Deze tijd vraagt om traagheid in de sport

golf is te traag en honkbalwedstrijden duren te lang, hoor je geregeld. weg ook met die 10 kilometer schaatsen. saai! sportschrijver nando boers komt in verzet tegen de zucht naar korte snelle kicks. 'weg met de vuurpijl. ik wil een haardvuur, iets dat gloeit.'

Golf heeft het lastig. Het aantal mensen dat in de Verenigde Staten over de fairways struint neemt af. Vijf miljoen zijn er het afgelopen decennium mee gestopt, schreef de New York Times in april van dit jaar en volgens de Amerikaanse krant zijn nog eens vijf miljoen dat de komende jaren van plan. Waarom? Simpel. Golf duurt te lang, het is te moeilijk en er zijn te veel vermoeiende regels.

Om dat tij te keren zijn er allerlei plannen gelanceerd waaronder ook het groter maken van de hole, zo groot dat er een pizza in past. Gaat het lekker snel, zo'n toernooi.

In het Amerikaanse honkbal, waar dinsdag de World Series beginnen ter afsluiting van het seizoen, ergeren hoge bestuurders zich aan de lengte van de wedstrijden die het gemiddelde van drie uur inmiddels zijn gepasseerd. Tot afgrijzen van de heren in maatpakken duurde onlangs een wedstrijd tussen San Francisco en Washington zelfs meer dan zes uur. De vrees bestaat dat de jeugd de interesse verliest.

Ook in het tennis (weg met de vijfsetter) en het schaatsen (die tien kilometer kán niet meer) gaan er stemmen op de boel aan te snoeren. Het is uit de tijd, klinkt het; de spanningsboog van de sportconsument is niet meer zo groot en die heeft ook de tijd niet meer om te lummelen op de bank.

En de sportkijker met zijn laptop en smartphone binnen handbereik wordt van alle kanten door andere zaken geprikkeld.

Ik snap de vernieuwingsdrift wel van de maatpakken - en wat betreft het allround schaatsen vind ik ook dat er verbetering nodig is, omdat het een relatief kleine sport is die erg onder druk staat -, maar de manier waarop ze in de grotere sporten de boel willen versnellen is de bijl aan de wortel van de sport zetten.

De moderne tijdgeest met haar gigabytes, flitsreflexen en sociale media-impulsen roept paradoxaal genoeg júist om traagheid in de sport. Traagheid kan sport de functie teruggeven die ze ooit had; een bezigheid om even te kunnen ontsnappen aan de dwang en hectiek van alledag.

Er is niet alleen behoefte aan slow food en slow koffie, maar ook aan slow sport.

Het was 1983, ik was twaalf en ik keek naar de cricketwedstrijd Australië-Engeland. In de huiskamer stond een kleine televisie. Het was bloedheet buiten waar wij woonden, op het platteland buiten Melbourne, en in Sydney stond de blonde slagman Kim Hughes zes uur aaneengesloten op een ovaal grasveld met een slaghout in zijn handen. De atleet met het groene petje op zijn hoofd scoorde in die ene aaneengesloten sessie 137 runs. Ik heb ze allemaal gezien.

Ik zag mannen in witte tenues over het gras rennen. Ik luisterde naar de stemmen van de bedaarde commentatoren. Ze zeiden dingen als: 'Great shot, beautiful stroke for Hughes.' En: 'Yes, in the air. Listen to the crowd. Absolutely magnificent.'

Zen op de tribune

Langzaam ontstond er een verhaal, in de ware zin van het woord. En elke bal kon de laatste zijn. Intussen bleef deze Kim Hughes de ballen raken en de bowlers te slim af te zijn. De wereld om mij heen verdween.

Dat is wat trage sport doet. Het is zen op de tribune. Je leest de krant in het middagzonnetje van Chicago als je bij de Cubs op bezoek bent. Je hebt alle tijd, er is ruimte voor overdenking, voor beschouwing. Je bekijkt de statistieken van de spelers en je probeert mee te denken met de coaches. Ondertussen bestel je een zak pinda's en neem je een slok van je bier. Het leven sluimert.

Net als op de tribune van het circuit van Le Mans tijdens de 24 uursrace. Je zinkt weg in de zwarte nacht, bedwelmd door de geur van benzine, rubber en olie en het gejank van de bolides die met ruim 300 kilometer per uur beneden aan je voorbij razen. Hun grote lichtbundels doorboren de duisternis.

Het was 1999 en ik luisterde diep in de Franse nacht naar de transistorradio waar verslaggevers vertelden over de gebeurtenissen in de pits, over strategieën en ongelukken, op verafgelegen delen van het circuit. Naast me nam een man af en toe een hap van een thuis gesmeerde boterham, gevolgd door een slok uit een fles met rode wijn. In zijn hand hield hij een stopwatch en in een notitieblokje dat naast hem op het bankje lag, noteerde hij rondetijden.

Op de tribune aan de overkant van de baan lagen toeschouwers te slapen, gewikkeld in vlaggen, ruikend naar alcohol. Ondertussen ging de race door de nacht onverminderd voort. Toen de zon een paar uur later opkwam was iedereen verdwaasd en voelde zich onderdeel van een speciale gebeurtenis.

Het equivalent van de tribune is de bank - vooral in de nacht, als de straat slaapt en er af en toe een slingerende dronkaard door je straat fietst. Je begon tv te kijken toen het al donker werd, en voor je gevoel wordt het zwarter en zwarter buiten. De laatste lichten aan de overkant van het water doven ook; de buren houden het voor gezien. Jij niet. Jij kijkt. Het lijkt alsof je brein zich begint af te sluiten.

Tijdverspilling

Nobelprijswinnaar John Coetzee behandelde het onderwerp een paar jaar geleden in 'Een manier van vriendschap'. Hij had thuis onderuitgezakt op de bank zitten kijken naar een eindeloos durende cricketwedstrijd en schreef zijn Amerikaanse collega-auteur Paul Auster in een brief het volgende: "Ik geef toe, het ís tijdverspilling. Ik ervaar zeker iets (al is het een ervaring uit tweede hand), maar ik schiet niets op met wat ik ervaar. Ik leer er niets van. Ik houd er niets aan over."

Auster antwoordde dat sport kijken op tv inderdaad een zinloze activiteit is, noemde het een tragische tijdverspilling en vergeleek het met genreliteratuur, zoals thrillers of detectives, met hun eindeloze variaties op hetzelfde thema. Hij schreef niettemin het volgende terug aan Coetzee: "Ik vraag me af of er ooit twee wedstrijden hetzelfde zijn geweest. Game voor game, set voor set. Misschien. Alle sneeuwvlokken zien er hetzelfde uit, maar het is algemeen bekend dat er geen twee hetzelfde zijn."

Twák, de bal springt van de houten knuppel, ergens aan de andere kant van de oceaan staan tienduizenden mensen te springen en te gillen op de tribunes. Een man rent over het gras, een paar atleten sprinten naar de honken en de commentatoren rebbelen er lekker op los. Na het reclameblok zakt het tempo weer in en herneemt het spel voor even weer zijn kabbelende gang.

De tijd verstrijkt als je kijkt naar slow sport, en de tijd verglijdt zonder doel, zonder gevolg. Je kijkt en luistert en ondertussen verandert er niets. Je hebt je tijd verpoosd op een prettige manier. Je beseft: dit was serieuze vrije tijd.

Een van de hoogtepunten van een WK atletiek of Olympische Spelen is de finale van de 100 meter sprint. Ik vind die 100 meter saai. Natuurlijk, er is spanning (en de hele dag de wetenschap dat het 's avonds gaat gebeuren), maar het is als het afsteken van een vuurpijl op oudejaarsnacht. Sjjittt - bam - klaar en dat was het.

Een vriend van mij die op de Olympische Spelen van Peking actief was, vertelde me onlangs een verhaal over die 100-meterfinale in 2008. Op de dag van de finale bevond hij zich in het olympisch dorp. De wow!-factor was hoog, vertelde hij en alle daar aanwezige atleten hield even de adem in en keken naar de televisieschermen. Het was tien seconden doodstil, maar nadat de lopers over de finish waren ge- sneld, ging iedereen weer verder. De 100-meterfinale was ook voor hen slechts een kleine onderbreking geweest van het dagelijkse leven.

Er is in die 10 seconden geen ruimte voor eb en vloed, voor kerende kansen, voor ineenstortingen en wederopstandingen. Neem plaats in schaatsstadion Thialf en zie Sven Kramer en Jorrit Bergsma duelleren, alles uit de kast rijden op de tien kilometer. En elkaar geen duimbreed willen toegeven. Zie ze knokken, sterven en oprichten. De 100-meterfinale ontbeert epische gevechten. Het enige dat je weet is dat Usain Bolt heeft gewonnen. Die andere zeven lopers heb je niet eens kunnen bekijken omdat je lette op superster Bolt, van wie we overigens niet zoveel weten, omdat de commentatoren helemaal geen tijd hebben een verhaal te vertellen - een echt verhaal. Het blijft bij superlatieven. De 100 meter verdwijnt als een zucht in de wind.

Bedwelming

Ik wil geen vuurpijl; ik wil een haardvuur, iets dat gloeit; een evenement waarvan het drama zich opwarmt als een vulkaan. Voordat de beslissende klap komt, geeft de slow sport je de kans de werkelijkheid aan te vullen met je eigen fantasie of met informatie die je tegenwoordig, zittend op je bank in de woonkamer, kunt opzoeken op je laptop.

Wie is deze neurotisch ogende, intens spelende Hunter Pence? Waar komt hij vandaan? Hoe lang speelt hij al? Je bent je eigen analist. Je krijgt de kans zelf mee te doen en bent zodoende een klein onderdeeltje van het spel.

Slow sport geeft je zodoende de kans je te laten bedwelmen. Je moet er wel bij blijven. Als je alles ziet en alles voelt (ook de doodsaaie periodes waarin je dreigt weg te doezelen), voel je wanneer de kansen zich keren en de boel op scherp komt te staan. In de aanloop naar die beslissende momenten in een stadion of op een veld, laat de sport haar ware aard zien. Sport is op haar best een culturele uiting die de harde werkelijkheid van het alledaagse leven even van je weghoudt. En hoe langer de sport daarin slaagt, hoe beter het is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden