Dick Manten Erik Wobma

Voor Dick en Hans

Peter van der Lint

VERVOLG van een dramatische, redactionele kantoorkomedie voor twee heren in een aantal voorspelbare scènes

De heer Masselink (krijgt in de gaten dat verder protesteren geen zin heeft, schuift de rommel op zijn bureau wat aan de kant, en neemt een defensieve houding aan):

“Ja, en een beetje snel graag; ik heb nog meer te doen?”

De heer Manten (ruikt zijn kans, en laat zich ironisch en met onverholen spot ontvallen):

“O ja? Goh! Op uw leeftijd?”

De heer Masselink (negeert de ondertoon in de stem van de heer Manten en vraagt zijn muziekredacteur wat op te schuiven, omdat de heer Manten zijn maandelijkse ding komt doen, geperst tussen de bureau’s van de chef Kunst en dat van de redacteur klassieke muziek in):

“Niet te veel ruimte innemen, ja?”

De heer Manten besluit die opmerking niet te horen – in het vierde deel van de Tweede van Brahms wordt spannend opgebouwd naar de laatste maten – en wisselt een blik van verstandhouding met de redacteur klassieke muziek. Hij schuift een stoel bij en wat zich dan ontwikkelt laat zich het best omschrijven als een ijzersterke scène uit The Muppet Show, een scène van de twee oudere heren in de loge.

De zogenaamde irritatie, onbegrip en onmin wordt geniaal uitgespeeld. Want deze twee heren mogen elkaar maar wat graag. Ze zullen elkaar en hun maandelijks ritueel nog gaan missen.

Net als ik.

Bijna 30 jaar samengewerkt. Veel lief en leed gedeeld. Het leek wel een huwelijk. Maar wel een heel gelukkig huwelijk

Jouw afscheid komt niet onverwacht

Toch weer sneller dan gedacht

Wie moet mij nu Alkmaars kaasmeisje noemen?

Of – op vrijdagochtend – eenzame vrouw?

Nooit meer je plakband horen zoemen.

Of m’n eerste bakkie koffie van je krijgen

Heet dit nu rouw?

Het ga je goed Dick!

Wat hadden wij gemoeten zonder Dick! Velen zien in hem de pater omnipotens van de declaraties, van Mozart, en van de kopieermachines. Maar eigenlijk, héél eigenlijk, is hij gewoon een lieve brombeer. En diep in mijn hart ben ik blij dat ik het Dick-loze tijdperk zelf niet meer mee hoef te maken.

Het meeste contact met Dick Manten kwam veilig via de telefoon tot stand. Gezeur over declaraties of het opsturen van krantjes werd door Dick altijd met grote vrolijkheid ontvangen. ‘Zit je weer lekker in je living in Zaltbommel?’, was een veelvoorkomende spottende openingsvraag. ‘Nee, heerlijk in het zonnetje in de tuin’, kon hij dan verwachten. Dick vond het allemaal best, op voorwaarde dat ik op tijd mijn ‘opstel’ zou inleveren.

Ik weet niet precies wat er met de functie van Dick gaat gebeuren, maar ik vrees dat ik straks tegen een computer met keuzeprogramma aan zit te praten. De krant zal het wel redden zonder onze slap-gelul-gesprekjes. Maar ook dit valt onder de verschraling in dit bedrijf.

De collega die .... Ja, wacht eens even. Die had toch al weg moeten zijn? Heeft jarenlang alleen maar geld uitgegeven en ons nu opgescheept met bezuinigingen en reorganisaties. Heeft ons zoveel hartverzakkingen bezorgd dat je daar wel tien metrolijnen voor kan bouwen. Verbanning naar Rotterdam is de enige remedie. Liefst naar de papierkelder. Ik had je inderdaad nooit naar het INIT moeten brengen.

Dick is naar mijn beleving ergens ver voor de Tweede Wereldoorlog bij de krant aangenomen door ing. O. Postma, de duiten tellende directeur die wij vrij algemeen Ping O. Postma noemden. Tenminste, Dick was er al toen ik bij de krant begon.

Hadden wij behoefte aan een rustpunt op de redactie? Je kan op z’n minst vaststellen dat de oude aparte kamer van zijn redactiesecretariaat, aan de smoezelige entreegang in het gebouw Wibautstraat, veel had van een mediatief stiltecentrum in een rommelige wereld. Een klassiek Manten-muziekje aan, een namiddagzonnetje scheen door de ramen, dat was effe wat anders dan de hectiek op ‘Zaal’, zoals de grote centrale redactieruimte door sommigen zo vreselijk was gedoopt. In de huidige vissenkom was dat onderscheid tussen de Mantensfeer en de rest van de redactie niet meer haalbaar. Dick, ik zal je missen.

Wat is Trouw zonder Dick? De meeste mensen kijken je raar aan als je zegt dat de financieel administrateur de ziel van het bedrijf is waar je werkt. Maar hoeveel van zulke cijferaars zijn zoals Dick? Wie van hen gaat zo herderlijk om met het personeel, zo rechtvaardig, zo pastoraal, wie komt, zoals hij, op het juiste moment steeds met een passend Bijbelcitaat of ander stichtelijk woord? Dick kent iedereen, en iedereen houdt van Dick. In welke zin, dat is misschien wél de vraag. We weten nog niet wat met name jonge mannelijke stagiaires later nog eens zullen openbaren over hun leerjaren bij dit protestant-christelijk dagblad. Maar tot zij uit de school klappen is Dick voor mij heilig.

Ik had dan ook het voorrecht de laatste zes, of is het al zeven jaar tegenover Dick te zitten. En wat een steunpilaar was hij! Samen konden wij klagen over de nieuwe werkplek zonder uitzicht en terugverlangen naar de goudkleurende platanen en wolkenpartijen waar we in de Wibautstraat op uit keken. Samen konden we mopperen op columnisten en, politici en andere hoger geplaatsten. Waarbij Dick mij in kennis van de landelijke én Amsterdamse politiek verre de meerdere was. Feilloos wist hij machthebbers van allerlei slag terecht te wijzen: Nee, híer ging die en die toch echt te ver. Aan Dick is een politiek commentator verloren gegaan.

En een muziekrecensent natuurlijk! Zijn commentaren op dirigenten, sopranen of organisten gingen mij letterlijk én figuurlijk boven de pet, ze waren dan ook gericht tot de tafel áchter mij: aan muziekkenner Peter van der Lint.

Kortom: Trouw heeft nog maar een deel van zijn kennis aangesproken, en toch blijven wij straks na zijn vertrek ontzield achter: verweesd zonder zijn milde terechtwijzingen: „Nee, lieverd, die bonnetjes moet je áchter het formulier nieten.”

Het was in mijn herinnering een dagelijks ritueel. Klokslag 12 uur - vergeef me als het half twaalf was - meldde zich de heer Manten bij de burelen van de kerkredactie om collega Bert Klei op te halen. Bert, toen ik bij de krant begon de enige die nog op een typmachien tikte, was dan klaar met zijn stukkie en blijkbaar hongerig. Samen verdwenen beide heren naar de kantine in de Wibautstraat, waar Dien ze voorzag van de lunch. Als jonge verslaggeefster begreep ik daarmee direct dat Dick niet zomaar een anonieme meneer van een secretariaat was, maar iemand die ertoe deed. Want Bert Klei: dat was een begrip en als je elke dag met Bert ging lunchen, moest je wel echt iemand zijn. Sinds die tijd, nu meer dan 20 jaar geleden, hoort Dick voor mij onlosmakelijk bij de krant. Dat hij vertrekt is ondenkbaar en of het zal wennen? Ik denk het niet. Dick, ik ga je missen, het ga je goed.

'Wel netjes terugbrengen, he?', hoorde ik je altijd zeggen wanneer ik weer eens een toilettas met autosleutel bij je kwam ophalen. Jouw grappige opmerkingen en collegialiteit zullen we gaan missen bij Trouw.

Het allerbeste gewenst voor de toekomst! Groetjes,

De meeste journalisten - ik zonder mezelf daarbij niet uit - gelden als notoire sloddervossen. Of het nu gaat om lege koffiekoppen, rondslingerende kranten, of volle asbakken in de jaren waarin roken aan het bureau nog mocht, onze beroepsgroep heeft een slechte reputatie. Dat geldt ook voor het bijhouden van administratieve zaken, vrees ik. Wat een geluk dat er in Amsterdam iemand zat die er altijd voor zorgde dat declaraties keurig op tijd werden uitbetaald, nadat eventuele ongerechtigheden eruit waren gehaald. Om nog maar te zwijgen van andere zaken die je tussendoor soepeltjes regelde. Vaak gold je als laatste hoop als ik zat met vragen over de soms ondoorgrondelijke gang van zaken binnen Perscombinatie/PCM, en het antwoord kwam steevast op opgewekte toon. Dank je wel daarvoor, het ga je goed.

Hartelijke groet,

Beste Meneer Manten,

Het is afgelopen met Amsterdam. Het boek is uit. Tijd om van het leven te genieten. Op naar die mooie stad aan de Nieuwe Maas, de flonkerende Erasmusbrug, de gezellige terrassen van hotel New York, Boymans, de geweldige wolkenkrabbers, de Kuip, de Koopgoot, de cafés langs de rivier (Ballentent), een nieuwe leven, het échte leven. Weg met die zooi van de Noord/Zuidlijn, de Kinkerbuurt, de Baarsjes en het IJ en meer van dat soort nutteloze projecten. Weg van de Arena, van de Dam, van al die verdorven geesten, op naar Jules Deelder, de nachtburgemeester, op naar de enige wereldstad die de wereld kent, mijn én jouw eigen Rotterdam. Welkom thuis in die stad.

„Heb je even voor mij, kind? Na de lunch? Goe-hoed.”

„Zo, ben ik dan, met het grote rode boek. 3 maart, pagina 9, een Verbijtje, wat geef je er voor?”

„Gut, wat gul, 450. O, het zijn geen euro’s maar aantal woorden? 200, nou, daar moet ie het maar mee doen, dan.”

„Geruchtje van Erdal, onze troetelturk. Heerlijke jongen toch.”

„En Timmetje, ach Timmetje, op de 13. Mocht ie ook weer eens schrijven over die Australische bosbranden.”

„Soehair uit Gaza, kind, je wilt niet weten hoeveel moeite het kost om dat geld daar te krijgen. Laten we maar ineens wat meer doen, via de Western Union.”

„O, dan nog wat onkosten. Moet je dit zien, 40 pagina’s gescande Chinese bonnen, haha. Ja teken maar, kunnen we toch niet lezen.

„En zit je die collega van je nog even achter de broek? Want wel een voorschot en niet e-synergy invullen, dat willen we allemaal wel.”

Dick, ik zal onze halfmaandelijkse rituelen missen. Geniet van je vrije tijd!

„Lieve kind, hoe gaat het nou in Rotjeknor? Zijn ze daar al een beetje bekomen van de nederlaag van Feyenoord?” Eén van de standaard openingszinnen van Dick Manten op maandagmorgen, als de Rotterdamse club weer eens een gevoelige nederlaag had geleden. En vooral wilde hij dan weten hoe het psychisch gesteld was met ’de heer Vermaat’. „Doe je wel een beetje aardig voor hem, vandaag...” En als we dan ook nog de zondagse kerkdienst hadden besproken, waren we weer helemaal klaar voor de week.

Hoe dat nu voortaan moet, weet ik niet.

Dick, ik wens je nog heel veel gelukkige jaren toe.

Die kerk van ons, wordt dat nog eens wat?

Goeie vraag Dick.

Met meer Manten in het Vaticaan zou het de kerk vast beter vergaan. Zoiets.

Jeetje Dick, wie moet er straks, als jij weg bent, die iets te amicale arm op mijn schouder leggen? Ik zie je vast nog wel in Bairro Alto, op het terras bij Pessoa.

Onder dat gereformeerde laagje schuilt ten diepste toch roomsche blijheid en joie de vivre. Blijf op die golflengte afgestemd, Dick!

Dick, valse nicht. Tegen maar weinig collega’s bij Trouw kon ik jarenlang zo prettig aanschreeuwen en schelden. Je hebt onlangs gezegd, ik hoop dat jullie bij mijn afscheid zingen: ‘Dat ik doch vroom mag blijven, uw dienaar t'aller stond, de tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt.’ Inderdaad, met jouw opstappen verdrijven wij de tirannie, maar wel één van het prettigste soort. Milde, vrolijke, humorvolle, vileine tirannie. Wat zullen we het missen, dat verbale, treiterige zweepje van Dick Manten. Ik wens je een lang, mooi leven toe.

Eerste Coehoornstraat. Uitchecken, sprong op grijs-gele halte, diagonaal fietsend tuig ontwijkend, over fietspad naar het parkje gemarkeerd met vijf Drentse zwerfkeien. Op naar fontein van roze-rode Portugeesstenen bal verzonken in rechthoek, langs grasveld waar honden dollen. Vijf trappen de krokussen plat. Door een verscholen poort langs pakhuis. Het bedrijventerrein en Init in zicht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden