Dichter, werk volgens het boekje

Ja, dichter F. Starik is best blij met de beurs van het Nederlands Letterenfonds. Maar, meent hij, als je naar de regels van het fonds werkt, dan krijg je gedichten die niet te lezen zijn omdat ze moeilijk doen, en poëzie die moeilijk doet omdat ze toch niet wordt gelezen.

F. Starik (1958) is dichter en schrijver. Zijn Trouwcolumns 'Moeder doen', over een mantelzorger en zijn dementerende moeder, verschenen gebundeld onder dezelfde titel in 2013. Starik was de vierde stadsdichter van Amsterdam.

Dichters staan bekend als wereldvreemde armoedzaaiers, en ook het publiek schept behagen in het beeld van de eenzame ploeteraar op een onverwarmde zolderkamer. Dat publiek moet ik enigszins teleurstellen: een selecte groep dichters ontvangt - ondanks de recente bezuinigingen - van het Nederlands Letterenfonds nog altijd werkbeurzen voor het schrijven van hun bundels. Vorig jaar waren dat er 21, en een van hen was ik. Als zo'n werkbeurs wordt toegekend, of afgewezen, biedt het Fonds de mogelijkheid tot het opvragen van een nadere motivering van dat besluit.

Vermoedelijk wordt zo'n nadere motivering doorgaans opgevraagd door degenen die hun aanvraag zagen afgewezen; wellicht in de hoop dat er iets valt af te dingen op de beslissing, die naast op 'een werkplan' gebaseerd wordt op eerder verschenen werk. Al viel er voor mij niets af te dingen, toch was ik nieuwsgierig en vroeg het document op. Ik citeer daaruit: "Riskant wordt het wanneer u zich aan statements waagt die een voorzichtig moreel oordeel beogen. Op die momenten loert het gevaar van gemakkelijke 'effect-poëzie'. De bundel geeft humor en oorspronkelijke ideeën, maar de neiging om volgens het boekje af te ronden doet daaraan soms afbreuk."

Nu is alle poëzie op effect gericht - of zou dat moeten zijn. Ik houd van poëzie die niet moedwillig duister is, die ook begrepen kan worden door diegenen die geen vergelijkende literatuurwetenschappen studeerden, en ik heb er dan ook geen enkel bezwaar tegen, als de bal

toch al voor open doel ligt, die even binnen te tikken. Een voetballer kan op hoon rekenen wanneer hij nalaat te scoren, dus waarom mag een dichter dat niet?

Eigenlijk propageert het Fonds hier dus, namens de staat, een literatuuropvatting: het mag niet 'volgens het boekje'. De lezer mag niet achterblijven met een voldaan: 'Zo is het precies!'

En van mij mag dat dus wel. Ik vermoed dat de hedendaagse poëzie er baat bij zou hebben als er wat meer 'volgens het boekje' werd gewerkt. Een boekje dat natuurlijk helemaal niet bestaat, al wordt er haast dagelijks een handleiding met schrijftips uitgegeven, net zoals uitgaves die beloven 'leer koken in vijf minuten' terwijl het drie uur kost om dat afschuwelijke boek helemaal uit te lezen. Poëzie is, naast veel andere dingen, een verleidingskunst. Poëzie mag schmieren, zingen. Uit volle borst.

Poëzie hoeft niet tot het zinloze gepuzzel te leiden dat men graag een 'taalspel' noemt of de 'ontregeling' te dienen, hoeft niet te 'schuren' of te 'vervreemden', 'te vernieuwen' of te 'experimenteren', zoals het in het subsidie- en recensiejargon zelfs geldt als aanbeveling. De afwijking is de norm geworden. De anomalie het paradigma. De overtreding het gebod, dat zich boven ieder moreel oordeel verheven acht. Zo onthecht wil ik niet zijn, ik wil mijn werkelijkheid beschrijven en in die beschrijving begrijpen, aanraken, veranderen. En daar desnoods een - al dan niet voorzichtig - moreel oordeel aan verbinden. En ik wil daarin zo effectief mogelijk zijn.

Woorden verwijzen per definitie naar het reëel bestaande - al vallen ze er niet mee samen, op het woord stoel kun je niet zitten - taal is geschapen om de wereld mee te duiden, zoals gereedschap altijd is bedoeld om de dingen mee te repareren of juist stuk te maken. (Of klets ik me nu vast, en noemen we gereedschap dat onbruikbaar is gewoon kunst, zoals de zinloze machines van Jean Tinguely niets voortbrengen - behalve dan een hoop gepiep en geknars, de toeschouwer vervullend van een overweldigende en verrukte notie van totale zinloosheid? Natuurlijk, die poëzie bestaat óók, met als beroemdste voorbeeld de Sonate in Urlauten van Kurt Schwitters.)

Eind jaren tachtig - opa vertelt - studeerde ik aan de Rijksakademie en maakte ik een filmpje waarin ik een stuk of dertig overhemden uittrok, zeg maar alle overhemden die ik toen bezat, teneinde een zekere vorm van naaktheid te bereiken, onder het voortdurend mompelen van: "Ik zou een poëzie voor het volk willen schrijven" en ik meende dat. En later lukte het ook, een beetje, om dat volk te bereiken. U dus.

Hoe dan ook. Ik verlang naar een poëzie als popmuziek, iets wat je uit volle borst mee wilt zingen. In zekere zin is popmuziek poëzie, maar dan een poëzie mét publiek. Zoals The Who met 'My Generation' (Hope I die before I get old) hét statement voor de naoorlogse babyboomgeneratie leverde dat zich in het collectieve bewustzijn heeft verankerd, net zozeer overigens als Lucebert dat met enkele regels is gelukt: Alles van waarde is weerloos, of Remco Campert: Poëzie is een daad / van bevestiging. Ik bevestig / dat ik leef, dat ik niet alleen leef. Of, vorig jaar op Pinkpop: Stromae ook door mij in tranen meegezongen: Formidable. C'était formidable.

Mijn poëzie vertrekt altijd vanuit de gedachte dat er iets dringend gezegd moet worden, dat er iets met de wereld gedeeld moet, dat die wereld ervan zou opknappen als de wereld dit wist, iets wat ikzelf voor ik begon te schrijven ook nog niet wist, waarheen het gedicht me zal leiden: dat zijn de gelukkigste momenten in een dichtersleven. Ik vrees dat mijn poëzie altijd vertrekt vanuit een ontroering, een beeld, een ervaring, een gedachte, iets wat zich vastzet, verteld wil worden. Gezien wil zijn. Niet onopgemerkt mag blijven. Daar heb je het woord noodzaak. Poëzie is noodzakelijk.

Poëzie is een geneeskunst, net zoals popmuziek een geneeskunst is, wanneer het publiek op een festivalterrein haar anthem van dat jaar woord voor woord meezingt. De wereld is al ziek en raadselachtig genoeg. En u snakt naar de moraal van het verhaal: een verhaal zonder moraal is géén verhaal. Zo.

Maar. Een medicijn werkt alleen als het ook ingenomen wordt. En daar gaat het in de huidige tijd, in de poëzie dus, mis. Er is al vaker op gewezen: er zijn meer schrijvers dan lezers. De mensen, u dus, bereiden - zonder enige kennis van het recept - het medicijn (lees: het gedicht) massaal zelf, ze weigeren het kant-en-klaar in de juiste dosering aan te schaffen. En de apotheker (het Fonds) raadt de fabrikant (de dichter) af om het medicijn doeltreffend te laten werken, de mensen nemen het toch niet. De bijsluiter waarschuwt voor mogelijke bijwerkingen: gekantelde blik. Verscherpte waarneming. Ongemak. Verhoogde gevoeligheid. Wat u eerder als vanzelfsprekend voorkwam, wordt voortaan in twijfel getrokken.

En dat is gezond. Fonds, keer toch niet uw rug naar het publiek, dichter, kom eens uit die veilige toren waar u uw delicate, onbegrepen verzen bakt. Zo komen we nooit uit die klassieke Catch-22-situatie dat poëzie niet gelezen wordt omdat ze moeilijk doet en dat poëzie moeilijk doet omdat ze toch niet gelezen wordt. Dichter! Durf effectief te zijn, werk volgens het boekje, trek alle trucs uit de verleidingskast: je werkt tenslotte niet voor jezelf, maar voor je publiek!

Stariks tiende dichtbundel, STAAT, verscheen onlangs (Nieuw Amsterdam). Op de presentatie zongen onder anderen musicalster Martin van der Starre en Huub van der Lubbe (De Dijk). Dat had een reden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden