en de vogels formeert uit een rib van de man, wordt aan Adam voorgeleid en moet een naam krijgen.

Het mooie van het tweede scheppingsverhaal is dat God de mens ertoe aanzet om zich in taal een eigen wereld te scheppen.

Aan het namen geven is sindsdien geen eind meer gekomen, hoe zou het ook kunnen. Het tekent de behoefte van mensen om de werkelijkheid waarin zij leven zoveel mogelijk onder woorden te brengen en zo een zekere beheersing te garanderen van wat overigens nog onbegrijpelijk en gevaarlijk genoeg blijft. Na millennia van naamgeving is de wereld nog allerminst bezworen en dat zal ook nooit het geval zijn, taal blijft een doekje voor het bloeden en de overstelpende werkelijkheid waartegenover we ons geplaatst weten gaat elke benoeming te buiten. Toch blijft het zaak om woorden te zoeken, te vinden en te gebruiken waarmee we ons staande kunnen houden.

De schrijver Willem Brakman heeft over deze kwestie treffend gezegd dat hij schrijft - en schrijven is een verfijnd soort benoemen - “uit angst dat de wereld uit elkaar dondert, onsamenhangend, chaotisch wordt. Daarom is mijn schrijven zinvol en daarom kan ik het ook niet laten, het is een proces om in leven te blijven. Degene die het eerste in aanmerking komt om het te lezen, ben ik zelf en ik wil mezelf er steeds van overtuigen dat het allemaal zin heeft. Ik wil leven vanuit het besef dat het de moeite waard is om op te staan, je schoenen aan te doen, je te scheren, vragen te stellen. Hoewel de werkelijkheid eindeloos en op een onthutsend creatieve wijze ons voortdurend van het tegendeel wil overtuigen.”

In het spraakgebruik wordt vooral van 'scheppen' gesproken als het kunst betreft: de scheppende kunsten. Toch is er wel iets voor te zeggen om aan al die benoemingen die met wetenschap van doen hebben, ik denk aan de naamgevingen van vogels en dieren, een scheppend vermogen toe te kennen. Aangezien ik mij vroeger tot een liefhebber van vogels heb ontwikkeld, heb ik in mijn hoofd tal van vogelnamen en wanneer ik mij in de vrije, of minder vrije, natuur bevind en er vliegt iets op of er zit iets te fluiten op een tak, dan stel ik mij niet tevreden met de gedachte dat dit vermoedelijk wel de een of andere vogel zal zijn, maar wil ik hem benoemen. Die vogel moet en zal een naam hebben. En niet een naam die ik zelf verzin, ik kan van geen vogel de Adam meer zijn, maar ik kan door het gebruik van de naam die ene vogel wel bevrijden uit zijn anonimiteit van zomaar 'een vogel' en hem herkennen, bij voorbeeld als: kleine bonte specht. De naamgeving, het simpele feit van de benoeming, schept een kleine bonte specht, die door iemand met geen enkele belangstelling voor vogels mogelijk niet eens opgemerkt zou zijn of hooguit waargenomen als 'een vogeltje' of, erger nog, 'een beestje'. Echt zien, daar heeft het beroemde vogelboekje met die titel gelijk in, écht zien is kennen.

Laat ik eens een lijstje namen noemen die een idee geven van hoe rijk de wereld is: hoornblendesyeniet, gabbro, pegmatiet, schriftgraniet, rode vuursteen, akeriet, ogengneis, helleflint, leptiet, straalsteenschist, trachiet, melafier, bontzandsteen, speriferenzandsteen, taunuskwartsiet, jaspis breksie, lamellaire kwarts. Van de meeste van deze zwerfstenen, want dat zijn het, heb ik wel een specimen op zolder liggen. Ze zijn helemaal uit Scandinavië naar deze streken toe gekomen, in de ijstijd meegevoerd met de gletschers, of ooit met de Maas of de Rijn aangebracht. Je kunt ze vinden in zand- , klei- en leemgroeven, op de hei of in boerenland, overal in de wereld is gesteente; grind in de tuin is gesteente, zand is gesteente. En ook op dit gebied is Adam duchtig in de weer geweest. Er zijn aan onze zwerfstenen benamingen gegeven die zo specifiek plaatsbepaald zijn dat men precies de vaste rots in bij voorbeeld Zweden kan aanwijzen, waarvan een kei afkomstig moet zijn.

Zoiets heet wetenschap, (amateur)geologie, maar zouden naamgevingen, ontdekkingen, inzichten niet ook vormen van schepping kunnen zijn? De schepping wordt in het benoemen van de schepping voortgezet. Marc, de jongen uit het gedichtje van Paul van Ostaijen die 's morgens de dingen groet en die “dag stoel naast de tafel” en “dag brood op de tafel” en “dag lieve vis” zegt, is elke morgen weer bezig met het voor zichzelf bewoonbaar maken van de wereld: door hun namen te noemen, ze te groeten zelfs, is hij in feite medeschepper van de dingen. Ook Rutger Kopland, wandelend met zijn dochtertje, ervoer iets in deze geest:

Ze zegt dat is de wind en ze wijst naar het wuivende gras en van een lichte plek op de weg zegt ze dit is de zon

alsof ze de schepping begon

Het goddelijke scheppen en het benoemen van die schepping door de mens zijn min of meer van dezelfde orde, alleen heeft het eerste het eerst, in den beginne, plaatsgegrepen, en het tweede achteraf, op de achtste en nu nog aldoor voortdurende scheppingsdag. Maar natuurlijk is er wel een verschil tussen de menselijke en de goddelijke scheppingsdaad.

Het is opvallend hoe dikwijls in getuigenissen van kunstenaars een onderscheid wordt gemaakt tussen de onbewuste, eventueel goddelijke kant van het creatief proces en het bewuste, de menselijk-berekenende kant ervan. Blijkbaar werken in het scheppen van kunst verschillende krachten mee: enerzijds onuitsprekelijke of althans moeilijk te traceren krachten en anderzijds elementen van meer begrijpelijke aard. We hebben het in de dagen zo vlak na de dood van Ida Gerhardt dikwijls geciteerd gezien:

Dat wat een vers tot vers maakt ís niet van sterfelijke oorsprong.

Hybris is Ida Gerhardt volkomen vreemd, voor haar is het ere Wie ere toekomt inzake het scheppingsproces, en daarin staat zij niet alleen. Woorden als 'inspiratie', 'influistering', of een uitdrukking als 'de geest krijgen' wijzen op een nooit ten volle verklaarbare gang van zaken. Al helemaal in de literatuur die, net als God in het eerste scheppingsverhaal, een wereld in het leven roept uitsluitend door te zeggen dat die er is, waar het maken puur een kwestie van het woord is, is het idee van een meewerkende Schepper of hoe de instantie die inspireert dan ook genoemd wordt, niet veraf. Zelfs S. Vestdijk, een notoire godloochenaar, heeft in zijn gedichten de werking van een dergelijke instantie bij het totstandkomen van kunst niet ontkend.

In een mooi, maar lastig gedicht uit zijn bundel Fabels met kleurkrijt, beschrijft hij hoe een oude eik, overduidelijk symbool voor een dichter van Vestdijks type, tot ruisen wordt gebracht door de wind, die áánvaart in zijn 'veelstemmig koninkrijk', zijn bladerkroon. Zijn blad brengt geruis voort, 'preev'len' noemt Vestdijk het, wat wil zeggen dat er nog geen zin en betekenis uit kan worden afgeleid, het is een soort pre-verbaal gemompel. Maar de wind die woordeloos aankomt en tot prevelen gebracht wordt door de eikenblaadjes, moet een interpretatie ondergaan door “het brein van het orakel” (Vestdijk zinspeelt op een traditie uit de oudheid). Dit is de kritisch-interpretatieve kant van de dichter die wordt aangeblazen of geïnspireerd. En wat er dan als orakelspreuk uitkomt, het gedicht, is noodzakelijkerwijs niet dat wat woordeloos gepreveld werd, maar een zoveel mogelijk binnen het domein van het verbale getrokken spreuk, zij het dat het “nimmer helder (is) wat ik zong”, volgens de eik zelf. Hij schept, maar er wordt ook iets in hem geschapen, waar hij zelf dan weer mee aan het werk gaat. “Ik denk dat het een god is / viool spelend op mijn strot” dichtte Lucebert.

Er is ook wel beweerd dat het scheppende karakter ingebouwd zit in de taal, dat er zoiets als een zelfwerkzaamheid van de taal zou bestaan en dat zeker dichters, die in minder conventionele en meer explorerende zin van de taal gebruik maken, die scheppende kracht van de taal zouden activeren. Tenslotte is God in het eerste scheppingsverhaal zozeer de taal die Hij spreekt, dat Johannes met recht en reden kon schrijven: “In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.”

Uit het feit dat Adam de dieren en de vogels namen gaf, mag ook worden afgeleid dat hij daarmee meester over ze is. Met het benoemen is ook de beheersing van de schepping aan de orde. Die functie vervult de taal nog altijd en taalkunstwerken kunnen worden opgevat als uitermate fijn bewerktuigde middelen om beslag te leggen op de wereld, om die te begrijpen en te doorzien. De schepping wordt in de herschepping van het gedicht of de roman van een betekenis voorzien, benoemd. De schepping wordt in een kunstwerk niet alleen weergegeven, maar naar het oordeel van veel kunstenaars wordt de schepping in het kunstwerk ook herschapen of krijgt zij - schepping is vrouwelijk - in het kunstwerk haar ideale vorm.

Het komt er op neer dat de wereld zich laat kennen dóór of met behulp van het kunstwerk, dat een eigen wereld in woorden is. Zoals Brakmans werk niet alleen hemzelf overtuigt van de zin van het leven, maar ook zijn lezers. Elke roman is een poging om greep te krijgen op de wereld en daarom misschien wel altijd en in laatste instantie te beschouwen als een hommage aan het leven, zelfs als het tegendeel eruit zou blijken.

Het wordt nu hoog tijd om een paar voorbeelden te geven van de manier waarop schrijvers de vogels en de dieren en alles wat de schepping verder nog te bieden heeft, benoemen. Een persoon, die de lezer niet hoeft te kennen, wordt in het volgende gedichtje door Jan Hanlo zonder enige twijfel herschapen. Het heet 'ik noem je bloemen etc.':

ik noem je: bloemen ik noem je: merel in de vroegte ik noem je: mooi

ik noem je: narcissen in de nacht waaroverheen de wind strijkt naar mij toe

ik noem je: bloemen in de nacht

Dit is in feite een scheppingsgedicht, vijf keer achtereen geeft de 'ik' bewoordingen voor de 'je', die tezamen een indruk geven van hoe 'ik' over 'je' denkt.

Iemand aan wie de schepping buitengewoon besteed was, was Nescio. Iedereen kent zijn mooie natuurbeschrijvingen in De uitvreter of in Insula Dei, verhalen die bovendien getuigen van een religieus getinte, mystieke beleving van de natuur. “Het Goddelijke is...bijna niets,” heeft Nescio eens geschreven en daar begreep men weinig van. In 1947 schreef hij een 'Explicatie': “Men heeft mij lastig gevallen over die woorden: Het Goddelijke is... bijna niets. Die men begreep dat niet. Ik heb tegen dien men gezegd: Er is nog nergens wat (dat was maar bij wijze van spreken) maar er zijn kleine knopjes aan de seringstruiken. Gaat U daar eens aandachtig naar staan kijken, misschien begrijpt U 't dan.”

Nu er sinds kort een uitgave bestaat van Nescio's Natuurdagboek, - een niet literair bedoeld maar daar toch naar neigend dagboek waarin hij de vele tochten bijhield die hij door het land maakte - nu kunnen wij vijfhonderd bladzijden lang natuurwaarnemingen en natuursensaties lezen van ongekende precisie. Nescio was zich er sterk van bewust dat hij het vluchtige en momentane vastlegde, lichtval, atmosfeer, maar ook het landschap zoals hij dat op zo'n moment onderging. Soms is hij zo getroffen door wat hij ziet, dat hij zich buiten tijd en plaats voelt raken en buiten de taal die daarbij hoort. Zijn gevoel van eeuwigheid drukt hij dan als volgt uit: “Uitgaande was het weitje van Betlem met de slootjes, de wilgen en enkele koeien een tijd- en plaatsloos en naamloos tafereeltje, de volmaakte wilgen, slootjes en koeien in de volmaakte wei.”

Leo Vromans werk is, evenals dat van Nescio, een lofzang op de schepping. Daartoe rekent hij alles wat bestaat, van de grootste kosmische tot de kleinste microkosmische verschijnselen toe. Vroman is in onze literatuur waarschijnlijk de benoemer met de grootste reikwijdte en met de meest volledige overgave. Hij accepteert de schepping, zou men kunnen zeggen, zoals zij is, in al haar facetten. Hij gaat daarin heel ver, hij vertelt verrukt over het reilen en zeilen der witte en rode bloedlichaampjes, hij zoemt met liefde in op de peristaltische bewegingen van zijn Tineke, voor Vroman is alles liefde, ook de dood, als je maar minutieus kijkt naar hoe de stoffelijke resten zich gedragen in het proces van vergaan. Hij heeft een natuurwetenschappelijke visie op het bestaande en dat leidde een paar jaar geleden tot een aantal indrukwekkende 'Psalmen', gericht tot een god die hij 'Systeem' noemt. Systeem is zoiets als de innerlijke ordening van alles wat bestaat en voorvalt - in vroeger tijd zou Systeem vermoedelijk Natuur met een hoofdletter zijn genoemd. Vroman gelooft, daarin gesterkt door zijn ervaringen als bioloog en bloedonderzoeker, in “een Systeem dat onmenselijk groot is en dat ons menselijk heelal, en elk ander heelal, waarin ieder en alles een onbegrijpelijk mooie plaats inneemt, bestuurt.”

Systeem! Lijf dat op niets gelijkt, Aard van ons hier en nu, ik voel mij diep door U bereikt en als daardoor mijn tijd verstrijkt ben ik nog meer van U.

De mooiste dankbrief aan God over de ervaringen met Zijn schepping opgedaan, heeft de Poolse dichter Zbigniew Herbert geschreven. Hij lijkt mij de ideale afsluiting van deze overpeinzing over het benoemen van de schepping zoals dat voortdurend in de literatuur plaatsvindt.

Gebed van meneer Cogito - de reiziger

Heer

ik dank U dat U de wereld mooi en heel verscheiden hebt geschapen

en ook dat ik dank zij Uw onuitputtelijke goedheid heb kunnen verblijven op plaatsen die niet de plaatsen van mijn dagelijkse ellende waren

en

- dat ik 's nachts in Tarquinia op het plein bij de put lag en het wiegende brons van de toren Uw toorn of vergeving verkondigde

en een kleine ezel op het eiland Kerkyra uit zijn onbevattelijke balgen van longen de melancholie van het landschap voor me zong

en ik de lelijke stad Manchester goede en wijze mensen vond

de natuur herhaalde haar wijze tautologieën: het bos was bos de zee zee de rots rots

de sterren draaiden en het was zoals het moest zijn - Iovis omnia plena

- vergeef me dat ik alleen aan mezelf dacht terwijl het leven van anderen wreed onafwendbaar om me draaide als de grote sterreklok van de Sint-Pieter in Beauvais

dat ik in doolhoven en grotten lui verstrooid te voorzichtig was

vergeef me ook dat ik niet als lord Byron voor het geluk van verslagen volkeren streed en alleen het opkomen van de maan en de musea bekeek

- ik dank U dat de werken geschapen om U te eren mij een deeltje van hun geheim openbaarden en dat ik in mijn grote arrogantie dacht dat Duccio Van Eyck Bellini ook voor mij schilderden

en dat ook de Acropolis die ik nooit volledig heb begrepen zijn verminkte lichaam geduldig voor mij opende

- ik vraag u de grijze oude man te belonen die me ongevraagd fruit bracht uit zijn tuin op het zonverschroeide eiland waar de zoon van Laërtes werd geboren

en ook Miss Helen van de mistige landtong Mull op de Hebriden omdat ze me op z'n Grieks ontving en me verzocht 's nachts in het raam dat uitkeek op Holy Ion een brandende lamp te laten staan zodat de lichten van de aarde elkaar groetten

en ook al diegenen die me de weg wezen en zeiden kato kyrie kato

en dat U de moeder van Spoleto beschermt Spiridion van Paxos de goede student uit Berlijn die me uit de narigheid hielp en later bij onze onverwachte ontmoeting in Arizona naar de Grand Canyon bracht - honderduizend kathedralen met het hoofd omlaag gericht

- maak o Heer dat ik niet aan mijn banale domme waterogige

vervolgers moet denken wanneer de zon in de waarachtig onbeschrijflijke Ionische zee daalt

dat ik andere mensen andere talen ander lijden begrijp

en voor alles dat ik ootmoedig blijf dat wil zeggen hij die naar de bron verlangt

ik dank U Heer dat U de wereld mooi en verscheiden hebt geschapen

en als dit Uw verleiding is dan ben ik verleid voor altijd en zonder vergeving

Afkomstig uit: Zbigniew Herbert, Rapport uit een belegerde stad en andere gedichten, uit het Pools vertaald door Gerard Rasch.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden