Die geest eiste gemeenschap

Tien jaar geleden verscheen de roman 'Mystiek lichaam' van Frans Kellendonk (1951-1990). De roman is gezichtsbepalend geweest voor de Nederlandse literatuur van de jaren tachtig en past in het naoorlogse rijtje van 'De avonden' van Gerard Reve, 'Het stenen bruidsbed' van Harry Mulisch en 'Nooit meer slapen' van W. F. Hermans. 'Mystiek lichaam' werd getypeerd als een goed geoefend kerkkoor zonder dissonanten en Kellendonk kreeg de reputatie van een crypto-katholiek, conservatief op het querulante af, iemand die met de rug naar de toekomst staat. Maar hoe ging Kellendonk om met de levende traditie en met de canonieke bronnen? Waarom noemde hij zich een 'cultureel weeskind'? En wie of wat is de Geest die akelig rondspookt in het verhaal? Links de neerlandicus Tijn Boon, werkend aan een biografie over Kellendonk. Rechts de student neerlandistiek P. L. Van den Blink, die deze maand afstudeert met een scriptie over de bijbelse verwijzingen in 'Mystiek lichaam'.

In de Brusselse slaapkamer waar deze scène zich afspeelt, bevindt zich een vijftal mensen: het bruidspaar Scott en Liliane, Magda, Broer, en de 'rijpere jongen' op wie Broer verliefd wordt. Deze laatste twee wisselen, als enigen, een kus uit - maar de gehele passage is zwanger van een, zij het ongemakkelijke, erotische spanning. En juist in die context van blote lichamelijkheid valt de titel van de roman:

De geest waarin ze tot één mystiek lichaam waren gedoopt begon akelig rond te spoken in de bruidskamer. Die geest rook mensenvlees. Die geest eiste gemeenschap. Wordt één lichaam! commandeerde hij. Bouw uit die ribben en knoken van jullie, op deze matras, maar eens een kerk!

In de Catechismus der Nederlandse bisdommen staat: 'De H. Kerk wordt ook genoemd het mystiek of geheimnisvol lichaam van Christus'. Deze metafoor gaat terug op de uitvoerige allegorie uit de Eerste Brief van Paulus aan de Corinthiërs, eindigend in de woorden: 'Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden.' (1 Cor. 12;27). Het huwelijk tussen man en vrouw wordt met dit lichaam vergeleken in Eph. 5;22: 'De man is het hoofd van de vrouw, evenals Christus het hoofd is zijner gemeente', waaraan door Magda nog wordt toegevoegd: 'In de katechismus staat dat het huwelijk een teken is van het verbond tussen hemel en aarde tussen God en Zijn volk.'

Wie, of wat, is die akelig rondspokende geest in het verhaal dat in Mystiek lichaam verteld wordt?

Dat verhaal is in de eerste plaats het relaas van de familie Gijselhart. In kort bestek: A. W. Gijselhart, een rijk maar eenzaam weduwnaar, ziet tot zijn genoegen zijn dochter Magda met hangende pootjes bij zich terugkeren. Haar zoveelste poging om een eigen gezin te stichten is mislukt, maar zij is wel zwanger. De geboorte van het kind maakt voor Gijselhart een einde aan zijn eenzaamheid.

Het prille geluk wordt echter verstoord door de terugkomst uit Amerika van Leendert, de zoon des huizes, die doorgaans aangeduid wordt als Broer. Zijn carrière in de moderne kunst is op een fiasco uitgelopen. Bovendien heeft hij zijn geliefde jongen, met wie hij sinds de Tobiasnacht een verhouding had, aan een ziekte verloren. Zelf moet hij leven met het vermoeden dat hij ook besmet zou kunnen zijn. Ten slotte dient ook de vader van Magda's kind zich aan, om zijn zoon en aanstaande vrouw mee te nemen naar het buitenland. De oude man en zijn zieke zoon blijven eenzaam achter.

Dat is wat er verteld wordt. Op zoek naar de geheimzinnig rondspokende geest is echter evenzeer van belang, hoe er verteld wordt. Immers, spiritus ubi vult flat, de geest waait waar hij wil, zoals Johannes 3:8 zegt, en zijn transparante aanwezigheid hoeft niet alleen in de lotgevallen van de personages gezocht te worden, maar kan ook te vinden zijn in de opvallende beeldspraak van Mystiek lichaam.

In de eerste regels voelt A. W. Gijselhart bij het ontwaken tussen zijn benen 'of hij zijn drievuldigheid nog had'. 'De éne God, in drie personen noemen wij de Allerheiligste Drieëenheid of Drievuldigheid', aldus wederom de Catechismus, die hier dus in een wel zeer overdrachtelijke zin geciteerd wordt. Heeft Gijselhart zich eindelijk van zijn bed opgericht, dan gebruikt hij, niet minder profanerend, de woorden der evangelisten: 'De Heer is waarlijk opgestaan. Zalig zij die niet zien en toch geloofd hebben.'

De poort van Gijselharts woonstee wordt 'bekroond' met de naam Doornenhof. Dit kan gezien worden als een dubbele verwijzing: naar de doornenkroon van Jezus, maar tegelijkertijd naar de Hof van Eden. De Doornenhof wordt in het begin van het verhaal, als Gijselhart er zijn geld zit te verheerlijken, ook vergeleken met 'een gepleisterd graf', gelijk Jezus de schriftgeleerden en Farizeeërs aanduidde, omdat zij 'van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid' (Mat. 23;27). Als het kind van Gijselharts dochter Magda, 'de metonymische Victor', geboren is, verandert de Doornenhof in 'het pastorale decor', waarmee de verwijzing naar de Hof zijn inhoud krijgt.

Magda geeft blijk van een diep gewortelde kennis van het Nieuwe Testament in haar brief aan Leendert, op dat moment nog in Amerika, waarin zij over de fantoombeelden die haar na een eerdere, geaborteerde, zwangerschap achtervolgden, zegt: 'Er was maar één manier om mijn zonde ongedaan te maken en toen ik dat wist wist ik ook hoe mijn spookkindje heten moest want hij was een voorafschaduwing geweest een wegbereider die mijn echte kind mijn eniggeborene noodza- kelijk en onontkoombaar moest maken'. Johannes de Doper wordt immers voorgesteld als de wegbereider van de Messias, van wie Victor de kenmerken heeft. Want 'Torretje', zoals Magda hem noemt, verlost de oude man uit zijn lange nacht van cijfermatige zorgen. 'Grote macht bracht hij en eindeloze vrede aan de Doornenhof.'

En zo gaat het door. Geen vergelijking wordt getrokken, geen gevoelen wordt geuit, anders dan in dergelijke, religieuze, termen. Door deze beeldspraak ontstaat een organische verbinding tussen het specifieke verhaal der Gijselharten en de universele pretentie van het Boek der Boeken. 'Een geschiedenis' (ondertitel van de roman) weerspiegelt 'de geschiedenis'.

Die algemene geschiedenis waarmee de familiekroniek verbonden wordt, is een zeer belangrijk element in de roman. Zij wordt met een hoofdletter geschreven en zelfs sprekend opgevoerd, om commentaar te leveren op de gebeurtenissen (p. 400, p. 416 van Het complete werk). Een andere aanduiding is 'de eeuwige wederkeer van het vlees' of 'de geschiedenis van het vlees'. Ook de metaforiek van het vlees blijkt terug te gaan op de bijbel, waarin God bijvoorbeeld zegt: 'Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees.' (Gen 9;15), en: 'Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees.' (Hand. 2;17). Het 'vlees' in overdrachtelijke zin, staat dus voor het mensdom als geheel, het is, zoals het in Mystiek lichaam staat, 'de Geschiedenis van iedereen'.

Deze Geschiedenis wordt in stand gehouden door de voortplanting. Ook dat aspect wordt in de beeldspraak van het vlees uitgedrukt. Het vervolg van de hierboven geciteerde passage uit de Brief van Paulus aan de Ephizeeërs luidt: 'Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één vlees zijn' (Eph. 5;28-31).

In de roman wordt de procreatie belichaamd door de zwangere Magda, en zij krijgt dan ook de aanduiding 'vergoddelijkte toren van vlees'. En daarmee zijn we terug bij de passage waar het om begonnen was. Want Paulus verbindt immers dit 'vlees' met het mystieke lichaam. Het huwelijk tussen man en vrouw symboliseert de verhouding tussen Christus en zijn gemeente, en de gemeenschap der gelovigen wordt voorgesteld als een mystiek lichaam met Christus als het hoofd. 'Ongeborenen, levenden, doden, allemaal maken we deel uit van één familie, één lichaam', realiseert Gijselhart zich, wanneer hij in het gezicht van zijn kleinzoon kijkt. Daarin zijn de twee kanten waarnaar het mystieke lichaam zich uitstrekt, in de ruimte en in de tijd, samengevat.

De rondspokende geest kan op grond hiervan beschouwd worden als een dienaar van de Geschiedenis. Hij bedient zich van de Paulinische metafoor van het mystiek lichaam omdat zijn doel met dat prachtige beeld gediend is. Het gaat hem erom een bezielend verband tussen de mensen te behouden, zodat de Geschiedenis zich zal kunnen blijven voortzetten. Hij moet voorkomen dat de mensheid uiteenvalt in een zielloze hoeveelheid individuen. De eeuwenoude traditie van de kerk heeft een hoofdrol gespeeld in die bezieling. De geest bedient zich van de taal van de religie, omdat de mensen die kennen. Prediking, exegese en liturgie hebben de woorden van een geheiligde betekenis voorzien.

Voor de deur van het huis in Brussel is een nis met een Heilig-Hartbeeld. Het hoofd van de Heiland is afgebroken en ligt ernaast. De achteloosheid waarmee de zojuist getrouwde Scott verklaart dat het wel zo moest, omdat het beeld anders niet in de nis paste, is symbolisch voor de nonchalance waarmee Liliane en hij met de geheiligde woorden omgaan. 'Dit is gebeurd opdat de Schrift zou vervuld worden. Van zijn gebeente zal niets worden verbrijzeld' herinnert Broer zich als hij het gebroken beeld passeert. Het zijn de woorden van Johannes, als hij het sterven van Jezus beschrijft (Joh.19;36). Op zijn beurt verwijst Johannes naar een profetische passage uit het Oude Testament.

De Schrift moet vervuld worden. Daar is het de geest om te doen, omdat kennis van de Schrift het bindende element tussen de mensen is, dat ervoor kan zorgen dat de Geschiedenis haar weg door de tijd kan vervolgen. Scott en Liliane voelen de geheiligde betekenis van het huwelijk allengs zwaarder op zich drukken. 'Er hing een stilte die druilde van de vraag waar ze nu in 's hemelsnaam aan begonnen waren. (...) Het moest geweest zijn uit angst, dacht Broer nu, angst voor de heilige woorden die ze ijdellijk in de mond genomen hadden, dat de echtelieden hun bruidsnacht liever niet alleen doorbrachten.' In die stilte neemt de geest het woord, als je dat zo kunt zeggen, om de gebeurtenissen weer richting geven

In de door Broer gememoreerde beschrijving van de gekruisigde Christus benadrukt de evangelist Johannes dat er letterlijk gebeurt wat er geschreven staat. De afgelopen tweeduizend jaar is veel strijd geleverd om een zo nauwkeurig mogelijke uitvoering van de bijbelse moraal aan de mensen op te leggen. In de schisma's, oorlogen en verzuiling die dat opleverde, is de mensheid eerder verdeeld geraakt dan dat zij tot één mystiek lichaam gevormd is. Uit Mystiek lichaam spreekt een andere intentie dan die van Johannes. Het belang van het vervullen van de Schrift blijkt in de eerste plaats het vervullen zelf te zijn, en de samenwerkende gemeenschap die daarvoor noodzakelijk is.

De gemeenschap eisende geest veroordeelt in de Tobiasnacht niet de curieuze ménage à cinq zelf, maar de passiviteit waarin het vijftal vertoeft. En over de Geschiedenis, wier dienaar de loop der gebeurtenissen tracht bij te sturen, wordt expliciet verteld hoe behaaglijk zij zich nestelde in de geschiedenis der Gijselharten, na de bevalling van Magda - al is zij ongehuwd en de vader van haar kind geen christen. 'Want wat is er mooier dan een verhaal over dat zwervende ingewand, de schoot, dat dier in een dier, zoals de Ouden de baarmoeder noemden, dat tegen alle verdrukking in ruim baan maakt voor de Geschiedenis en haar trouwste bondgenote is?'

In Mystiek lichaam wordt allerminst kerkelijke propaganda bedreven. De manier waarop met het begrip Drievuldigheid wordt omgesprongen en de andere voorbeelden van religieuze beeldspraak, gaven al aan dat uit de roman als geheel een vrijelijke omgang met de canonieke bronnen spreekt. Diezelfde omgang bepaalt de titel van de roman, die niet toevallig zal overeenstemmen met die van de pauselijke encycliek uit 1943 over de vorm en inhoud van het christelijk huwelijk.

Hierdoor worden deze bronnen, die ook voor ongelovigen en agnosten oriëntatiepunten in denken en spreken kunnen zijn, enerzijds voor de vergetelheid behoedt, en anderzijds gerelativeerd. Dat de kerkelijke moraal na al die eeuwen als absolute waarheden in het geheugen van de mensen beklijft, is een consequentie van het constante gebruik van die kerkelijke taal, waarvoor op andere plaatsen in de roman juist gewaarschuwd wordt. De 'heilige woorden' mogen niet zomaar gebruikt worden, maar ze mogen evenmin klakkeloos tot dogma's worden verheven.

Er is niet slechts één waarheid die vanuit het Vaticaan achter de titel Mystiek lichaam geplaatst kan worden; betekenis staat niet vast voor Kellendonk, maar moet telkens opnieuw gegeven worden. De kracht van de geloofsgemeenschap is gelegen in het gezamenlijk zin geven aan de woorden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden