Die ene zomer waarin alles mogelijk lijkt

7th district. Boulevard des Invalides. Beeld Hollandse Hoogte / Magnum Photos

Na 1967 volgden natuurlijk nog tal van Summers of Love, die de betrokkenen zich met evenveel weemoed herinneren. Heel even leek alles mogelijk, al lag deceptie op de loer. Drie verhalen en drie zomers: in Frankrijk, Berlijn en Amsterdam.

Woodstock revisited

‘De jaren tussen je 15de en 25ste brandmerken je’, schrijft Nelleke Noordervliet. Voor haar waren dat de sixties, in het bijzonder een hete zomer in Zuid-Frankrijk.

Ik ben voorzichtig met het ophalen van herinneringen. Ik haat de zelfvertedering waarmee oude mensen de hoogtepunten van hun leven presenteren voor een jong en verveeld publiek. Wees eerlijk: het stelde allemaal niet veel voor, behalve voor jezelf. En alle herinneringen verschieten met de tijd van kleur. Het pleintje van het dorp Woodstock, waar het fameuze festival niet eens plaatsvond, is nu een afdeling van de Efteling vol kabouters en trollen. Song and celebration teruggebracht tot een beduimelde platenhoes, lange grijze haren en een kapotte waterpijp. Scheer je weg met je nostalgie!

Gonna get my soul free
We are stardust

Het was ook de zomer van de maanlanding. Leuke tijd! In Vietnam werd flink gesneuveld. Door alle partijen en door veel vrouwen en kinderen. Dagelijks op het journaal, ongefilterde dood. Martin Luther King en Bobby Kennedy waren vermoord. In Parijs lag het plaveisel weer op de plage. De Russen hielden Praag in de nekklem. In Griekenland heersten de kolonels en in Spanje de fascist Franco. En wij maar protesteren en demonstreren. Getuige te zijn geweest van de sixties! Wow! Wees gerust: iedereen is getuige van zijn eigen tijd en altijd is die enerverend. Ergens tussen je 15de en je 25ste gebeurt het. Die jaren brandmerken je. Ik kan het niet helpen. De sixties waren dat dus voor mij.

I don’t know who I am, but life is for learning

Die zomer dus.

Ongelukkige liefdes stapelden zich op. De een heviger dan de ander. Seks en drugs en rock-’n-roll, zij het in bescheiden mate, de drugs dan. In een deux-chevaux naar het Zuiden. We zijn met ons drieën: mijn liefde van dat moment, Hugo, die sinds kort naast zijn warme gevoelens voor mij zijn onderdrukte homoseksualiteit heeft ontdekt en onderzoekt, de jongen op wie hij zijn amoureuze pijlen richt, die Gijs heet, heteroseksueel is en verwikkeld in een affaire met een grillig, mooi meisje uit Bazel maar niet vies van aandacht en experimenten, en ikzelf, op dat moment innerlijk bijeengehouden met nietjes en plakband.

I have come here to lose the smog
And I feel to be a cog in something turning

Hugo rijdt, want Gijs en ik hebben geen rijbewijs. De weg door Frankrijk is lang: nog niet veel autoroute. Dakje open. Hitte. Ik zit achterin en kleef aan alle kanten, motor en wind maken het geluid van een zwerm woedende bijen. ’s Avonds heel laat komen we aan bij het vakantiehuis van Hugo’s ouders, een oude boerderij iets ten noorden van Montpellier. Er is niemand. Het is aardedonker. Maar dan echt aardedonker. Geen hand voor ogen. Tot het zachte licht wordt aangeknipt. Chique landelijkheid, Huug komt uit een gegoede familie. Mijn geliefde verdeelt de slaapplaatsen: ik in de logeerkamer, hijzelf en Gijs in de master bedroom.

We are stardust
Billion year old carbon
We are golden

Licht uit. Ik lig lang wakker. Zelfs als mijn ogen aan de duisternis zijn gewend, zien ze niets. Ik hoor ook niets. Ik ben afgekoppeld van de wereld. Ik zweef in een interstellaire ruimte. Mijn tong groeit, zwelt. Hij vult mijn schedel. Mijn schedel dijt uit. Ik dij uit, tot de grenzen van het heelal. Dan word ik slaap, ik val diep als de dood.

Well maybe it is just the time of year
Or maybe it’s the time of man
I don’t know who I am

Een kier zon valt door de gesloten luiken. Ik sta op en stap naar buiten in een tuin vol licht en lavendel, in de verte de ruige Cevennen. De cicaden snerpen hun zonnegroet. Er is niets anders dan dit. Dit is mijn ruimte. Dit is mijn tijd. Ik weet dat ik besta, zoals ik het nog niet eerder heb geweten. Het gaat buiten vreugde en verdriet om. Ik ben. Dit zal ik mij onverkleurd herinneren tot mijn dood. Bij John Berger las ik dat de tijd zich om je heen vormt als een ‘placenta for dying’.

Nog even en ik word naar de dood geboren.

We have got to get ourselves back to the garden

Hugo is zijn eigen weg gegaan, langs vele goeroes en meditatiecentra, een permanente zoektocht naar de kern van zijn ‘ik’. Daar is hij nog steeds niet aangekomen. Hij verbrak alle banden, zegde vriendschappen op, verdween van de radar. Op het internet ontbreekt ieder spoor. Gijs schijnt een onopvallend bestaan te hebben geleid, dat met Google niet in kaart is te brengen.

Velen die mijn leven deelden in die Summer of Love ben ik uit het oog verloren. We gingen onze weg, gebukt onder de verantwoordelijkheid voor een betere wereld. Die niet kwam. Mijn generatie was een golf die aanspoelde en zich nu weer terugtrekt, een voor een plukt de dood ons weg. Wat we de wereld brachten, blijft achter als schuim op de vloedlijn.

We were caught in a devil’s bargain
Stardust
Golden
Bombers
Butterflies

Nelleke Noordervliet (1945) is schrijver en columnist in Trouw. De citaten in de tekst zijn uit ‘Woodstock’ van Joni Mitchell.

Tekst loopt door onder afbeelding

Nelleke Noordervliet Beeld Nelleke Noordervliet

Ontdekkingsreizigers

‘Na de val van de Muur lag een verdubbelde stad aan onze voeten.’ Andrea Bosman zwierf in de zomer van 1990 met medestudenten door een ongekend opwindend Berlijn.

Onlangs vond ik ’m terug, een beetje vreemde foto van mezelf. Hij is genomen op 30 november 1989. Dat weet ik, want dat staat op het bord waarvoor ik zit, in die typisch ouderwetse Duitse typografie: ‘Berliner Weihnachtsmarkt’, en dan de datum. Ik zit wat in elkaar gedoken in een winterjas en kijk met grote ogen in de camera. Dicht tegen me aan geschoven zit de Kerstman: een jonge kerel in een rood pak met een witte wattenbaard en dito wenkbrauwen, van wie ik me herinner dat hij - midden op de dag - een beetje dronken was. De Kerstman bevond zich ergens in een tentje tussen de worsten en Lebkuchen op een nogal uitgestorven kerstmarkt in wat toen nog officieel Oost-Berlijn heette, aan de voet van de Fernsehturm.

Tekst loopt door onder afbeelding

Een stelletje zoent voor de Brandenburger Gate om te vieren dat West-Duitsland en Oost-Duitsland weer bij elkaar hoorden. Beeld Hollandse Hoogte / Magnum Photos

Ik woonde sinds september met een studievriendin in West-Berlijn om twee semesters aan de Freie Universität te studeren, en sinds 9 november, de nacht dat de Muur viel, stond mijn historisch bewustzijn op scherp. Ook nu weer. Deze ietwat treurige DDR-Kerstmarkt, die stond hier nu voor het laatst. Niemand wist nog precies hoe het verder ging, maar dat deze Kerstman hier over een jaar nog zo zou zitten, die kans leek me bijzonder klein. Al was het wat ongemakkelijk, ik wilde per se met hem op de foto.

Alles in Berlijn was in die laatste maanden van 1989 en de eerste van 1990 ongewis en uitzonderlijk. Ik mocht met mijn Hollandse omafiets dagelijks bij Checkpoint Charlie de grens over - voor vijf mark en een stempel in mijn paspoort. Ik had via via een baantje gekregen bij de visumafdeling van de Nederlandse ambassade in Oost-Berlijn, waar voorheen gemiddeld drie geprivilegieerde DDR-burgers per week langskwamen. Maar nu iedereen eindelijk vrij mocht reizen, stonden er dagelijks honderden mensen voor de deur, die hoofdzakelijk naar de Keukenhof wilden.

Dat visum, dat moest dus nog wel voor DDR-burgers. Hoe lang nog wist niemand, maar ondertussen speelde ik mijn rol in deze absurde bureaucratische klucht maar al te graag. Het gevoel van erbij zijn, vooraan staan.

Het werd voorjaar. Er lag een verdubbelde stad aan onze voeten, waar alles nog ontdekt en veroverd moest worden. We gingen naar de Müggelsee, of namen een willekeurige S-Bahn tot het eindpunt, voorbij Pankow in het noorden en verder, om in exotische kleine gehuchtjes zonder verharde wegen uit te stappen. In de schaarse uitspanningen die je daar vond, maakten we kennis met Soljanka, Russische maaltijdsoep. Of we gingen juist de andere kant op, naar Potsdam, en vergaapten ons aan de ietwat verwaarloosde paleizenpracht aldaar. Overal bezagen de oorspronkelijke bewoners ons met enige schuchterheid. Ontdekkingsreizigers voelden we ons.

In Oost-Berlijn zelf stonden veel panden, ja halve straten leeg, verlaten door al die burgers die de zomer voor de Wende waren weggetrokken, via Hongarije naar West-Duitsland. Aan de Oranienburgerstrasse werd ‘Tacheles’ gekraakt, de duistere kruip-door-sluip-doorruïne van een voormalig warenhuis, waar je via half ingestorte trappen van de kelder tot aan het dak kon dansen. Tenminste, als je stevige schoenen aantrok. Ongehoord opwindend was dat.

Het werd zomer. We bleven de stad doorkruisen. De Love Parade was toen nog piepklein. Voor 2000 mensen predikte dj Dr. Motte wereldvrede, verdraagzaamheid en naastenliefde, de oorspronkelijke basis van het latere technofeest voor miljoenen. Mijn zus kwam naar Berlijn omdat op de Potsdamer Platz, toen nog een woeste leegte, Pink Floyd ‘The Wall’ zou spelen. Een groots, symboolzwanger spektakel dat iets ongemakkelijks had, maar waar we toch absoluut bij wilden zijn, voor ik weer naar Nederland ging.

Ook op de universiteit werden kraakplannen gesmeed. Wij sloten ons aan bij een groep studentes van genderstudies die hun oog op een pand in Prenzlauer Berg hadden laten vallen. Eenmaal bij het pand bleek er net er een andere groep krakers gearriveerd. Uren werd er, naar goed Duits gebruik, fel gediscussieerd; twee groepen tegenover elkaar in een verlaten woning, over wie het meeste recht had op het pand. De vrouwen, of de andere groep, die er net iets eerder was geweest. De vrouwen vonden dat ze sowieso recht op het pand hadden, gewoon, omdat ze vrouw waren.

Ik herinner me dat die middag de eerste barstjes in mijn euforie over al die eindeloze mogelijkheden kropen. De grimmigheid van de discussie, mijn neiging om naar de andere groep over te stappen, gedachten die afdwaalden naar de mensen die hier ooit woonden en besloten hadden hun leven hier op te geven. Mensen over wie niemand het hier nog had. Van ontdekkingsreizigers waren we kolonisten geworden.

Andrea Bosman (1968) is chef van zaterdagmagazine Tijd.

Tekst loopt door onder afbeelding

Andrea Bosman in Berlijn Beeld x

Tina, Vesa, Edwin en ik

‘Als er al mensen waren die al die homo’s maar niets vonden, dan waren ze zo sportief geweest de stad te verlaten.’ Harmen van Dijk beleefde zijn Summer of Love in 1998.

Misschien moet je een van ons zijn om meteen dat gevoel te krijgen als het gaat over de zomer van 1998. Wij krijgen een dromerige blik in onze ogen: ach ja, die gouden dagen in Amsterdam, toen we hand in hand liepen, omhelsden en zoenden zonder erbij na te denken. Toen onze vlaggen wapperden, wij ons de norm voelden, voor even. Maar vooral ook dat de anderen meededen, inhaakten, vrolijk waren mét ons. Dat we allemaal vriendelijker, feestelijker en vrijer waren.

“Gay Games? Sporten homo’s anders dan hetero’s?” vroegen de anderen vooraf pesterig. Nee, natuurlijk niet. Of wel, ik zou het niet weten, want ik deed niet eens aan sport. Daar ging het ook helemaal niet om. Die wedstrijden waren enkel een aanleiding voor een groot internationaal evenement, met duizenden bezoekers uit de hele wereld. Overal waren feesten, iedere avond een concert op de Dam, dansen tot het ochtendgloren in clubs en cafés. Er was een uitgebreid cultureel programma - alle theaters en musea deden mee. Maar ook dat was niet het punt.

Tekst loopt door onder afbeelding

Tijdens de Gay Games in 1988. Beeld Hollandse Hoogte / Co de Kruijf

Het ging om Tina Machida, die onder de bomen bij het Leidseplein vertelde over haar strijd in Zimbabwe. Ze was speciaal uitgenodigd, als voorzitter van de piepkleine, dappere homobeweging in dat land. Haar moeder wilde haar niet meer zien, haar vader gelukkig wel. Ze vertelde hoe ze was aangevallen door een groep mannen en hoe ze zich met een mes had moeten verdedigen toen ze haar wilden verkrachten. Hier in Amsterdam voelde ze zich veilig en vrij. Van een politieagent had ze een kaartje gekregen met de tekst: ‘Proud to be your friend’. Dat kon ze nauwelijks geloven.

Het ging om Vesa, de Finse gewichtheffer die, nadat hij de wedstrijd had gewonnen, met de gouden medaille om zijn nek bij de tramhalte uitbundig werd gefeliciteerd door de andere wachtenden. “Een moeder en haar dochter vroegen of ze de medaille even mochten aanraken. Zomaar, mensen die niks met het evenement te maken hadden.”

Het ging om de Indiase met de hennatatoeage op haar voorhoofd, die haar naam niet wilde vertellen en ook niet op de foto wilde, omdat thuis niemand wist dat ze lesbisch was en niemand dat ooit te weten mocht komen. Verwonderd vertelde ze over de vrijwilligster die haar onderdak bood. “Ze is niet lesbisch en toch is ze zo aardig voor me. Voor haar maakt het helemaal niets uit.”

En het ging om Edwin uit de Willemsstraat, die mij op de stoep voor de Amstel Taveerne een biertje aanbood. Hij woonde weliswaar zijn hele jonge leven al in Amsterdam, maar op zijn werk - hij was heftruckchauffeur in een distributiecentrum - durfde hij niet te vertellen dat hij homo was. Hier aan de Amstel dansten we op straat.

Ik weet dit nog zo precies omdat ik het allemaal opschreef, destijds. Ik was net 26 en werkte sinds twee jaar bij deze krant. Mijn chef had bedacht dat ik de aangewezen persoon was om verslag te doen van dit evenement. Ik was immers een van hen, dus ik zou de verhalen makkelijk vinden, was zijn idee. Voortdurend was ik in de stad, overal stond ik vooraan; bij de openingsceremonie in de Arena, bij het culturele spektakel in het Stedelijk Museum. Ik hing rond bij de Stopera waar alle deelnemers uit binnen- en buitenland zich verzamelden en zwierf door de straten, sprak met vrienden en wildvreemden. Ik feestte en werkte en voelde een groeiende trots - op mijn stad, haar bewoners en mezelf.

Op de afsluitende persconferentie concludeerde burgemeester Patijn geëmotioneerd dat het een doorslaand succes was geweest, zonder één wanklank. De politiechef meldde dat de criminaliteitscijfers lager waren geweest dan anders, ondanks de honderdduizenden bezoekers. Dat de extra agenten die opgetrommeld waren, uiteindelijk maar waren ingehaakt in het feestgedruis. Als er al mensen waren die het maar niets vonden, al die homo’s, dan waren ze zo sportief geweest de stad tijdelijk te verlaten.

Misschien moet je een van ons zijn om er, twintig jaar later, nog steeds kippevel van te krijgen. Ik denk dat we het gevoel hadden dat dit het begin was van een verandering. Dat we vanaf nu echt konden samenleven, met al onze verschillen, in deze prachtige stad. We waren net als de hippies, dertig jaar eerder, die ik altijd zo aandoenlijk naïef had gevonden met hun bloemenkransen en hun dromen van wereldvrede. Net als uit hun Summer of Love kwam uit de onze niets blijvends voort. Het was uiteindelijk maar een week, een gouden week, gestold in de tijd.

Klinkt dat bitter? Als ik de stad nu bekijk, kan ik haast niet anders dan teleurgesteld zijn. De sfeer is grimmiger geworden, soms is het ronduit link om jezelf te zijn. Toch gun ik het iedere groep, iedere generatie; zo’n zomer waarin je even een glimp mag opvangen van een mooiere wereld.

Harmen van Dijk (1972) is redacteur van zaterdagmagazine Tijd.

Tekst loopt door onder afbeelding

summer of love Beeld RV

Reageren

Wat was voor u de Summer of Love? Stuur uw reactie, maximaal 120 woorden, naar zomertijd@trouw.nl o.v.v. naam en woonplaats.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden