'Deze zomer: levensgevaarlijk'

“Zo bang zijn we nu natuurlijk niet meer, maar het weer is natuurlijk nog hét gespreksonderwerp in een land als Nederland. In Curaçao helemaal niet, en in Rome een stuk minder. Fabio Chigi, de latere paus, hield een dagboek bij toen hij als onderhandelaar bij de vrede van Münster in Aken en Keulen verbleef. Hij schreef alleen over sneeuw, ijs en regen. Zon was niet interessant.”

BAS DEN HOND

Jan Buisman is van 1925, en hij heeft dat ook een beetje. Hij weet nog hoe hij met zijn moeder aan de hand over de Lek liep en hield daar een levenslange fascinatie aan over met het weer, vooral met winters. Daar kwamen enkele boeken van en sinds 1995 een bijzondere serie naslagwerken: van Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen is nu het derde deel verschenen, dat de jaren 1450 - 1575 bestrijkt.

1477, 27 september: het waait in Brugge zo hard dat een terechtstelling niet vanaf een schavot, maar op de straatkeien moet gebeuren.

1502, 16 oktober: een zware noordwesterstorm slaat bij Petten aan het Hondsbos zoveel duin weg dat het achterliggende land bedreigd wordt. Bij ordonnantie van het Hof van Holland wordt later begonnen met bouwen van dijken achter de duinen. Een paar jaar later zullen die dijken nodig zijn - en het niet houden.

1540: Het 'Grote zonnejaar' brengt een beneden Keulen bijna droogstaande Rijn, honger, branden en de vernietiging van akkers doordat boeren in de verleiding komen wijngaarden aan te planten.

1567, 14 juli: een zware storm na lange droogte veroorzaakt in de Zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk een langdurige zandstorm. Een boom in Kortrijk waait om, maar neemt zo'n enorme kluit grond mee dat hij als de wind gaat liggen weer overeind komt.

En dan klagen hedendaagse Nederlanders nog over een prutzomertje. Wat zouden volgens Buisman de middeleeuwers over het juliweer van 1998 hebben gezegd?

“Dat zouden ze levensgevaarlijk hebben gevonden, ongetwijfeld: juni was al de natste maand van deze eeuw, zo langzamerhand komt dan de oogst in gevaar. Ik denk dat ze wel een processie zouden zijn gaan houden”.

En zo'n processie zou dan veel later weer een bron zijn geworden voor Duizend jaar weer, wind en water. “In Parijs had je de beroemde processie van Ste. Geneviève, die ooit de stad bevrijdde van de Hunnen. Dat ging niet zomaar, zo'n processie moest worden aangevraagd bij de bisschop, en bij het stadsbestuur. Voor de oorlog is er eens iemand geweest die dat allemaal heeft uitgezocht en dat boekje kreeg ik weer toegestuurd. Ik krijg een paar brieven in de week. En dat moet ik dan allemaal weer overdoen, vergelijken met andere bronnen. In dit geval bleek die man zich één keer te hebben vergist: was zo'n nat jaar juist droog.

“Ook leuk is het begin van de wijnoogsten in Bourgondië, in Beaune en Dijon. Dat moest allemaal in samenwerking, dus die data zijn exact bekend vanaf het midden van de 14de eeuw. Dan heb je een hard gegeven over de zomer.”

Uit honderden kronieken en egodocumenten zeefde en controleerde Buisman zo mededelingen over het weer, van een dagboek uit belegerd Haarlem tot een geërgerde passage in een brief van Erasmus dat Straatsburg passeren meer op zwemmen leek. Een goede Bourgondische zomer betekende waarschijnlijk ook een goede Nederlandse zomer, en veel water in Straatsburg, of zelfs in de Pegnitz bij Neurenberg, betekende wat later overlast bij Arnhem.

Hij weet maar al te goed dat hij met indirecte en misschien wel incorrecte gegevens werkt. “In de Middeleeuwen tel je met de stormvloeden misschien toch al de welvaart. Of een storm een overstroming veroorzaakt hangt immers ook af van het dijkonderhoud, of daar geld voor is. Dat kun je alleen afwegen doordat je meerdere bronnen hebt uit die tijd.”

“Tot 1300 heb ik alles opgenomen, dan ben je blij met iedere hagelbui in Parijs of strenge winter in Friesland. Vanaf deel 2 hoef ik in ieder geval geen jaar meer over te slaan, en in dit derde deel zijn er vaak wel drie mensen die over hetzelfde schrijven. Ik mis nu hoogstens van een enkel jaar de winter of de zomer.”

“Ik heb ontdekt dat er met Romeinse cijfers ontzettend veel mis is gegaan. Ik las over een storm op zes januari die zo te keer ging dat op de Oude Gracht in Utrecht de mensen benauwd stonden te kijken naar een wiebelende Domtoren. Maar ik had geen andere bronnen voor een storm op die dag. En dan blijkt: het was XI januari, en daar had een kopiist, want je hebt die bronnen natuurlijk nooit in hun originele vorm, een VI van gemaakt.”

“Net zo waren er op een gegeven moment tien stormvloeden bekend uit de negende eeuw, waarvan de grootste in 860. Een fysisch-geograaf, ik zal uit vriendelijkheid geen naam noemen, heeft toen geschreven dat de zee een transgressiefase doormaakte: hij was toen veel gevaarlijker dan ervoor of erna. Maar de man is later ontmaskerd: er was maar één ernstige stormvloed, op 2e Kerstdag 838. De andere waren door veelvuldig kopiëren ontstaan.”

Dankzij de wisselvalligheid van het West-Europese weer valt er elk jaar wel wel wat te beleven. En sommige jaren maken echt geschiedenis. “In de winter van 1564 kreeg je werkelijk een Siberische koudegolf. En dat terwijl je juist in de jaren daarvoor, vanaf het beroemde sneeuwpoppenfestival in Brussel in 1511 en nog een goede winter in '14 alleen maar zachte winters had gehad. De mensen stookten hun meubels op, ze wisten niet wat hen overkwam. Achteraf weet je: dat was het dieptepunt van de Kleine IJstijd. En wat leuk is: Pieter Breughel de Oudere schilderde tot dan toe nauwelijks wintergezichten, en daarna kon hij er niet genoeg van krijgen.”

Duizend jaar weer, wind en water is een heerlijk boek voor wie gek is van weer, maar ook een nuttig boek voor de wetenschap. Klimatologen kunnen hun informatie uit jaarringen ermee kunnen aanvullen. “En bij historici komt er tegenwoordig meer belangstelling voor het dagelijks leven, in plaats van alleen maar veldslagen. En in dat dagelijks leven was het weer van allesoverheersend belang. De keizer had jicht, maar de boer vroor dood. Die dankte God in april op zijn blote knieën dat hij de winter overleefd had. En dan begonnen de regens weer.”

Ooit wilde Buisman bij het KNMI. In de oorlog (“Ik viel met de neus in de boter, de winters van '41, '41 en '42 waren streng. De hongerwinter niet”) solliciteerde hij er om niet in Duitsland te hoeven werken. Maar hij werd niet aangenomen en na de oorlog werd hij aardrijkskundeleraar.

Zijn passie zocht een uitweg in een aantal boeken over het weer, met de monumentale serie waar hij nu aan werkt als voorlopig hoogtepunt. Die moet uiteindelijk het weer tot het jaar 2000 beschrijven, in zes delen. “Dan moet ik wel opschieten. Ik ben het nog niet zat, al voel ik het al wel een beetje komen, maar als ik tachtig ben, moet ik echt maar iets anders gaan doen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden