'Deze waereld is niet voor mijn plezier ingericht' of: 'Hier irrt Komrij!'

Op 30 maart 2004, de zestigste verjaardag van Gerrit Komrij, worden de brieven en briefkaarten die Boudewijn Büch hem tussen 1975 en 1982 schreef ter verkoop aangeboden. Samen vormen die de hilarische en ontroerende verslag van een vriendschap die teloorging.

Het is allemaal begonnen op 25 augustus 1975. Op die dag schreef Boudewijn Maria Ignatius Büch, 'psychofarmacohistoricus', zoals het briefhoofd trots vermeldde, een brief aan Gerrit Komrij naar aanleiding van diens hertaling van Rodolphe Töpffers Les amours de Monsieur VieuxBois, die onder de titel De wonderbaarlijke lotgevallen van Jubal Jubelslee in NRC Handelsblad werd afgedrukt. Komrij had twee dagen eerder in de krant beschreven hoe meneer VieuxBois een flesje broom tot de bodem ledigde en daar geweldig veel energie van kreeg:

'Na het jawoord thuisgekomen

Slikt hij snel een flesje broom en

Waant zich uitgebalanceerd.

Drie uren host hij op en neer.'

Onmogelijk, volgens Büch. In een van talloze noten en citaten voorzien betoog legde hij omstandig uit dat broom in de tijd van VieuxBois, de vroege negentiende eeuw, nog helemaal niet werd gebruikt, en zeker niet in die hoeveelheden. 'Mocht Mr. een toch kleinere dosis hebben genomen dan zou hij héééél rustig zijn geworden of zijn gaan slapen, daar broom als slaapmiddel zeer gewild en effectief was.' Büch liet merken dat hij oog had voor de rijmdwang (omen / broom en), maar wees met nadruk op het volgende: '1. Er stààt géén 'broom' in het origineel en 2. de effecten door U toegeschreven aan 'broom' zijn onbestaanbaar.'

Vertrouwelijk voegde de aan Komrij tot op dat moment volslagen onbekende scribent daaraan toe: 'Ik schrijf u dit alles in mijn hoedanigheid van iemand die zich beroepshalve met de geschiedenis van het drugsgebruik - ”drugs” in ruimere zin - bezighoudt en dan vooral met de literaire aspecten daarvan én als liefhebber van het werk van Töpffer. Ik hoop u van dienst te zijn geweest, al is het ongevraagd. U derhalve niet onheus te hebben bejegend, doch met veel ongeduld naar de voortzetting van Uw vertaling, teken ik met alle betrachtingen van hoogachting en de nodige ingetogenheid vanwege, Boudewijn Maria Ignatius Büch.'

Het was een curieuze brief. Wijsneuzig, gekunsteld en met een schrijnende literaire prententie. Het heeft er alle schijn van dat het Büch niet zozeer om de zaak zelve te doen was, maar dat hij een aanleiding heeft gezocht om met Komrij in contact te komen. Büch leefde, zo schreef hij in een nummer van Maatstaf uit 1984 dat geheel aan Komrij was gewijd, nog in de veronderstelling dat 'Komrij' een schuilnaam was. 'Zo'n naam kon, naar mijn mening, niet bestaan in de burgerlijke stand.'

Komrij vermaakte zich kostelijk met het vreemde epistel dat hij op zijn deurmat had aangetroffen en antwoordde: 'Hier irrt Goethe! U kent misschien de onder deze titel verschenen bloemlezing van anachronismen...Hier irrt Komrij! En ik ben natuurlijk blij aan de roemruchte traditie van anachronismen iets toegevoegd te hebben. Uw vriendelijke terechtwijzing deed mij ook denken aan een fictieve ontdekkingsreizigersroman die ik eens las en die speelde in de binnenlanden van Afrika in de negentiende eeuw: op zeker moment duikt daarin een okapi op, terwijl het beest eerst in 1902 ontdekt werd. Dank dus voor uw brief.'

Vervolgens ruimde Komrij enkele misverstanden uit Büchs brief vakkundig uit de weg, én schreef in zijn laatste regel dat hij de brief met interesse had gelezen en zich aanbevolen hield. Büchs hart moet zijn opgesprongen toen hij op zijn beurt de brief van de door hem bewonderde dichter en schrijver thuiskreeg en in Komrij's antwoordbrief zowel Goethe als ontdekkingsreizen te sprake kwamen - onderwerpen die hem zelf obsessief bezighielden.

De correspondentie liep vanaf dat moment snel uit de hand. Büchs volgende brief was gesteld in nóg gekunstelder taal. Hij beschreef geëxalteerd het moment dat hij, 'mijzelve aangekleed in zwartgallig jaquetkostuum', Komrij had zien staan op de Nieuwezijdsvoorburgwal in Amsterdam. Over Komrij's verwerping van zijn aanmerkingen op de hertaling van Töpffer reageerde de psychofarmacohistoricus, 'geleerd aan onderscheidende Hogescholen' en 'hoog aangeschreven in het buitenland' met veel misbaar en theater:

'U heeft mij bijkans in toorn doen ontsteken; ware het niet dat ik ieder schriftuur zuinig bewaar en vertroetel... anders had ik Uw aanschrijven ten prooi aan een der oerelementen geschonken en mijzelf vergenoegd in het drinken van rustgevend en sopoforisch broompreparaat om het door U mij aangedaan onrecht te vergeten, en U moest kennis nemen van welk machtig en universeel onrecht men mij dagelijks levert; spoorwegrijtuigen rijden niet op tijd, [...] winkel- en ander bedienend personeel bejegent mij bij voortduring onheus, het vijfde deel van de Klukhohn-Novalis-editie verschijnt maar niet...' Enzovoort, enzovoort.

Kort daarop bood Büch gedichten aan voor Maatstaf , waarvan Komrij de redactie op zich zou nemen. Op 26 november 1975 schreef Büch: 'Meneer, ik acht het een eer Uwe nauwgezetheid in Maatstaf te hebben mogen treffen, Meneer, indien ik een dame zoud zijn, Mijnheer, ik zoud U kussen, en, Meneer, ik bid U mij dit niet euvel te duiden.'

Om eens te zien wat voor een jongen die Büch eigenlijk was, zochten de redacteuren van Maatstaf - de redactie bestond naast Komrij ook uit Mensje van Keulen en William Kuik (de latere Dirkje Kuik) - hem in februari 1976 thuis op in Leiden. 'Van dat bezoek,' schreef Komrij in zijn onlangs verschenen verhalenbundel Demonen, 'herinner ik me alleen een wand met boeken, zoals ik die zelf ook bezat, een paar stolpflessen met foetussen en dat de psycho-farmaceutische historie neerkwam op de kennis van enige wetenswaardigheden omtrent het opiumgebruik van Bilderdijk.' Toen de redacteuren weer op straat stonden zei William Kuik: 'Die jongen deugt niet.'

Komrij vond dat al te zuur, en had allang opgemerkt dat in Büch een charmante oplichter schuilging. Een onverbeterlijke mythomaan. Büch was in werkelijkheid in helemaal niets afgestudeerd, maar schreef zijn brieven inmiddels op voorbedrukt briefpapier waarop stond dat hij dubbel doctorandus was. Komrij haalde zijn schouders erover op. Hij herkende de zucht tot fabuleren, bluf en maskerade. 'Wat kon het me schelen of praatjes op leugens berustten wanneer ze met vuur werden verteld? Ik leefde met zijn fantasiën mee en had bewondering voor de manier waarop hij er zelf in leek te geloven.'

Al snel werd Büch uitgenodigd te komen eten bij Komrij thuis op de Jacob van Lennepkade 191 in Amsterdam, waar Charles Hofman, Komrij's levensgezel, hem een heus feestmaal voorschotelde. Het klikte geweldig tussen de heren. Zij konden samen huilen en lachen, en uit het hoofd in koor de drieëntwintig vrouwen van Goethe opzeggen. In de exacte volgorde waarin de oude meester ze had versleten.

Vanaf die avond zagen zij elkaar geregeld en schreef Büch aan Komrij dramatische brieven waarin hij zijn opwinding, maar vooral ook zijn Weltschmerz en seksuele nood aan zijn nieuw gevonden vriend uitschreeuwde: 'Ik moet uitgaan, kleuterlokalen afstropen, duizend zingende kleuters om mij heen doen scharen, al is 't gehele Juliana, ons Vorstin, koor! Maar ik doe niks, ik ben gezeten achter een tiepmachien en betreur het ongeluk dat mij treft om mij vervolgens daar vreeswekkend aan op te geylen. Wedden: deze waereld is niet voor mijn plezier ingericht?'

Büch liet melancholie, sarcasme en ironie de vrije loop, maar ging af en toe ook oprecht gebukt onder depressies. Op briefpapier van de Universiteit van Leiden, waar hij een tijdje medewerker van het universiteitsblad Mare was, schreef hij op 21/22 juli 1979: 'Ik wil gene troost meer. Ik wil het grootste en beste rijmwoordenboek van ons vaderland schrijven. Ik wil de schoonste Prins op deze aardbol beminnen en in de armen sluiten. Ik wil gezellige avonden doorbrengen met vrienden, vrouwen tot in het diepst van de ziel vernederen. Maar het liefst zou ik jurkjes aantrekken. Mij opmaken en uitgaan met de prinses van Monaco. Dan wordt je wat! Maar dood wil ik het meest.'

Welhaast het enige dat Büch kortstondig uit zijn treurnis kon halen was de bibliofilie. Samen stroopten Komrij en hij antiquariaten af op zoek naar boeken voor hun gestaag groeiende collectie. Samen bezochten zij de vernissage-avonden in de Bijlmermeer bij Ger Kleis, de meesterdrukker van de fameuze private press Sub Signo Libelli, die van beide heren schitterend werk met de hand zette en drukte in kleine oplagen.

Geheel in de geest van de bibliomanie was het dat Büch Komrij ook manuscripten stuurde en 'versontwerpen'. Büch snakte naar literaire erkenning en begon als dichter ook voet aan de grond te krijgen - al schreef hij in 1981 een brief aan de redactie van Maatstaf niet zonder zelfspot dat hij 'niet meer wilde zijn dan een zingende harp uit de provincie'.

In die tijd smeedde Komrij heimelijk plannen om zijn provinciale vaderland te verlaten en te emigreren naar Portugal. Vlak voor zijn vertrek ging zijn toneelstuk Het chemisch huwelijk in première. Al zijn vrienden kwamen op het feest na afloop van de eerste voorstelling in de Stadsschouwburg in Amsterdam, op 21 december 1982. Behalve Büch. Die was getroffen door een diepe depressie en durfde niet onder de mensen te verschijnen.

Op de dag van het feest stuurde hij een brief: 'Toen ik hedenmiddag jullie een gelukstelegrafiek wilde zenden met als voorgestelde tekst ”WEGENS MELANCHOLIE GESLOTEN. DUYZEND GELUKWENSEN”, werd het mij duidelijk dat de PTT niet meer de oude is. Het telegram zou niet meer - heden - arriveren.' Büch schreef dat hij in 'een toestand van verzenuwdheid' verkeerde en 'een strop om zijn hals voelde'. Klaagtonen van een jongeman die slechts kon hopen op 'herrijzing' en het 'zingen van Lol en Luchtigheid'. Hij besloot zijn brief met de regel: 'In oprechte vriendschap en liefdevolle mijmeringen (hoe ouder je wordt, hoe moeilijker emoties te expanseren zijn), Bou.'

Het zijn de laatste woorden uit de correspondentie. Het spel der verwijzingen, de omkering en travestie, aanstellerij én diepgevoelde emotie werd in de correspondentie tot de laatste snik volgehouden, en de brieven van Büch vormen daarom in meer dan één opzicht een waardevol dossier. Van Komrij is alleen zijn eerste antwoordbrief in kopie bewaard. Hij was ook de minst trouwe brievenschrijver, al is het niet uitgesloten dat de nalatenschap van Büch nog een aantal van Komrij's brieven aan zijn vroegere kompaan bevat.

Geen onvertogen woord valt er in de briefwisseling te vinden, en toch zou de vriendschap hevig aan haar einde komen. Ergens in het begin van de jaren tachtig was Büch gevraagd om een televisieprogramma te gaan maken, en had hij Komrij om advies gevraagd. 'Zal ik het doen?' vroeg Büch. 'Doe het meteen,' zei Komrij, 'ga alleen niet geloven dat je God bent en verwaarloos vooral de poëzie niet.' Het was aan dovemansoren gericht. 'Beide waarschuwingen sloeg hij in de wind,' schreef Komrij in Demonen. Vijftien jaar lang zagen zij elkaar niet. Komrij woonde in Portugal, en hoorde niets meer van zijn vriend. Hij vernam pas iets van zijn oude kompaan in een catalogus van De Slegte, waarin een aantal van zijn boeken met persoonlijke opdrachten aan Büch werden aangeboden.

In november 1991 schreef Komrij in 'Een en ander', zijn vaste column in NRC Handelsblad: 'Het spreekt, dunkt me, haast vanzelf dat ik de verkoop door Boudewijn Büch van al de boeken die ik aan hem, voorzien van een persoonlijke opdracht, cadeau heb gegeven of die hij me, met de minzame glimlach van de oprechte bibliofiel, heeft afgetroggeld, met enige ergernis heb ondergaan. Wie zou niet een kort moment van ergernis beleven bij de constatering, achteraf, dat de glimlach trouweloos was en de bibliofilie gespeeld? Maar ik geef toe, het is een romantische ergernis. Ik mag Boudewijn Büch geen motieven toeschrijven die behoren bij de tijd van het duel en de beledigde eer. Büch heeft allang zijn bestaan van romantische pseudo-rebel met dichterlijk talent ingeruild voor dat van geëxploiteerd televisieschaap.'

Komrij beschouwde de verkoop van zijn boeken door Büch als het opzeggen van de vriendschap, en diens bewering dat 'geld niets te maken had' met de beslissing het materiaal te verkopen als vals. 'Boudewijntje is, zoals iedereen weet die zijn werk een beetje kent, niet aan zijn eerste leugen gebarsten,' schreef hij in 'Een en ander'. Achteraf zegt Komrij over de kwestie: 'Boudewijn heeft zelf zijn vriendschappen verbroken. Ik dacht toen dat het om mij ging, maar er bleek een patroon in verweven te zijn. Hij verzon toch wel erg veel in zijn leven, laat ik het zachtjes uitdrukken, en dat werd na verloop van tijd een probleem. Hij vond het aantrekkelijk om zijn leugens te recyclen en nieuwe vrienden op te zoeken bij wie hij ze weer allemaal kon gebruiken.'

Ondanks alles was de dood van Büch, op 23 november 2002, een grote schok voor Komrij. 'Boudewijn zat boordevol liefde en kon geen liefde aannemen, alleen troep. Hij was niet onaardig en ik hield van al zijn ondeugdelijkheden. Het verbaasde me dat hij het zolang volhield en altijd maar de dans ontsprong. Dat vond ik fantastisch. Niemand heeft hem kunnen vangen.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden