Die huid, die stof, dat goud

Portret van een vrouw (circa 1480), gemaakt door een anonieme schilder. (Trouw) Beeld
Portret van een vrouw (circa 1480), gemaakt door een anonieme schilder. (Trouw)

De Vlaamse schilders van de vijftiende eeuw waren hun vakbroeders uit Centraal-Europa een straatlengte voor. Dat bewijst de tentoonstelling ’Van Eyck tot Dürer’ in Brugge.

Sandra Kooke

De heilige Barbara zit op een bank in haar kamer te lezen. Achter de bank zorgt een vuurtje voor warmte, op een houten kastje fonkelt een koperen schaal met kan, op de schoorsteenmantel staat een doorzichtig glazen vaasje met water. Het perspectief op dit schilderij klopt van geen kant, maar wat bloost haar gezichtje mooi roze. Je zou dat perzikhuidje aan willen raken om er zeker van te zijn dat het van verf gemaakt is.

De Meester van Flémalle, de noodnaam voor een anonieme schilder die in Doornik werkte, was een grootheid in de vijftiende eeuw. Niemand kon huid, hout, stof, tin of water zo levensecht schilderen als hij. Schilders uit andere landen kwamen naar zijn werkplaats om zijn werk te bestuderen en van hem te leren.

Op de tentoonstelling Van Eyck tot Dürer in het Groeningemuseum in Brugge hangt de Meester van Flémalle tussen Vlaamse, Duitse, Hongaarse en Oostenrijkse schilders. De heilige Barbara steekt met kop en schouders boven het werk van de onbekendere meesters uit.

En dat geldt ook voor het portret dat Jan van Eyck maakte van zijn vrouw Margaretha. Niet alleen oogt zij levensecht, ook de zachte wol van haar jurk is bijna tastbaar geschilderd. Of neem het portret van Philippe de Croÿ door Rogier van der Weyden. Een donker portret waarbinnen het levensecht gemodelleerde vrome gezicht, de gevouwen handen, de dunne gouden kettingen en de rozenkrans oplichten.

Vlaanderen was in de vijftiende eeuw het centrum van de Noord-Europese schilderkunst. Het is voor kunsthistorici nog steeds een raadsel hoe daar zo plotseling zulke goede, vernieuwende kunst kon ontstaan. Natuurlijk stimuleerde het Bourgondische hof de schilderkunst door opdrachten te verlenen. De burgerij, die rijk werd van de handel, versterkte dat effect. Maar dan nog blijft dat hoge niveau en die plotseling wel heel realistische weergave van mensen, materialen en landschappen een mysterie.

Tijdgenoten herkenden deze kwaliteit. Vlaamse schilderkunst was dan ook bijzonder populair en werd volop nagebootst.

De tentoonstelling Van Eyck tot Dürer laat die beïnvloeding heel goed zien. Zo zie je talloze malen Maria geschilderd in de houding die Rogier van der Weyden haar heeft gegeven op zijn schilderij van de Annunciatie. Telkens zit Maria geknield met een boek in haar hand en kijkt ze achterom naar een blonde engel die haar met lichtgebogen knieën toespreekt. Ook de manier waarop Van der Weyden de moeder Gods ineen laat zijgen bij de Kruisafneming is voortdurend gekopieerd.

En dan zijn er nog de vloertegels, de tapijtmotieven, de handen op de schilderijlijst, het raam met uitzicht, de potjes en glazen flesjes, die steeds maar weer in nieuwe schilderijen een plek kregen.

Zo bewijst de tentoonstelling dat de Vlaamse motieven overgenomen werden door schilders in Duitsland, Hongarije, Silezië en nog verder naar het oosten.

Die uitwisseling ging op verschillende manieren. Enerzijds brachten veel schilders direct na hun opleiding een of meerdere Wanderjahre door. Met een reis door Europa, waarbij ook Vlaanderen werd aangedaan, werd hun opleiding voltooid.

Anderzijds reisden de schilderijen of kopieën ervan rond, meegenomen door bisschoppen naar de grote concilies van Bazel en Constanz, of door vorsten die contacten onderhielden met familie over de grens, of door kooplui die het ter plaatse kochten en meenamen naar hun land van herkomst.

Volgens de conservator van het Groeningemuseum, Till-Holger Borchert, probeerden buitenlandse kunstenaars in eerste instantie om de techniek van de Vlamingen te evenaren: hoe geef je licht en schaduw of de glans van metaal en edelstenen weer. Vanaf 1455 keken schilders naar compositie en expressie. Vooral Van der Weyden, die sterke emoties als verdriet en vroomheid schilderde, werd een voorbeeld. Van zijn werk werden ook veel gravures gemaakt, een techniek die midden vijftiende eeuw opkwam. Vooral de Duitse schilder en graveur Martin Schongauer zorgde voor een snelle opmars van het medium.

Zo verspreidde de Vlaamse schilderkunst zich snel over Centraal-Europa en ook andersom bleef de invloed niet uit. De laatste decennia van de vijftiende eeuw namen Vlaamse schilders ook de motieven uit Centraal-Europa over, die hen via gravures onder ogen kwamen.

Hoezeer de balans kantelde is vooral te zien aan de invloed van Albrecht Dürer. Toen de Duitser in 1520 Vlaanderen bezocht was hij al wereldberoemd. Hij werd in Antwerpen onthaald door alle rijke personen én door alle schilders. Hij bekeek met grote interesse het Vlaamse schilderwerk, maar andersom liet zijn bezoek veel sporen achter. Zo schilderde hij in Antwerpen de heilige Hieronymus op een volstrekt nieuwe manier, te zien op de expositie. Niet achterin de kamer achter een bureau, maar een portret van dichtbij met enkele rekwisieten.

Kort daarna werden er heel veel van dergelijke schilderijen in Vlaanderen geproduceerd.

Zoals gezegd steken de Vlamingen op deze tentoonstelling met kop en schouders boven de andere schilders uit. Dat zij een eeuw vooropliepen, blijkt alleen al uit het feit dat de Duitsers tot ver in de vijftiende eeuw nog aureolen schilderden en vaak een gouden achtergrond namen in plaats van een realistische.

Toch zijn er ook onbekende grootmeesters onder ’de anderen’. Schongauer was niet zo’n goede schilder, maar een virtuoze graveur. Datzelfde geldt voor de Meester E.S. Dan is er een prachtig vrouwenportret van een onbekende schilder uit Zwaben, dat net zo’n fijne huid als de heilige Barbara van de Meester van Flémalle toont. Ook bijzonder zijn twee tekeningen en een paneeltje van de Meester van de Worchester-Kruisdraging. Al rond 1430 gaf hij scenes rond Golgotha weer die vol emoties zaten: het verdriet van zijn volgelingen en het venijn waarmee Jezus’ vijanden hem bespotten.

Het is kortom zeker de moeite waard om de werken van de Meester van de Mariataferelen van München of de Meester van de passie van Darmstadt te bekijken. Maar één blik op Hugo van der Goes’ hallucinerende Sterfbed van Maria of de zachtaardige Maria met Kind van Gerard David, en het is duidelijk dat de vijftiende-eeuwse Vlamingen hun vakbroeders op alle fronten verslaan.

De heilige Barbara (1438), van de Meester van Flémalle. (Trouw) Beeld
De heilige Barbara (1438), van de Meester van Flémalle. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden