Die roman is nooit verschenen

Aanvankelijk durfde Jan Brokken, destijds woonachtig op Curaçao, niet bij Tip Marugg op bezoek te gaan. Toch liet hij zich op een dag overhalen. Nu, bij de verschijning van diens verzameld werk, blikt hij terug. „Ik had me Tip anders voorgesteld.”

Die honden. Als ik nou iemand niet wilde ontmoeten, dan was het Tip Marugg. Vanwege die honden. Ik was, ik ben als de dood voor honden. Hij had er vier. Woeste honden. Een journaliste van de Amigoe leidde me tijdens mijn eerste bezoek aan Curaçao rond over het eiland. We kwamen bij het huis van Marugg. Een hond vloog tegen het hek op. Dol. Driest. Zag ik het goed? Had hij het schuim op de bek staan? Of beeldde ik me dat in?

Nooit begrepen waarom de hond is uitgeroepen tot de mensenvriend bij uitstek. De Curaçaose honden – schurftig, mager, uitgehongerd, ziek, zoals de meeste tropenhonden – kunnen een furie ontketenen. Tip Marugg mocht wat mij betreft de onbenaderbare kluizenaar blijven. Ik kende het interview van Cees Zoon. Waarin Tip vertelt dat een van zijn honden hem dusdanig hard in een vinger had gebeten dat hij er een kromming aan had overgehouden, net achter het geknakte kootje. Een verminkte vinger! Ik rilde toen ik het in de Volkskrant las. Nooit zou ik zijn terrein betreden; ik had mijn vingers lief.

In 1993 vestigde ik me op Curaçao. Ik betrok een houten huisje in het gehucht Lagun, dertig kilometer van de stad, pal aan zee, in the middle of nowhere. De dichtstbijzijnde levensmiddelenwinkel was de Braziliaan aan de weg van Soto naar Barber. De uitdragerij, die zo donker was dat je instinctief naar je aansteker greep, lag hoog en eenzaam op een zandvlakte. Ik waande me daar in Texas of New Mexico. Veel meer dan drank en conserven kon ik bij die Braziliaan niet kopen. Voor vlees, verse groenten en fruit, moest ik naar de stad. Om de twee dagen reed ik over de smalle weg die langs Santa Cruz, Soto, Pannekoek en Sint Willibrordus naar de bewoonde wereld voerde. Ik vrees dat Tip me meer dan eens heeft gehoord. Hij sliep tot halverwege de middag en zal het geluid van een voorbijrazende tank hebben opgevangen. Mijn auto, een Lada, een Mexicaanse Lada, bracht zo’n oorverdovend geratel voort dat ik nooit last had van plotseling overstekende geiten. Zodra ze mij hoorden, vluchtten ze de kunuku in.

De voormalige landerijen van de plantages worden al meer dan een eeuw door cactussen overwoekerd en door geiten bevolkt. En door leguanen, met prehistorische schubben en een ouwemannenkop die ze wijs schudden. In die droge, stoffige, barse omgeving had Tip zich teruggetrokken. Van zijn huis waren de gordijnen de hele dag dicht. Voor zijn huis stond een witte, door de wielen gezakte, Amerikaanse slee uit de jaren vijftig. Soms wilde ik stoppen en een foto maken. Nergens deed de sfeer zo aan een western denken als daar, langs de weg van Soto naar Pannekoek. Maar ik reed altijd hard door, bang voor de honden.

In Lagun begreep ik niettemin waarom Tip zich achter een scherm van geblaf verborg. Tijdens de vier maanden dat ik in het vissersdorp woonde werd er vijf keer bij me ingebroken. De eerste nacht droomde ik dat een man naast mijn bed stond met een mes in zijn hand. Toen ik wakker werd, was het licht aan. Ik draaide me om, ik had een lange reis achter de rug, ik was bekaf. Maar toen ik weer wilde inslapen, bedacht ik dat ik vóór ik in bed was gekropen naar de schakelaar had gezocht en het licht wel degelijk had uitgedaan. De man met het mes had ik niet gedroomd maar gezien. Toen ik uit bed sprong en naar de woonkamer liep, bleek de glazen schuifdeur uit de sponning te zijn getild. In het huis, dat lang niet verhuurd was, bivakkeerde een choller. Een junk, die tot zijn stomme verbazing een blanke man in zijn bed had aangetroffen. Het in paniek getrokken mes had me fataal kunnen worden. Een paar dagen later was de man terug in mijn huis. Sindsdien voorzag hij zich iedere keer wanneer ik naar de stad reed van drank en sigaretten. Toen ik me daarover in het dorp beklaagde, kreeg ik als antwoord: „Nogal wiedes, je hebt geen honden.” Voor Tip, een alleenstaande man, loerde op z’n minst latent gevaar. Veel meer dan twaalf, dertien huizen telde Pannekoek niet en ze stonden op honderden meters van elkaar.

Tijdens mijn eerste ontmoeting met Tip werd ik getroffen door zijn zachte stem, zijn beminnelijke omgangsvormen en zijn Latijns-Amerikaanse hoffelijkheid. De documentairemaker Jan Louter bracht ons samen. Hij was me in Curaçao komen opzoeken, een eiland dat hij kende door de lange radio-interviews die hij met Tip Marugg, Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion had gemaakt. Natuurlijk wilde hij Tip terugzien. Drinken! Praten! „Ga mee”, zei hij. Daar piekerde ik niet over. De volgende namiddag ging hij bij Tip langs om een afspraak te maken en kwam hij terug met de mededeling dat de honden weg waren. Weg ja, voorgoed weg. Dood, de ene na de andere, en toen had hij voor de laatste ook maar een ander baasje gezocht. Een etmaal later ging ik het huis in Pannekoek binnen.

Ik had me Tip anders voorgesteld. Misschien niet verwilderd, maar toch met een stoppelbaard en ongekamde haren. Ik drukte een koele hand, snoof de geur van zeep op. Zijn haren, keurig gekamd, met de scheiding links, waren nat; hij had ongetwijfeld net een douche genomen. Hij droeg een hagelwit overhemd met korte mouwen en een broek die, getuige de scherpe vouw, recent gestoomd was. Het opvallendste vond ik de pen in het borstzakje van zijn overhemd. Later zag ik foto’s van hem die in de jaren veertig waren genomen. Toen al droeg hij de pen onveranderlijk in zijn borstzak. Hij was iemand die constant schrijfgerei bij de hand moest hebben, om een inval, een trefzeker woord waarnaar hij dagen had gezocht of een schunnige, maar o zo plastische uitdrukking in het Papiaments te noteren.

Een zelfde bedachtzaamheid zag ik in het interieur van zijn kleine, welhaast rudimentaire woning terug. Het bureautje, waaraan hij schreef, verbood iedere slordigheid. Alles lag of stond daar op zijn plaats, de woordenboeken, de schriften, de pennen, de potloden, de schrijfmachine. Het gesprek kwam direct op een van zijn schrijfattributen, op een foto, een portret dat tegen de houten verhoging van zijn bureau stond. Een blonde, jonge vrouw met een jongenskapsel: Jane Fonda. Hij was dol op Jane, zo dol dat hij een van zijn honden naar haar had vernoemd. Ik vroeg me af of dat de hond was geweest die in vingers beet.

In het vertrek brandde maar één lamp. De hitte noopte tot roerloos zitten. De deur stond open. Van buiten kwamen de geluiden van de tropennacht. Krekels, duizenden krekels. Het was november, het natte seizoen. Binnen hingen over de schaarse meubelen zwarte doeken. Tip beweerde dat de muggen wegbleven door die zwarte doeken. Bij hem werkte dat misschien, maar ik werd lek gestoken. Hij wisselde een glas whisky af met een glas bier, in een rustig maar gestaag tempo. Jan Louter wist hem daarin net te volgen, ik dronk alleen bier. De nacht vorderde, maar Tips stem werd luider noch verwarder door de drank. Hij bleef volzinnen spreken, in een zacht en onwaarschijnlijk mooi Nederlands.

Ik keerde terug naar Pannekoek. Niet vaak. Soms gingen zoveel jaren voorbij dat ik Tip een geheugensteuntje moest geven: ik was de schrijver van ’De droevige kampioen’. Hij hield van die weemoedige titel, hij moest er telkens weer om glimlachen. Ik zag hem wat vaker toen ik regelmatig naar Venezuela reisde. Hij mijmerde graag over Venezuela, het enige land buiten Curaçao waar hij een paar weken had doorgebracht. Veel feitelijks vertelde hij er niet over, het ging hem meer om een sfeer of een mentaliteit. Ik herinner me een avond toen we gezelschap kregen van Diane, die in Caracas had gestudeerd, tot de universiteit gesloten was door de studentenrevolte van 1958. De opstand kostte de alleenheerser de kop, de bloeddorstige dictator die Gabriel García Márquez gestalte zou geven in ’De herfst van de patriarch’. Verhalen vlogen over en weer, Pannekoek werd Zuid-Amerika.

Tip kwam nooit meer in de stad. Familieleden brachten hem eten. Af en toe zag ik een Haïtiaan in zijn huis, een gespierde jongeman van even in de twintig. Pepe knapte klusjes op, deed boodschappen. Belangrijker was dat hij Tip bescherming bood. Zonder honden was het link voor hem, even link als voor mij in Lagun. Om die reden was ik naar de stad verhuisd en later naar het dichtbevolkte vissersdorp Boca San Michiel. Uiteindelijk zou ook Tip verhuizen, naar het vlak bij Boca Sami gelegen Jan Doret. Maar hij hield het toch nog jaren in Pannekoek vol.

Ik woonde drie maanden in Lagun. Uit de onthullende biografische schets waarmee Petra Possel haar boek ’Niemand is een eiland’ begint, begrijp ik nu dat Tip Marugg enige tijd in precies hetzelfde weekendhuisje heeft gewoond, voor hij naar Pannekoek vertrok. Het is nog mooier, de eerste eigenaar van het houten huisje was Jules de Palm, ook een schrijver. Tip heeft aan dezelfde tafel zitten werken als ik. Het is dan ook met zekerheid dat ik kan beweren dat hij regelmatig afgeleid werd door leguanen, die de warmte van de vliering zochten en hard met hun staart op het plafond sloegen, recht boven de tafel.

Beter nog dan Lagun paste Pannekoek bij de sfeer van Tips boeken. Pannekoek was het decor van ’De morgen loeit weer aan’. Een verdoemd oord, tenminste voor de shons, de voormalige heersers met hun lichte huid. Er bestaan veel misverstanden over de plantagehouders van Curaçao. Stinkrijke blanken met Hollandse, Duitse of Franse namen! Verfoeilijke slavenhouders! Ja, dat waren ze ooit. Maar door de droogte en de onvruchtbare grond gingen de eersten al in de achttiende eeuw failliet. In een strooien hutje naast landhuis Pannekoek woonde in de negentiende eeuw een Rojer die ooit vier landhuizen had bezeten. Aan het einde van de negentiende eeuw woonde daar een andere Rojer, die ook failliet was gegaan. En de eigenaar van landhuis Pannekoek, Gerrit Pannekoek, moest zijn grond, zijn huis en zijn bezittingen verkopen om aan zijn schuldeisers tegemoet te komen. Pannekoek stond voor vergane glorie, voor verval. Naast het landhuis, dat een nieuwe bestemming had gekregen en onderdak bood aan scholieren, sportlieden en padvinders, schreef Tip, afkomstig uit een Nederlands-Zwitserse kolonistenfamilie, over ondergang en decadentie. Niet ’de’ wereld snelde ten onder, zoals hij in ’De morgen loeit weer aan’ profeteerde, maar ’zijn’ wereld had het afgelegd. Dat had hij met García Márquez gemeen, die de streek waar hij opgroeide zag wegkwijnen na het vertrek van United Fruit, de bananenmaatschappij. Wat overbleef waren afval en dorre bladeren en majestueuze cactussen, die verschroeiden in de zon.

Tip wilde altijd weer over García Márquez horen. Ik geloof dat hij me vooral ontving omdat ik een middag, avond en morgen met Gabo had gesproken. „Hoe praat hij?”, vroeg hij. „Wat rauwer dan jij”, zei ik, „zeker wanneer hij schor begint te lachen.” Een knikje. „Maar even zacht als hij zijn ogen dichtknijpt.” Een glimlach. Ja, zo was het: in beider stemmen hoorde je dat ze uit een goeddeels verdwenen wereld kwamen.

Otrobanda heette die wereld voor Tip. Otrobanda, letterlijk: de andere zijde. Aan de overkant van de baai rees Punda op, het machtige deel van de stad. Punda was Fort Amsterdam, het gouvernementspaleis, de kazerne, de Fortkerk, het Gerechtsgebouw. Punda was het gezag, de wet, Otrobanda de poëzie, de muziek van Curaçao. Alle dichters en muzikanten woonden daar, alle ambachtslieden, alle kleine neringdoenden, niet ver van de haven, nabij de zeemanskroegen. Netto heette de bekendste bar, omdat je er niet op de pof kon drinken. Overigens, weer zo’n veelzeggend feit dat Petra Possel aandraagt: de vader van Tip, een winkelier, genoot grote populariteit omdat half Otrobanda bij hem op de pof kocht.

Otrobanda was het warm kloppende hart van de stad. „Als ik aan het Otrobanda van voor de oorlog denk”, vertelde de pianist en componist Robert Rojer me, „lijkt die wijk lichtjaren ver op een andere planeet te liggen.” Otrobanda was net niet te arm en net niet te rijk, zodat zwart, bruin, geel, wit, Joods, katholiek, protestants, er vreedzaam konden samenleven. Otrobanda was de plaats waar zowel de wals als de tumba of tambú werd gedanst. De bloeiperiode, die samenviel met de expansie van de raffinaderij en de haven, duurde van 1925 tot 1950. Tip maakte al die jaren mee. Hij ging in Otrobanda naar school, leerde er rekenen, schrijven en de taal van een land aan de overkant van de oceaan, een land dat een soort luchtspiegeling voor hem zou blijven. Het Nederlands werd hem door witte fraters onderwezen, van wie de meesten uit Brabant en Limburg kwamen. Een weelderig, bloemrijk Nederlands waarmee Tip zijn geld verdienen zou, eerst als redacteur van het personeelsblad van Shell.

Ik kan mensen van buiten Curaçao moeilijk uitleggen wat het betekende om op of bij de ISLA te werken. De duizenden lichtjes van de raffinaderij brandden dag en nacht, als was het om de duistere slaventijd te doen vergeten. Tip genoot status, hoe onbeduidend zijn witte boordenbaantje ook was, Tip kon zich een glanzende Dodge permitteren.

Op zaterdagmiddag reed hij stapvoets door de oneindig lange winkelstraat van Otrobanda, met het raampje open. Het was een lokale gewoonte om tegelijk auto te rijden en met de voorbijgangers te praten.

Roken hoorde er ook bij, en even stoppen bij een snèk om vanachter het stuur een biertje te bestellen. Een echte Otrobandista deed minstens een uur over het traject. Wanneer hij ten slotte bij de havenkade kwam, draaide hij om en reed hij de Breedestraat nogmaals door. Aan het einde van de middag kende hij alle nieuwtjes en roddels. Voor Tip was het vooral een reis door de taal. Uit de mateloze zee van het Papiamentse idioom pikte hij uitdrukkingen op die al bijna vergeten waren en woorden waarvan hij de oorsprong in de zeventiende eeuw zocht, in Brabant of Zeeland, want hij had een scherp oor voor woorden met een half verborgen, Nederlandse oorsprong. Taalkundig was hij van vele markten thuis, gebruikte hij Nederlands om proza te schrijven, Papiaments om te spreken en te dichten, Spaans en Engels om te lezen. En Duits, uit een bijbeltje dat hij van een verre voorouder had geërfd.

Als ik zeg dat zijn wereld aan het verdwijnen was, doel ik in de eerste plaats op Otrobanda. Doel ik op de raciale en maatschappelijke verhoudingen die door de revolte van 1969 ingrijpend veranderden. Doel ik ook op het vertrek van Shell, waarmee zowel een zelfingenomen, arrogante meester de biezen pakte die Curaçao veel Hollandser had gemaakt dan het in de achttiende en negentiende eeuw was geweest, als een apostel die het eiland de weg had gewezen naar de vooruitgang, de industrie, de welvaart en de moderne tijd. Maar ik doel toch vooral op de taal waarvan Tip zich in zijn geschriften bediende.

Het bizarre en ronduit schizofrene was dat Cola Debrot, Jules de Palm, Boeli van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion de Antilliaanse literatuur tot leven wekten, in het volle besef dat die van aanvang af ten dode was opgeschreven. Komende generaties zouden in een andere taal gaan schrijven, in de taal van het eiland, in het Papiaments. Ook wanneer je de thematiek wegdenkt, waren de geschriften van Cola, Boeli, Tip, Frank, een zwanezang, louter door de gebruikte taal. Het uiterst secure, rijk geschakeerde, welhaast bijbelse Nederlands van Boeli en Tip was voor jonge generaties nauwelijks meer te volgen. Dat Tip zich terugtrok, niet alleen op het platteland maar in zijn eigen wereld, was een stap die hij als schrijver al veel eerder had gezet. De loop van de geschiedenis maakte hem tot een zonderlinge buitenstaander en uiteindelijk tot een relict uit het toenmaals. Hij behoorde tot de vogels die hij in ’De morgen loeit weer aan’ beschreef, vogels die niet meer konden paren, die zich dus niet meer konden voortplanten, en die zich, welbewust, te pletter vlogen tegen de rotswand van de Christoffelberg. Welbewust was in Tips geval: met veel drank en veel sigaretten. Hij verloor gaandeweg zijn gezichtsvermogen en moest in de laatste fase van zijn leven een been missen. Hij vond dat vreselijk, maar deed zich niettemin monter voor. Ook met één been, zei hij, kon je drinken.

Wanneer hij me over Otrobanda vertelde, veranderde zijn toon in jongensachtig. Hij werd grappig, geestdriftig, hij kreeg iets tomeloos. Ik keek dan ook uit naar het boek waarover hij me vertelde, een mythische, door een leguaan vertelde roman waarin het vroegere Otrobanda zou herrijzen. Het is in zekere zin tekenend voor de ondergangsthematiek waarvan zijn hele werk doordrenkt is, dat die roman nooit is verschenen. Hij liet me aanzetten tot dat boek zien, een dikke stapel papier, maar in het nu deze week verschenen verzameld werk komen slechts twee fragmenten voor, één over een leguaan en één over Otrobanda, en die zijn kort. Dat ligt zeker niet aan de samenstellers. Aan hun aandacht zal geen snipper papier dat het handschrift van Tip verried ontsnapt zijn. We mogen aannemen dat Tip het onvoltooide manuscript heeft vernietigd, of althans grote delen daarvan. Ik vind dat doodzonde maar ook buitengewoon consequent.

Hij moet zich op een gegeven moment gerealiseerd hebben dat zijn wereld zo sterk van de huidige verschilde dat geen enkele roman de lezer meer kon meenemen naar het verloren paradijs van een dromerig jochie dat opgroeide met de kruidige geuren, zangerige stemmen, kakelbonte kleuren van een West-Indische wijk. Met Tip ging Otrobanda heen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden