Die naaste was revolutionair

Weinig humor, veel parabels: Jezus had een eigen stijl, stelt Nicolaas Matsier in zijn nieuwste boek 'Het Evangelie volgens'. Vandaag een tweede voorproef. "Hadden de discipelen een beetje gegniffeld?"

Wat was Jezus' stijl als spreker, Hoe hield hij de aandacht vast? In welke literaire vormen excelleerde hij, ook al heeft hij dan nooit een woord geschreven?

Het zijn de evangelisten geweest die ons het gevoel hebben gegeven dat Jezus een schrijver was. Dat komt ongetwijfeld door hun overvloedige gebruik van de directe rede, met het veelvuldige 'ik' van Jezus als spreker. Je vergeet al snel dat het diezelfde evangelisten geweest zijn die al deze zinnetjes en disputen en redevoeringen en gelijkenissen voor hun rekening hebben genomen en die er hun eigen aanhalingstekens omheen hebben gezet.

Jezus houdt van forse en apodictische uitspraken, van sweeping statements. Aan understatements (misschien toch een wat nieuwere vorm van humor) deed hij voor zover ik zie niet of nauwelijks. Maar een schitterend overdrijver is hij zeker. In hoeverre de hyperbool een misschien wel vooral oosterse stijlfiguur is weet ik niet - je zou het kunnen denken.

Als ik Quintilianus' onvolprezen standaardwerk 'De opleiding tot redenaar' erop nasla zie ik dat het accent bij de hyperbool vooral op de grap valt, bij de klassieke auteurs dan. Maar ook de gewone man, schrijft hij, bediende zich in zijn gesproken taal graag van de hyperbool. Hé, dacht ik, de hyperbool vooral als grap? Daar had ik nou nog nooit aan gedacht, in verband met Jezus als bedenker van hyperbolen. Maar misschien vergiste ik me daarin.

Hoe zijn toehoorders op zo'n stijlfiguur reageerden, daar had ik eerlijk gezegd geen idee van. Het stond me in elk geval niet bij dat er veel gelachen werd in het evangelie. In mijn jeugd had ik weleens alle woorden van Jezus gecheckt op mogelijk aanwezige humor en mijn onverbiddelijke conclusie had geluid dat daarvan geen spoor te bekennen viel. Maar toen wist ik nog niet zo goed dat ook humor historische dimensies heeft. Leedvermaak scoorde goed, vroeger, wij hebben daar een stuk minder plezier in. Maar onze samenleving, dat staat vast, is over het geheel een stuk lacheriger geworden.

Misschien was het dus toch wel een goede vraag. Hadden de discipelen een beetje gegniffeld, om de hyperbool die de lezer ongetwijfeld zal kennen? Die waarin een rijke man ten tonele wordt gevoerd als kameel en de toegang tot het koninkrijk der hemelen wordt voorgesteld als het oog van een naald. Als ik de hyperbool zo uiteenrafel is er misschien niks meer aan. Maar ziehier de bewuste hyperbool in context en in vertaling. Iemand vervoegt zich bij Jezus met de vraag wat hij moet doen om 'het eeuwige leven te verwerven'. Een keurige vraag, maar Jezus heeft er niet zo vreselijk veel zin in. Onderhoud de geboden, zegt hij. Welke dan, zegt de man, die zich niet met een kluitje in het riet laat sturen. Jezus, die er misschien nog steeds niet erg veel zin in heeft om deze man te vertellen wat hij moet doen en laten, geeft misschien wel met stijve bovenlip een kleine summary van de Tien Geboden ten beste: de man moet niet doodslaan, niet echtbreken, niet stelen, geen valse getuigenis afleggen, zijn vader en zijn moeder eren, en zijn naaste liefhebben als zichzelf.

'De jongeling zeide tot Hem: "Dat alles heb ik in acht genomen; waarin schiet ik nog te kort?" Jezus zeide tot hem: "Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij." Toen de jongeling dit hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen.'

Zo, de man is weg, met de staart tussen de benen. Nu volgt er nog een woordje extra, ter attentie van de discipelen. Daarin komt de hyperbool langsflitsen, als een mooie uitsmijter. 'Jezus zeide dan tot zijn discipelen: "Voorwaar, Ik zeg u, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk der hemelen binnengaan. Het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog ener naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat."'

En als om in één klap ook een eind te maken aan mijn al te Quintiliaanse benadering van de hyperbool las ik toen dit: 'Toen de discipelen dit hoorden, waren zij zeer verslagen en zeiden: "Wie kan dan behouden worden?" Jezus zag hen aan en zeide: "Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk."' Wonderlijke reactie van de discipelen, zelf geen rijkaards immers. Die hebben, zou je denken, niks te vrezen. Maar hun sterkste punt is wel vaker niet de logica. In elk geval, en daar ging het me nu even om, is er geen sprake van dat ze gniffelen, de discipelen.

Naast hyperbolen geeft Jezus zijn onderricht nogal eens in de vorm van 'gelijkenissen'. De meest sprekende hebben de kracht van een kort verhaal. Zo'n parabel, een vergelijking waarin alle onderdelen geacht worden te kloppen, heeft altijd onderricht ten doel. Soms snap je een gelijkenis meteen, vaker is er een opzettelijk aanwezig raadselachtig element dat om opheldering vraagt.

Als moderne lezers zijn we inmiddels wat minder dol op parabels en aanverwanten dan ze in de Oudheid waren. Maar speciaal in de vorm die ze in het evangelie van Lucas hebben gekregen, zo merkt de vakman John Drury op, spreken parabels zoals het verhaal van de Barmhartige Samaritaan en de geschiedenis van de verloren zoon ons nog altijd direct aan.

Het verhaal van de Barmhartige Samaritaan staat in Lucas 10. Ik verzoek de lezer nu al om zijn reacties in de gaten te houden. 'Er kwam een wetgeleerde die hem op de proef wilde stellen. Hij vroeg: "Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?" Jezus antwoordde: "Wat staat er in de wet geschreven? Wat leest u daar?" De wetgeleerde antwoordde: "Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf." "U hebt juist geantwoord," zei Jezus tegen hem. "Doe dat en u zult leven." Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg: "Wie is mijn naaste?"'

Goeie vraag natuurlijk.

Zijn antwoord geeft Jezus niet rechtstreeks maar beeldend, in de vorm van de befaamde gelijkenis. 'Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: "Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden." Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?" De wetgeleerde zei: "De man die medelijden met hem heeft getoond." Toen zei Jezus hem: "Doet u dan voortaan net zo."'

Ons aller reactie op dit verhaal heeft iets uitermate bedrieglijks. We kunnen er namelijk niet meer onderuit om deze geschiedenis te lezen met een soort van makkelijke instemming - hierop reageer je met een: tuurlijk, zo moet dat. Of we ook echt van onze fiets zouden stappen, of uit onze auto komen, dat is natuurlijk vers twee. Maar we gaan stilzwijgend en eigenlijk zonder nadenken akkoord met het hier impliciet geformuleerde idee van de naaste als Iemand Zomaar. Iemand met wie je niet al een relatie onderhoudt.

En juist dat idee van de naaste als iemand zomaar was volkomen nieuw. Het is dit geradicaliseerde begrip van de naaste dat door Jezus, als ik me niet sterk vergis, is uitgevonden en in omloop gebracht. En het is met zo ontzaglijk veel succes in omloop gebracht, en in omloop gebleven, en deel geworden van ons normenstelsel dat wij nu instemmend zitten te knikken als we het verhaal van de Barmhartige Samaritaan lezen. Jawel, als iemand hulp nodig heeft en jij komt toevallig langs, ook al heb je er niets mee te maken, dan ben jij toch degene geworden die ermee te maken heeft. Simpelweg omdat je het gezien hebt en omdat je in de buurt bent.

Maar dat idee van de naaste was revolutionair. Dat idee is in het Oude Testament domweg niet te vinden. Ja, daar staat weliswaar een keer dat je je naaste moet liefhebben als jezelf, maar als je vervolgens gaat kijken wat dat begrip 'naaste' nu eigenlijk inhoudt, zie je dat het altijd begonnen is om degenen die op de een of andere manier toch al bij jou horen, en dan nog in verschillende gradaties van meer en minder nabij. Je familie, je stamgenoten, je geloofsgenoten. In het Oude Testament loopt echt helemaal niemand rond die bij 'naaste' aan vreemdelingen of passanten dacht.

Wat Jezus met zijn gelijkenis doet, dat is de schriftgeleerde erin laten lopen met zijn fraai opgebouwde casus. Het slachtoffer is in het verhaal immers een man zonder nadere identiteit, een soort lege plek. Dat pleit in oudtestamentische zin iedereen al meteen vrij. Het ontbreekt het slachtoffer aan de benodigde verwantschap. Omdat de overval ergens tussen Jeruzalem en Jericho heeft plaatsgevonden - in het gebied Judea - zou je kunnen vermoeden dat de beroofde man een geloofsgenoot is van de joodse priester en de joodse leviet. Als die lichte suggestie juist is, dan bekreunt de Samaritaan zich er in elk geval niet om. En dat is dan het eerste misschien pas echt verbazingwekkende in deze gelijkenis.

Een Samaritaan is namelijk niet zomaar iemand uit een andere streek of stad maar vooral iemand met nogal afwijkende geloofsopvattingen. Ze hadden een eigen tempel. Joden en Samaritanen waren geen vrienden. Als er van Samaritanen sprake is in het Nieuwe Testament is het altijd opletten geblazen.

In deze gelijkenis beantwoordt Jezus maar liefst twee keer een vraag met een tegenvraag. Eerst ketst de vraag van de wetgeleerde (Wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?) af op de tegenvraag (Wat staat er in de wet?). Een tegenvraag die de wetgeleerde naar zichzelf terugverwijst - een wetgeleerde moet toch weten wat er in de wet staat, nietwaar. Op de volgende vraag van de wetgeleerde (Wie is mijn naaste?) antwoordt Jezus met de meesterlijke maar ook behoorlijk manipulatieve tegenvraag: 'Wie van de drie is volgens u de naaste geworden?'

Let wel: geworden. Hetgeen neerkomt op een totaal andere vraag, namelijk: wie heeft zich gedragen alsof hij de naaste was van de onbekende? De vraag is van richting veranderd. Hij luidt nu niet meer: wie is mijn naaste? De onbekende man is niemands naaste, dat is nu juist zijn probleem, hij zit even helemaal zonder naasten.

Door de gelijkenis schemert dus een heel andere vraag, namelijk - het is maar een tentatieve formulering: Zijn er omstandigheden die maken dat ik de naaste kan worden van zomaar een onbekende? Het is die onderliggende vraag die bevestigend beantwoord wordt door de gelijkenis als zodanig. En zo komt het dat de wetgeleerde niet anders kan dan - met grote tegenzin - het afgedwongen antwoord geven. Hij zou natuurlijk moeten zeggen: de Samaritaan, maar dat krijgt hij niet over zijn lippen. Maar in de formulering waar hij al ontwijkend naar grijpt definieert de wetgeleerde als het ware namens Jezus het nieuwe naastenbegrip schitterend. De man die medelijden met de onbekende heeft getoond, die heeft zich als naaste gedragen, juist ongeacht wie hij zelf was.

Nicolaas Matsier
is schrijver. Zijn 'Het Evangelie volgens' (uitgeverij Bezige Bij, ISBN 9789023455349, 18,50 euro) verschijnt op 14 april.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden