Deze Niod-onderzoeker is begonnen aan een nieuw oorlogsarchief: Syrië

Onderzoeker Ugur Ungor (rechts) met Akram Alsaud. Ungor interviewt Syriërs zoals Alsaud over hun leven tijdens de oorlog. Beeld Jean-Pierre Jans

Niod-onderzoeker Ugur Ungor leerde Arabisch om te kunnen praten met slachtoffers én daders van de oorlog in Syrië. Hij werkt aan een archief, zodat hun verhalen nooit vergeten worden. 

“Kijk, hier ben ik geboren, in Deir ez Zor.” Akram Alsaud wijst op de kaart van Syrië een plaats aan niet ver van de rivier de Eufraat. Zijn vinger beweegt over de kaart in zuidwestelijke richting. “Toen ik nog heel klein was, verhuisden we naar de hoofdstad Damascus. En hier in Aleppo, meer naar het noorden, heb ik gestudeerd.”

Gaziantep, een Turkse stad vlakbij de Syrische grens, staat ook nog net op de kaart. Vandaaruit vluchtte Alsaud drie jaar geleden, via Griekenland en de Balkanroute naar Nederland. En nu staat hij hier, in de woonkamer van onderzoeker Ugur Ungor in Amsterdam. Ungor heeft veel familie in Gaziantep, maar groeide op in Nederland. Hij werkt als historicus bij het Niod Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en aan de Universiteit Utrecht.

Ungor heeft een bijzondere missie, hij wil een uitgebreid archief aanleggen met zoveel mogelijk getuigenissen van Syriërs. Over het leven in tijden van oorlog en dictatuur. Een archief waar ook andere historici in de toekomst uit kunnen putten. Verhalen die ervoor zullen zorgen dat het geweld dat wordt aangericht nooit vergeten zal worden. “Dat is uit het diepst van mijn hart het belangrijkste.”

Ungor kwam op het idee toen hij van zijn collega’s bij het Niod hoorde hoe de verhalen van Nederlanders over de Tweede Wereldoorlog zijn verzameld. Destijds werden ‘gewone’ Nederlanders via de radio opgeroepen hun dagboeken in te leveren als ze dat wilden. “In Syrië worden niet veel dagboeken bijgehouden. Het is een heel mondelinge samenleving. Dus pak ik het op een andere manier aan door middel van ‘oral history’, ik laat mensen zelf hun levensverhaal vertellen.”

Aleppo 2012, een rebellenstrijder draagt zijn gesneuvelde broer de vuurlinie uit. Beeld AFP

Niet zomaar een landje

Goed luisteren naar de Syriërs zelf is volgens Ungor de enige manier om het conflict beter te begrijpen. “Syrië is niet zomaar een landje dat ergens in het Midden-Oosten ligt. Het geweld heeft een enorme impact, van Washington tot Moskou wordt hierover gesproken.” Bovendien is Syrië “een klein laboratorium voor sociale psychologie, waar je allerlei universele menselijke problemen kunt onderzoeken”, zegt hij. Wat angst met je doet bijvoorbeeld, hoe je onder erbarmelijke omstandigheden kunt overleven, of waarom daders zulk gruwelijk geweld gebruiken. “In het land zelf zijn zulke interviews onmogelijk. Omdat er zo’n miljoen Syriërs naar Europa zijn gevlucht, kunnen we nu gemakkelijk genoeg mensen spreken.”

Zoals Alsaud, die in kleermakerszit op de bank is gaan zitten. Op tafel staan thee, amandelen en zachte nougat.

Alsaud en Ungor hebben al heel wat gesprekken gevoerd samen. Dit keer wil Ungor graag weten hoe de opstand tegen de regering van Assad in 2011 begon. “Wanneer zag je voor het eerst een demonstratie, en deed je daar ook zelf aan mee?”

Alsaud steekt onmiddellijk van wal. “Dat was in april 2011, ik was twintig jaar en studeerde in Aleppo. We hadden als studenten foto’s gezien van de revolutie in Egypte en Tunesië en besloten om ook in actie te komen. We planden onze eerste demonstratie in de moskee, de enige plaats waar je met meer dan drie mensen tegelijk mag samenkomen. Na het vrijdaggebed schreeuwden we: ‘God, Syrië, vrijheid’. De slogan van het regime is namelijk ‘God, Syrië, Bashar’, de naam van de president.

Akram Alsaud, uiterst rechts, met vrienden in Aleppo aan het begin van de opstand. Beeld Privé-archief Akram Alsaud

Meer veiligheidsagenten dan demonstranten

“De demonstratie duurde maar een paar minuten, want we wisten dat de veiligheidsdiensten op ons af zouden komen en we wilden voorkomen dat we gearresteerd zouden worden. Bij die eerste demonstratie voelde ik nog angst, daarna niet meer. De demonstraties werden steeds groter. Hoe reageerde het regime, vraagt Ungor. Dat werd volgens Alsaud steeds gewelddadiger. “Ze stuurden vaak meer zwaarbewapende veiligheidsagenten op ons af dan er demonstranten waren. Ik herinner mij nog de eerste keer dat een student werd vermoord. Zijn naam was Anas.”

Terwijl Alsaud vertelt, tikt Ungor de naam van de gedode student op zijn toetsenbord en tovert al snel een filmpje tevoorschijn. Beelden van bloedvlekken op het asfalt verschijnen op het scherm. “Terwijl Akram bij dit soort gebeurtenissen aanwezig was, zag ik de beelden min of meer op hetzelfde moment in mijn appartement in Amsterdam op het web verschijnen.”

Aan video’s geen gebrek, zegt Ungor. “Het aantal uur opnames van de strijd is al vele malen groter dan de daadwerkelijke duur van het conflict.” Beelden van gevechtsvliegtuigen en uiteenspattende vatbommen, vertellen echter nog niet het verhaal van de bewoners die daar moeten leven. “Wanneer maakte je in Aleppo voor het eerst een bombardement mee?” Met zulke vragen probeert Ungor meer over Alsauds dagelijks leven in Syrië te weten te komen.

“Dat was tijdens de ramadan in de zomer van 2012”, vertelt Alsaud. “Ik maakte een lange tocht door de stad op zoek naar brood. Toen zag ik voor het eerst bommen vallen. Hoe dat eruit ziet, vind ik moeilijk te beschrijven. Tijdens het vrijdaggebed viel er een keer een vatbom op de moskee naast mijn huis. Ik kreeg allemaal wit gruis over mij heen. De angst is de hele tijd bij je. Je weet niet of je het gaat overleven.”

Een verwoeste straat in de wijk Salaheddin in Aleppo, waar rebellen hevig vochten tegen de regeringstroepen. Beeld AFP

Syrisch dialect

In welke wijk hij toen woonde, vraagt Ungor hem. De onderzoeker verdiepte zich uitvoerig in de plattegrond van verschillende Syrische steden. Maar dat niet alleen. Hij dompelde zich compleet onder in de Syrische cultuur en leerde Arabisch en specifiek het Syrisch dialect. “Dat heeft mij jaren gekost, elke week ging ik naar les en probeerde ik zo veel mogelijk Arabisch te praten.” “Toen ik Ugur voor het eerst ontmoette dacht ik dat hij een Syriër was”, lacht Alsaud. Dat was bij een lezing in Amsterdam, weet hij nog.

Ungor probeert op zoveel mogelijk plekken netwerken van Syriërs aan te boren. En dus hangt hij in café’s in Berlijn waar veel Syriërs bij elkaar komen, bezoekt moskeeën in het Turkse Gaziantep en struint Syrische verenigingen in Istanbul af. “Ik wil niet alleen met mensen uit de oppositie praten, maar ook met mensen die het regime aanhangen. Waarom staan ze achter Assad?” Nu hij de taal spreekt, komt hij makkelijker in contact met Syriërs uit lagere sociale klassen. Het lukte hem ook om daders van geweld te spreken, via Skype in Syrië en in Europa.

Het Arabisch heeft hem nog een voordeel gebracht. “Het lijkt alsof ik in de gesprekken opeens van ‘zwart-wit’ naar ‘kleur’ ben gegaan. Ik heb nu ook toegang tot emoties, want die kunnen mensen – ook als ze goed Engels spreken – het beste in hun moedertaal uiten. Positieve, maar ook heel negatieve emoties.”

Syrische termen vallen ook als Ungor met Alsaud praat over de verschillende keren dat hij in de gevangenis zat. Al­saud vertelt, af en toe vult Ungor aan. De eerste keer dat Alsaud werd opgepakt, in Aleppo, was hij nog maar twintig jaar oud. Op de universiteit klaagde hij over het corrupte regime en werd verraden. Hij belandde in een van de beruchte gevangenissen in Damascus, waar hij werd gemarteld en mensen om hem heen zag doodgaan. Wanneer hij vrijgelaten zou worden, werd hem niet verteld. Een advocaat of daglicht kreeg hij niet te zien. “Acht maanden lang wist mijn familie niet waar ik was.”

Het is voor Alsaud moeilijk om over zijn tijd in de gevangenis te praten en op dit punt gaat Ungor er daarom tijdens dit gesprek nog niet al te diep in. “Maar zelfs als het pijn doet, vind ik het belangrijk om mijn verhaal te vertellen.” Getuigenissen van overlevenden zijn namelijk de enige manier om iets te weten te komen over wat zich afspeelt binnen de gevangenismuren. Hoe bijvoorbeeld de achttien verschillende geheime diensten te werk gaan. “Toen ik werd vrijgelaten namen familieleden van vermiste personen contact met mij op. Of ik hun zoon gezien had in de gevangenis. Er zijn zo’n 200.000 mensen vermist. Vermoed wordt dat ongeveer 80.000 mensen zijn geëxecuteerd.”

Nare herinneringen ophalen kan mensen hertraumatiseren, beseft Ungor zich goed. Hij probeert dan ook zo voorzichtig mogelijk te werk te gaan. “Je raakt aan de diepste angsten van mensen. Ik kan niet in het eerste gesprek zeggen, ‘hier heb je een kop koffie en vertel maar hoe ze je vader hebben gemarteld’. Dat gaat echt niet.”

Opbouwen van vertrouwen kost veel tijd en energie. “Ik stel mijzelf open, laat zien hoe ik leef, leid mensen rond bij het Niod. Zodat ze weten dat ik bijvoorbeeld niet voor de geheime dienst van Assad werk. Je moet niet vergeten dat al twee generaties Syriërs opgegroeid zijn in een totalitair regime, waarin de vertrouwensbanden tussen mensen verbroken worden om beter controle te kunnen houden op de samenleving.”

Grenzen aan wat je vraagt

Soms kent Ungor mensen al twee jaar voordat hij ze interviewt. En dan nog zijn er grenzen aan wat hij vraagt. “Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om vrouwen, maar ook mannen, te vragen naar seksueel geweld. Alleen al een simpele vraag of iemand in de gevangenis werd uitgekleed, vind ik moeilijk om te stellen. Er zijn denk ik grenzen aan wat je kunt weten.”

Ook zijn er grenzen aan de te onderzoeken partijen in het conflict, weet Ungor. “Zo kun je niet zomaar bij

Islamitische Staat binnenlopen. En dat geldt misschien nog wel meer voor de Mukhabarat, de geheime diensten van Assad. Ja, ik heb een vurige wens om ooit een keer een archief van de Muhkabarat in te mogen zien. Ze hebben zo veel impact gehad op de wereldgeschiedenis, maar we weten er eigenlijk niets over. Heel frustrerend vind ik dat.”

Lees ook:

Syriërs willen werken, bedrijven willen ze hebben - en toch gaat het niet vanzelf goed

Syrische vluchtelingen aan het werk helpen én houden is niet makkelijk, blijkt uit onderzoek. ‘Maar er is veel mogelijk.’ 

Hoe gevaarlijk zijn de ‘kalifaatkinderen’?

In Nederland vreest de regering de terugkeer van IS-strijders, en hun kinderen. Maar zijn de ‘kalifaatkinderen’ gevaarlijk? In Irak hebben ze er ervaring mee. 

Met geweren en wat pistolen strijden tegen de Migs van Assad

Slecht georganiseerde rebellen weten zich verbazend goed staande te houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden