DEZE OORLOG HEEFT ONS HELEMAAL NIETS OPGELEVERD

Burgeroorlog in het Westafrikaanse Liberia. De jongste 'militairen' zijn acht, kolonels zo tussen de veertien en achttien. De gemiddelde leeftijd van generaals zal rond de twintig liggen.

Inmiddels heeft president Taylor terrein moeten prijsgeven aan de andere presidenten in Liberia. Taylor is namelijk niet het enige staatshoofd. Amos Sawyer is president van de “Interim Regering van Nationale Eenheid” (Ignu) en gaat over Monrovia en omgeving. Sawyer weet zich gesteund door Ecomog, de Westafrikaanse vredesmacht die Taylors aanval op Monrovia heeft gekeerd. Ecomog wordt weer gedekt door de VN, doodsbenauwd als de wereldorganisatie is om zelf troepen te moeten sturen.

Behalve Taylor en Sawyer, is er ook nog Alhaji Kromah van de “Verenigde Bevrijdingsbeweging van Liberia” (Ulimo). Hij beweert de baas te zijn over het grensgebied met Sierra Leone. Het land is opgedeeld in drie weinig stabiele brokken, met elk een president, een regering en een leger. President Taylor wordt beschouwd als het enfant terrible onder de presidenten, omdat hij afspraken niet na komt, akkoorden schendt en maling heeft aan de rest van de wereld. De wereld heeft hem daarvoor gestraft met een wapen- en handelsembargo. Vredesmacht Ecomog doet er nog een schepje bovenop en probeert te voorkomen dat voedsel naar Taylor-gebied wordt gebracht. Sinds Taylor eerder dit jaar de havenstad Buchanan aan Ecomog kwijtraakte, is zijn isolement compleet. In- en uitvoer werden onmogelijk gemaakt en daarmee kwam de bodem van de schatkist al snel in zicht.

Taylors Nationaal Patriottisch Front van Liberia (NPFL) heeft de strijd om de macht verloren. Maar beseffen de strijders dat? Of ziet de werkelijkheid er vanuit de jungle anders uit? Gbarnga is ons reisdoel, de hoofdstad van NPFL-gebied.

De douaneformaliteiten zijn een stuk eenvoudiger dan in dit deel van de wereld gebruikelijk is. De Ivoriaanse grensbeambten zijn van verveling te lui geworden om de reiziger aan een serieuze controle te onderwerpen. Hun Liberiaanse collega's aan de andere kant van de grensrivier zijn ook al bevangen door een lome zondagmiddagstemming. De oppergrenswachter haalt de sleutel van zijn kantoor onder een kapot plafond vandaan en slentert naar een uitgedroogd stempelkussen. Een functionaris van het ministerie van Informatie, Emmanuel Todd, is helemaal van Gbarnga naar de grens gekomen om de gast te verwelkomen. Liberia maakt een gemoedelijke eerste indruk.

In februari van dit jaar deed Ecomog een poging om de brug over de grensrivier aan flarden te schieten. “Ze schoten mis”, zegt Todd. In plaats daarvan maakten de Nigeriaanse bommenwerpers veel burgerslachtoffers. De grensovergang van Longuatou was voor Taylors oorlog van cruciaal belang. Frans wapentuig werd via Ivoorkust aangevoerd. Toen op 1 augustus een vredesakkoord tussen de strijdende partijen tot stand kwam, werd op voorstel van Ecomog de grenspost Longuatou gesloten. Op die manier moest worden voorkomen dat Taylor het akkoord zou benutten om nieuw oorlogsmaterieel te laten aanrukken. Maar grenssluiting betekende tegelijkertijd dat geen voedselhulp meer kon worden binnengebracht. De VN schaarde zich achter het idee van Ecomog. “Als voedselhulp de vredeshandhaving in de weg staat, dan zal er geen voedselhulp zijn”, zei de speciale afgezant van de VN, T. L. Gordon-Somers stoer. Daarmee haalde hij zich de woede op de hals van de internationale publieke opinie en van humanitaire organisaties als Artsen zonder Grenzen. Tienduizenden mensen dreigden van de honger om te komen.

De uitspraken van Gordon-Somers bleken diplomatieke blunders. In de praktijk is de grens tussen Liberia en Ivoorkust nooit dicht geweest. Desondanks komt er te weinig voedsel bij de bevolking om iedereen van de hongerdood te kunnen redden.

Op weg naar Gbarnga wordt het effect van het embargo meteen zichtbaar. Er is nauwelijks gemotoriseerd verkeer, bij gebrek aan brandstof. Gereden wordt er vrijwel alleen door Artsen zonder Grenzen, de enige actieve organisatie in NPFL-gebied. Terwijl alle andere hulporganisaties zich eerder dit jaar terugtrokken vanwege de bombardementen door Ecomog, bleef Artsen zonder Grenzen om kinderen te eten te geven. Hun reputatie kan niet meer kapot. Voetgangers zwaaien enthousiast bij het passeren van een van hun auto's. Langzaamaan laat ook de VN zich wat vaker in dit deel van Liberia zien. “Wij willen Ghankay!”, wordt opstandig naar VN-wagens geroepen. De grenssluiting en de bombardementen van Ecomog hebben de bevolking meer verenigd dan Taylor zelf ooit voor elkaar zou hebben gekregen.

Gbarnga is overvol. Voor de oorlog was het niet meer dan een flink dorp op de weg van Monrovia naar Ivoorkust. Nu wonen er tienduizenden mensen, allemaal op de vlucht geslagen voor het oorlogsgeweld. Ze komen van alle windstreken. “Oorlog is als een bosbrand”, weet Alex Wroh uit eigen ervaring. “Als het komt, moet je rennen.” Wroh komt uit de noordwestelijke provincie Lofa. In 1990 kwam hij naar Gbarnga, niet omdat hij zich daar thuis voelt, maar omdat hij in de bosbrand geen andere weg zag. Al vluchtend is hij zijn broer kwijtgeraakt. “Ik heb gehoord dat hij dood is, maar niemand weet het zeker.” Zijn vrouw en kinderen heeft Wroh gelukkig wel teruggevonden. Tijdens een gevechtspauze in 1991 besloot hij ze te gaan zoeken. “Onderweg naar Monrovia kwam ik ze tegen. Ze liepen langs de weg.”

Gbarnga wordt bewaakt door in lompen gehulde kinderen. Jongetjes die bij het uitbreken van de oorlog de dag nog op de rug van hun moeder doorbrachten, lopen nu rond met een kalashnikov-geweer. Ze hebben draden van touw, waslijn en boomwortels over de weg gespannen en noemen die checkpoints. De draden lijken samen te komen op de hoogste heuvel van het dorp, van waaruit Taylor als een spin in een web wacht op zijn buit: het presidentschap van heel Liberia.

Een militaire carriere binnen het NPFL begint op de leeftijd van een jaar of acht. De kolonels zijn zo tussen de veertien en achttien. De gemiddelde leeftijd van Taylors generaals zal rond de twintig liggen. Ze hebben elk een deel van het grondgebied onder hun commando. Bij gebrek aan transport- en communicatiemiddelen, kunnen ze er tamelijk ongestoord hun gang gaan. De ene generaal vat zijn taak anders op dan de andere. Generaal Michael Sebo bij voorbeeld, is streng maar rechtvaardig. Hij laat “zijn mensen” hard werken, maar dwingt respect af. Als hij bij een van de checkpoints in zijn territorium arriveert, geeft hij de jongentjes een schop onder hun kont en laat ze daarna opdrukoefeningen doen. “Ik wil ze een goed gevoel geven”, zegt Sebo dan, om vervolgens in de auto weer weg te dromen bij zijn favoriete gospelmuziek.

Generaal Samuel G. Varney daarentegen, heeft de reputatie van een warlord met een drankprobleem. Varney maakte eerst deel uit van een andere strijdende partij, maar toen die terrein verloor liep hij over naar de NPFL. Daarvoor werd hij door Taylor beloond met de functie van “frontlijncommandant”, tot ongenoegen van de andere generaals. Voedselkonvooien die vanuit Monrovia naar Taylorgebied willen, krijgen bij binnenkomst eerst met Varney te maken. Meestel is hij dronken en heeft hij veel tijd nodig om duidelijk te maken wie er de baas is. Drie VN-medewerkers zijn net met een voedselkonvooi in Gbarnga gearriveerd. Ze zien nog bleekjes van hun ontmoeting met Varney. “Hij heeft ons de hele nacht bezig gehouden. Onze chauffeurs zijn gearresteerd en we moesten allerlei onzinnige vragen beantwoorden. Het is pure pesterij.”

We rijden langs verwaarloosde rubberplantages naar Yanwelli, een moeilijk bereikbaar dorp aan de frontlijn. De hoofdcommissaris van Yanwelli rijdt mee. Hij is al bijna een jaar niet in zijn dorp geweest en wil poolshoogte nemen. Op verschillende plekken in de bush hebben vluchtelingen van takken en bladeren nieuwe nederzettingen gesticht. Ze blijven voorlopig liever ver weg van de bewoonde wereld. Ze leven van vruchten en bladeren. Of ze gaan dood. Verbouwd wordt er nog vrijwel niets, daarvoor is de situatie te onzeker.

De hoofdcommissaris moet bij zijn terugkeer in Yanwelli vaststellen dat zijn huis er niet meer is. Een gapend gat is alles wat rest. “De vliegtuigen doken naar beneden en begonnen in het wilde weg te schieten”, vertelt kolonel George S. Dokie. Het waren Ecomog-vliegtuigen. “Eerst schoten ze, daarna wierpen ze een paar clusterbommen naar beneden.” Er vielen tientallen doden, huizen werden verwoest, Dokie en zijn mannen konden niets terugdoen. “Deze oorlog heeft ons helemaal niets opgeleverd”, zegt hij gedemoraliseerd. “We hebben honger, we zijn onze familie en onze bezittingen kwijt. Kijk naar mij. Ik zit hier in het oerwoud. Ik ben een stadsmens. Ik wil uitgaan in Monrovia. Ik wil mijn leven opnieuw beginnen.” Voor de oorlog studeerde kolonel Dokie scheikunde aan de Universiteit van Liberia, in Monrovia. Nu wil hij niets liever dan zijn studie afmaken. Voorzichtig informeert hij naar studiemogelijkheden in Nederland.

In het donker bereiken we de asfaltweg naar Gbarnga. Bij het dorp Weala is het onrustig. Na enig getouwtrek wordt een vrouw achter in de auto gepropt. Het is de vriendin van generaal Varney. Ze moet worden geevacueerd, omdat de generaal haar in een dronken bui met de dood heeft bedreigd.

Voor een overzicht van de voedselsituatie in NPFL-gebied, lijkt het ministerie van Economische Zaken en Planning de meest aangewezen plek. Minister Aaron Paye is nog niet op zijn werk verschenen, omdat het pijpestelen regent. Het ministerie zit dicht met een hangslotje waar elke Amsterdamse fietsendief hartelijk om zou lachen. Op een tafeltje binnen ligt de Geneefse Conventie van 1949, daarnaast een stapeltje vergeelde stencils. Verder is er niets.

Minister Paye zelf arriveert als eerste op zijn departement. In een versleten pak, maar met attachekoffer. “He, geen sleutel. Flomo! Flomo, waar ben je!.” De minister vloekt. De man die de sleutel moet hebben is niet in de buurt. “Pas jij even op mijn koffer.” Tien minuten later is de minister terug. “Ik sla dat slot er af”, zegt hij resoluut. Hij haalt een tang uit zijn autootje en met een trefzekere klap is het ministerie geopend. “Kom verder”, zegt de minister beleefd.

Paye is een wat tragische figuur. Zijn vrouw en kinderen zitten in de VS, de rest van zijn familie in Monrovia. Zijn zus is getrouwd met de voorzitter van Sawyers parlement en via via bereiken hem brieven van haar over het leven in Monrovia. “Ik zou er graag heen willen”, verzucht hij. Paye wordt regelmatig in de Ivoriaanse hoofdstad Abidjan gesignaleerd, waar hij logeert in een ranzig hotelletje en het liefst zoveel mogelijk “besprekingen” heeft om gratis te kunnen eten.

Organisaties mijden hem liever, omdat ze het te genant vinden dat hij na de maaltijd steevast om een paar stuivers bedelt, zodat hij de bus terug naar de grens kan betalen. Een hoge functionaris van de VN vertelt door Paye te zijn benaderd “voor belangrijk diplomatiek overleg in Abidjan”. Bij aankomst bleek hij een partij suiker aan de VN te willen verpatsen.

Bij ontstentenis van een economie, houdt Paye zich beroepshalve alleen bezig met de planning van voedseltransporten. Dat is moeilijk, geeft hij toe. Cijfers over de bevolkingsomvang en de hoeveelheid voedsel die binnenkomt, ontbreken. Wanneer er een volgend voedseltransport arriveert, kan Paye ook niet vertellen. Communicatiemiddelen met Monrovia of met Ivoorkust ontbreken. “De humanitaire situatie is ondergeschikt geraakt aan de veiligheidssituatie”, zegt hij verontschuldigend. Paye heeft niets te vertellen, het zijn de militairen waarmee Taylor de lijnen uitstippelt. “Ik hoop dat dit hele gedoe snel afgelopen is”, zegt hij bij het afscheid.

Op het Ministerie van Informatie is informatie al even schaars. Het departement is gevestigd in het vroegere redactielokaal van de regionale krant, de Bong Inquirer. Er werken ongeveer tien mensen, grofweg de vroegere redactie, inclusief minister Mulbah, en een oude pickup waarop met grote zwarte letters press staat geschreven. Op het voertuig en een typemachine na, is er niets meer wat de produktie van een krant mogelijk maakt: geen drukpers, geen papier, geen pennen, geen meubilair, geen water, geen stroom. Een kalender hangt nog op oktober 1992, de maand waarin Taylor zijn aanval op Monrovia inzette en verloor. Emmanuel Todd heeft nog wel de laatste editie van The Patriot, de regeringskrant, eveneens daterend uit 1992. Op de achterpagina prijkt een foto van het halfverteerde lijk van dictator Samuel Doe, die in 1990 werd vermoord. De foto is gemaakt door reporter Todd. Het lichaam van Doe is door zijn moordenaar, Prince Johnson, opgegraven, zo vermeldt het fotobijschrift. “Niemand is onvergankelijk”, zegt Johnson met de opgraving te willen bewijzen. “Een mens is niets meer dan slijk. Laat dit een waarschuwing zijn voor iedereen die dictator wil worden.” Todd beschouwt de foto als een hoogtepunt in zijn journalistieke carriere. “Zou jij hem hebben gemaakt?”, vraagt hij. “Ik heb het gedaan voor onze kinderen”, verdedigt hij zich. “Die kunnen van deze oorlog leren.”

In het gemeentehuis van Gbarnga wordt de jaarlijkse Dag van Eer gevierd. Personen en organisaties die het afgelopen jaar iets hebben gepresteerd worden in het zonnetje gezet. Op het podium zitten ministers en generaals. Ceremoniemeester is Emmanuel Todd. Hij begint met geruststellende woorden voor het handjevol belangstellenden in de zaal. “Tegen iedereen die vanmiddag niet wordt onderscheiden zeg ik: weest niet ontmoedigd, maar doe nog beter uw best!”

Tot “Man van het Jaar” wordt uitgeroepen president Taylor. Minister Paye is “Minister van het Jaar”. En de titel “Moedigste en Meest Gedisciplineerde Militair van het Jaar” gaat naar generaal Varney. Daarna volgt een cultureel programma met zang en dans. “We gaan door met de strijd tegen Amos Sawyer”, zingt de dansgroep meerstemmig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden