Dichter bij Mondriaan

Mondriaanjaar | interview | Piet Mondriaan is voor velen ongenaakbaar, lastig te benaderen. Kort voor de start van het Mondriaanjaar verschijnt een biografie door Hans Janssen die het werk toelicht vanuit het hoofd van de schilder.

Hij boog voorover en ging naar binnen door de lage voordeur. Hij hing zijn jas weg, liep naar de schildersezel en voelde voorzichtig met zijn vingers of het beschilderde doek droog genoeg was. Het wit had hij het laatst aangebracht, dicht tegen de grijze lijnen aan geschilderd. Het was droog. ....'

Er zijn geen verslagen van Mondriaans schildersessies in zijn hut op de Larense hei overgeleverd, laat staan van zijn gedachten. Toch opent de biografie die Hans Janssen, conservator moderne kunst van het Gemeentemuseum in Den Haag, van de schilder schreef met een heel precieze beschrijving van hoe Mondriaan in 1918 te werk zal zijn gegaan en wat hij zal hebben gedacht bij het maken van 'Compositie met grijze lijnen'.

De biografie 'Piet Mondriaan - een nieuwe kunst voor een ongekend leven' wijkt af van alle voorgaande biografieën van Mondriaan (1872-1944) door deze verregaande vereenzelviging met de schilder tijdens het werken. We horen Mondriaan denken, kijken, zoeken en uiteindelijk de kwast op het doek zetten.

Janssen kiest voor de vorm van de vie romancée. En hij is de eerste om te erkennen dat daar een aspect van fictie aan zit. "Maar", betoogt hij, nog voor we met een cappuccino in het museumcafé zijn neergestreken, "ook in de puurste wetenschap zit een fictionele component. Onderzoek met uv-stralen en röntgen klinkt wetenschappelijk, maar als je daarmee de intentie van de kunstenaar zegt te reconstrueren, hou je het publiek ook voor de gek."

Janssen - 62, bruin corduroy pak en zwart overhemd, jongensachtige pret in zijn ogen - is sinds 1991 door zijn werk in het Gemeentemuseum bij Mondriaan betrokken. Maar die band ontstond al veel eerder. "Mijn broer Sjef was naar een festival gegaan en teruggekomen met een affiche van 'De grijze boom'. Die hing hij boven zijn bed. Ik was negen jaar, en ging er vaak naar kijken. We vonden het thuis een verrassend schilderij. Mijn ouders namen de kinderen vaak mee naar tentoonstellingen, maar abstracte kunst was niet zo'n ding. Wel lagen er altijd tekeningenboeken van Leonardo da Vinci, Michelangelo of Rembrandt opengeslagen in huis. Beeld was er net zo alomtegenwoordig als voedsel. En als kind dacht ik al vaak: hé, dat is mooi. Dat kijken, dat is echt de familie Janssen.

"Maar Mondriaan was altijd te groot, te ver. Machtig interessant, maar onaanraakbaar. Je moest er verstand van hebben om ervan te kunnen houden, dacht ik. Ik hield gepaste afstand van hem omdat ik vond dat ik er onvoldoende van wist."

Voor veel mensen is die onbereikbaarheid van Mondriaan een sta-in-de-weg. Janssen: "Toen we in 1994 in het Gemeentemuseum een fantastische tentoonstelling van Mondriaan hadden - met afstand de mooiste tentoonstelling die ooit in dit gebouw is gemaakt - hadden we tachtig van zijn schilderijen uit Amerika gehaald. De hele wereld was superpositief. Alleen in Nederland was de reactie: 'als je één abstracte Mondriaan hebt gezien, heb je ze allemaal gezien'. Zo neerbuigend. Maar dat komt door die onbereikbaarheid. Inmiddels weet ik: Je hoeft niets van Mondriaan te weten. Het is zelfs beter van niet. Mondriaan wilde een universele schoonheid voor het oog zichtbaar maken. Als kijker moet je je er gewoon aan overgeven. Dan komt het vanzelf."

Om de onbereikbare Mondriaan voor meer mensen dichterbij te halen schreef Janssen deze biografie. Over Piets vader die zich kon verliezen in tekenen; over zijn schilderzwerftochten door de natuur; zijn discussies met de leden van De Stijl over theosofie en de relatie tussen het universele en de kunst; over zijn vriendinnen, zijn liefde voor de jazz en de dans; over zijn lichamelijke ongemakken en - enkele jaren voor zijn dood - zijn emigratie naar New York. En telkens zien we Mondriaan een revolutionaire stap zetten: een rode appelboom, een molen met een geel-blauwe achtergrond, een ruit met grijze lijnen en witte vlakken, twee dikke gele lijnen op een wit vlak en uiteindelijk de Victory Boogie Woogie met zijn swingende wirwar van lijnen en vlakjes.

Maar bovenal gaat deze biografie over wat we nu eigenlijk precies zien op de schilderijen. Janssen probeert de schilder een beetje toegankelijker te maken door in het hoofd van Mondriaan te gaan zitten en te beschrijven hoe die schilderijen ontstaan. In zijn visie gebeurt dat opvallend zoekend en tastend, zonder vooropgezet doel. De verblijfplaatsen, vrienden en vriendinnen, politieke omstandigheden van die tijd: het is voornamelijk couleur locale rond de totstandkoming van het werk.

Janssen: "De persoon Mondriaan is zonder zijn werk een vrij saaie man. Er lopen heel veel mannen rond die veel uitgaan, dansen en relaties hebben die de ene keer bevredigend zijn en de andere keer niet. Is dat bijzonder? Nee. Als bronnen heb je zijn brieven, zijn artikelen, de verslagen in kranten en van derden en het werk als bron. Mijn eerste bron is het werk. Mondriaan had syfilis. Zeker weten doe je dat nooit, maar ik heb vier, vijf artsen geraadpleegd. Die herkenden de symptomen van het tweede en laatste stadium. Ik heb het opgenomen in een noot. Want de syfilis zegt niets over zijn werk. Voor mij is dat net zo onbelangrijk als zijn schoenmaat.

"Daarom focus ik op dat werk. En alle brieven en andere bronnen gebruik ik om beter te leren kijken naar het werk. Om te snappen hoe in een hutje op de Larense hei een van de eerste abstracte schilderijen van de westerse geschiedenis tot stand komt. En om te snappen wat Mondriaans bedoeling was en wat het met de kijker doet. Mondriaan wilde dat men niet keek naar de verschijning van het schilderij - 'het lijkt op een theedoek', zei men toen al - maar naar de werking van de lijnen op het doek. Naar het spel tussen lijnen en vlakjes die naar voren komen en wijken. Naar de nauwelijks waarneembare verschillen waardoor er een ritmische structuur ontstaat. Ik vind dat een heel ontroerende, universele vorm van schoonheid. En dat had Mondriaan op het oog."

Ondertussen komt er uit dit boek een andere Mondriaan naar voren dan we altijd kenden.

Janssen: "Vanaf de jaren twintig werd hij gezien als een kluizenaar. Dat beeld werd toen al door Franse kranten verspreid. Maar dat is een cliché: eenzaamheid hoort nu eenmaal bij het imago van een kunstenaar. En dan maakte Mondriaan ook nog eens abstracte kunst. Hij zou vrouwenschuw zijn. Een houterige danser. Dat laatste klopt, hij danste Amerikaans. In New York zei een veel jongere danspartner dat hij de beste danser was die ze ooit had gehad. Toen was hij al in de zeventig.

"Maar Mondriaan was zeker geen kluizenaar. Hij kreeg aan de lopende band bezoek. En hij ging vaak uit. Alle belangrijke culturele gebeurtenissen woonde hij bij. Hij was bij de première van de 'Sacre du printemps' van Stravinsky, bij premières van Debussy, bij de grote tentoonstellingen van de futuristen. Alleen liep hij er niet mee te koop.

"Hij was ook helemaal niet arm in de jaren twintig in Parijs, zoals iedereen denkt. Ik heb alle inkomsten en uitgaven op een rijtje gezet. Hij had begin jaren twintig 5000 franc aan vaste uitgaven en zo'n 15.000 franc aan inkomsten door de verkoop van schilderijen. Ik denk dat hij heel veel champagne heeft gedronken."

In zijn zoektocht naar universele schoonheid zocht Mondriaan nogal eens zijn heil in esoterisch gedachtegoed: theosofie, antroposofie, boeddhisme. Kon u daarmee uit de voeten?

"Nee, ik word helemaal kriebelig van die esoterische rimram. Het helpt me ook niet bij het begrijpen van een schilderij als ik lees dat de keuze van het rood en blauw iets met mevrouw Blavatsky of Goethe te maken had. Want Mondriaans werk kwam vaak door 'doen' tot stand, niet na lang studeren.

"Nee, om Mondriaan te begrijpen kun je beter naar zijn werk kijken. Eigenlijk is het boek één reclamestunt voor die werken. De verhalen over zijn leven helpen hooguit, omdat ze beschrijven hoe ze gemaakt zijn, door wie en in welke tijd."

Heeft het schrijven van dit boek u dichter bij Mondriaan gebracht?

"Jawel, ik mag hem meer en meer. Het werk is nog rijker dan ik al dacht. Ik begrijp nu bijvoorbeeld beter de periode tussen 1921 en 1944, waarin hij werkt met lijnen en vlakken en per schilderij ogenschijnlijk alleen wat verandert aan de vormgeving. Ik realiseer me nu beter wat een revolutionaire stappen hij ook toen nog maakte."

Is Mondriaans werk ook minder ongenaakbaar geworden?

"Nee, dat niet. Het ontzag is gebleven. Voor ik ga werken loop ik graag een rondje door de zalen. Dan neem ik even mijn hoed af voor de Kirchner, de Picasso, de Monet. Dat zijn mijn goede vrienden, die zeg ik goedemorgen. Maar dan kom ik bij Mondriaans 'Tableau I' - dat grote abstracte werk uit 1921 - en dan sta ik elke ochtend weer versteld. En ik moet het elke keer opnieuw veroveren. Maar geef ik me eraan over, dat geeft een enorme beloning."

Hans Janssen

Hans Janssen, de Mondriaandeskundige van het museum met de grootste Mondriaancollectie schreef al vele boeken - soms met collega's - over de schilder en zijn werk. Ook stelde hij meerdere tentoonstellingen over hem samen. Hij was nauw betrokken bij de restauratie van de 'Victory Boogie Woogie', waarover het boek 'Victory Boogie Woogie uitgepakt' werd geschreven.

De Mondriaan die hij zou kiezen (als dat kon) om thuis op te hangen is 'Composition (IV) Blanc-bleu' uit 1935. Die hangt in de Wadworth Atheneum in Hartford, Connecticut. (rechts afgebeeld)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden