’Die inlanders bleken juist heel beschaafd’

'Wij kwamen daar met het geweer om zogenaamd orde op zaken te stellen. Dat meen je toch niet! Vergelijk het maar met Chinezen die hier in Nederland het heft in handen zouden nemen.' (Werry Crone/Trouw) Beeld
'Wij kwamen daar met het geweer om zogenaamd orde op zaken te stellen. Dat meen je toch niet! Vergelijk het maar met Chinezen die hier in Nederland het heft in handen zouden nemen.' (Werry Crone/Trouw)

Een onderscheiding zat er voor Indië-ganger Samuel Peet (97) niet in, net zo min als een bevordering tot officier. Zijn manschappen dragen hem nog altijd op handen. „Ik hoefde geen held te zijn.”

De discussie onder Indië-veteranen over deelname aan het bevrijdingsdefilé in Wageningen is aan Samuel Peet totaal niet besteed. Met gemak zou de 97-jarige adjudant buiten dienst vandaag de show kunnen stelen, maar hij heeft niets met het vertoon van vaandels en medailles. Waardering voor zijn drie jaar in Nederlands-Indië krijgt Peet wel op reünies van 1-8 Regiment Infanterie. Peet onderscheidde zich door in Indië geweldloos op te treden. „Ik hoefde geen held te zijn. Ik was zuinig op mijn jongens.”

Samuel Peet diende van 1945 tot 1948 als plaatsvervangend pelotonscommandant op Java en Sumatra. Hij was beroepsmilitair, maar voelde zich zeker geen vechtersbaas. Van huis uit was hij meer een technieker dan militair. „Vóór de Tweede Wereldoorlog was ik monteur en chauffeur bij de Veluwse Autodienst (VAD) in Ermelo. In 1939 werd ik vanwege de mobilisatie voor militaire dienst opgeroepen. Mijn baan bij de VAD raakte ik daardoor kwijt.”

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Peet in Ermelo lid van een verzetsgroep, die onder meer zorgde voor de verspreiding van het illegale Trouw. „We hebben heel wat risico’s gelopen, maar daar raak je aan gewend. Dan denk je: vooruit maar.” Een joods echtpaar kreeg onderdak bij de familie Peet, evenals evacués uit Scheveningen en familieleden die voor bombardementen waren gevlucht.

Kort na de bevrijding kon Peet, vanuit het verzet lid geworden van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), zijn werk als beroepsmilitair weer oppakken. De BS waren betrokken bij de heroprichting van 1-8 Regiment Infanterie. Peet kreeg de kans om bij dit regiment als oorlogsvrijwilliger beroepsmilitair te worden.

Hij kreeg de vraag of hij voor een half jaar naar Indië wilde. „’Ik ga niet, hoor’, zei ik tegen mijn jongens. Hun reactie: ’Als jij niet gaat, gaan wij ook niet’.”

Dat kwam de compagniescommandant slecht uit. Hij wilde zijn club compleet houden en probeerde Peet daarom te overtuigen met het argument dat zijn gezin na verloop van tijd naar Indië mocht overkomen.

Peets vrouw Eeke vond al langer dat haar man niet kon achterblijven bij de geallieerde militairen die zich voor de bevrijding van Nederland hadden ingezet. „We hebben de beslissing in geloof genomen en er samen voor gebeden.” Het was een ingrijpend besluit om naar Indië te gaan, want Samuel en Eeke hadden op dat moment al vijf kinderen.

In Indië werd Peet plaatsvervangend commandant van een peloton zogeheten carriers, bewapende rupsvoertuigen die werden gebruikt om infanteristen te vervoeren. Omdat de carriers nog onderweg waren, moesten de zestig militairen veldoefeningen doen en patrouilles lopen.

„We kregen opdracht om naar een dessa (dorp) te gaan waar peloppers (opstandelingen) waren gezien. Een spoorlijn liep dwars door het rijstveld. Ik liep met twee verkenners vooruit de spoordijk op. Meteen werd er op ons geschoten. ’Terug!’, riep ik. De kogels vlogen over ons hoofd. Ik zag in de verte veel mensen weglopen.”

Peet besloot de patrouille af te breken. Niet alleen het welzijn van zijn manschappen speelde daarbij een rol, maar ook dat van de lokale bevolking. „Achter de bosrand zaten ook vrouwen en kinderen. Die hadden we ook kunnen raken als we waren gaan schieten. De tolk wees aan: ’Daar zitten ze.’Ik zei: ’Laat ze maar lekker zitten, als wij maar heel thuiskomen.’

Ook tijdens andere patrouilles liet Peet de veiligheid van zijn ondergeschikten en van de lokale bevolking zwaar wegen. „Ik heb geen spijt van deze beslissingen.”

Een andere eenheid van de Koninklijke Landmacht raakte eind 1947 op Java in een soortgelijke situatie verzeild. Die liep uit op een bloedbad, waarbij tussen de 150 en 450 jongens en mannen in het dorpje Rawagede door Nederlandse militairen om het leven werden gebracht.

Peet is voorzichtig in zijn oordeel. „Mij is het niet overkomen; ik kon me beheersen. Zo’n reactie als in Rawagede is niet goed, maar ik kan het me wel voorstellen. Er zijn jongens op een beestachtige manier vermoord.”

Geëmotioneerd vertelt Peet over de vier Nederlandse militairen die om het leven kwamen toen ze eind 1946 op weg naar het vliegveld Padang met hun carrier op een bermbom reden. „Ik heb ze moeten identificeren. Het was net voor Sinterklaas. Dat hebben we toch gevierd.” Het Indiëmonument in Roermond heeft Peet maar één keer bezocht. „Heel emotioneel om de namen van die jongens op een zuil te zien staan.”

Peet maakte van dichtbij mee hoe Nederlandse inlichtingenofficieren op een wrede manier Indonesische verdachten ondervroegen. Ze moesten knielen, hun armen naar achteren steken en daarmee een bamboestok in hun knieholte vastklemmen.

„Daar heb ik wat van tegen zo’n officier gezegd. ’Ja, het is mijn vak’, was zijn reactie. Later deden ze die verhoren zo dat wij het niet zagen.”

Militairen kregen vóór hun uitzending nogal gekleurde verhalen te horen over de lokale bevolking. De ’inlanders’ zouden een chaotisch volk zijn. „Het bleken juist heel beschaafde mensen te zijn. Dat was een openbaring. We hadden altijd goed contact met de lokale bevolking. Die heb ik nooit als vijandig ervaren. Als we een kampong in liepen, zei ik altijd: ’Jongens, er wordt niet geschoten voordat ik het zeg.’ Eigenlijk wist ik dan wel dat we geen weerstand zouden ondervinden. Wij kwamen daar met het geweer om zogenaamd orde op zaken te stellen. Dat meen je toch niet! Vergelijk het maar met Chinezen die hier in Nederland het heft in handen zouden nemen.”

De militairen van het peloton konden Peets terughoudende aanpak wel waarderen. Hij genoot ook gezag: in drie jaar tijd hoefde hij maar één keer een ondergeschikte op rapport te zetten. Als onderofficier had hij recht op een apart verblijf, maar Peet verbleef altijd bij zijn jongens, onder het motto ’Samen uit, samen thuis’. „In wezen ben ik altijd de commandant van het peloton geweest. Ik heb voor ze mogen zorgen.”

Zijn kapitein droeg sergeant-majoor Peet voor om tot officier te worden bevorderd. Hij moest het doen met bevordering tot adjudant, de hoogste onderofficiersrang. Officier zou Peet tot zijn teleurstelling nooit worden. „Dat stak me wel een beetje. Waarom ik geen officier ben geworden, daar kom je nooit achter. Ik heb niet ’flink’ gedaan en eerlijk gerapporteerd wat er gebeurde. Laat het alsjeblieft rusten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden