Deze economische crisis is geen ramp, maar een zegen

Economische groei is geen doel op zichzelf. Uiteindelijk draait het om de leefbaarheid van de samenleving. Die is sinds de crisis begon toegenomen.

Ik ben een kind van de depressie van de jaren dertig. Het maandsalaris van mijn vader, chemicus bij de HKI in Breda en later bij de AKU in Arnhem, werd ruim twee maanden na mijn geboorte, in mei 1934, met tweehonderd gulden verlaagd, vrijwel een halvering. Mijn vader behoorde nog tot de gelukkigen. Veel anderen werden ontslagen en moesten leven zonder inkomen. Daarop werd met gelatenheid gereageerd, behalve in nazi-Duitsland.

Die tijden van weleer komen niet weerom, al doet het depressieve gezicht van de directeur van het Centraal Planbureau, Coen Teulings, anders vermoeden. Aangeslagen presenteert hij een inktzwart scenario voor de groei en de werkgelegenheid, zonder enig besef dat hij illustreert dat aan de economische wetenschap geen voorspellende kracht van kwantitatieve aard kan worden ontleend. Voor het beleid van het kabinet is dat ook helemaal niet nodig.

Het gaat niet om voorspellen, maar om het uitstippelen van beleid, dat een diepe inzinking van de economie voorkomt. Voor die opgave is de suggestie van exactheid (CPB-prognoses) eerder een belemmering dan een steun.

Wereldwijd proberen landen de problemen het hoofd te bieden, met veel meer samenhang dan in de jaren dertig. Niemand weet wanneer de maatregelen effect sorteren, maar het is onwaarschijnlijk dat de bevroren toestand langdurig beklijft. Cruciaal is dat de banken terugkeren naar hun natuurlijke rol: besparingen aantrekken en kredieten verstrekken. Deze overgang voltrekt zich veeleer van de ene op de andere dag dan langs de weg van geleidelijkheid.

In nog een opzicht verschilt de huidige toestand van die van de jaren dertig. Veel economen menen dat de financiële crisis wordt opgelost, waarna wij weer overgaan tot de orde van de dag. Dat betekent net als de afgelopen jaren: nadruk op kwantitatieve groei, en een benadering van het economisch proces als een financieel proces én verdere ’dehumaniserering’ (want dat is het) van financiële transacties. Straks zijn hypotheken opnieuw ’handelswaar’ in plaats van een dienst ten bate van de consument.

Het blijf een hardnekkig misverstand dat economische groei altijd goed is. Allerwegen tekenen zich nu juist de voordelen af van minder groei. Schonere lucht, minder files, minder druk op het milieu –de leefbaarheid in de samenleving neemt toe. Het absurde van eenzijdige kwantitatieve groei van Schiphol, het ontwikkelen van de Zuidas of de Noord-Zuidlijn in Amsterdam begint eindelijk tot de bevolking en de beleidsmakers door te dringen.

Afnemende groei in de bouw betekent niet alleen minder werkgelegenheid in de bouw, maar ook minder vastgoedprojecten die slechts leegstand wachten. Afnemend consumentenvertrouwen is geen negatieve maar een positieve ontwikkeling, omdat mensen minder schulden maken en meer sparen. Het gaat er vervolgens om die extra besparingen te gebruiken voor investeringen en innovaties in de kwaliteit van het bestaan. Tegenover afnemende materiële groei van de consumptie staat dan het toenemen van de leefbaarheid in de immateriële sfeer.

De kredietcrisis staat in de schaduw van de overlevingscrisis die de mensheid bedreigt. De echte crisis, dat is de opwarming van de aarde, de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, het wereldwijde gebrek aan schoon drinkwater en het wassende zeewater, de aanslag op natuur, open ruimte en milieu bedreigen het bestaan van volgende generaties.

Daarom is de kredietcrisis een trendbreuk die de overgang markeert van nadruk op kwantitatieve, destructieve, economische groei naar nadruk op een kwalitatief hoogwaardige, duurzame en creatieve economische ontwikkeling.

Dit is de kans om afscheid te nemen van verouderde en vervuilende producties en productieprocessen en grootscheeps in te zetten op duurzaamheid en het behoud van de natuurlijke en culturele omgeving. Dit is de kans om inhoud te geven aan de werkelijke behoeften van onze kinderen en kleinkinderen.

De pleitbezorgers van een crisiswet voor ongebreidelde aanleg van wegen en infrastructuur, zoals Elco Brinkman en Bernard Wientjes, letten niet op het milieu. In hun plannen worden werkgelegenheid en het maken van winst ontkoppeld van de werkelijke behoeften van consumenten van nu en straks.

Tegenover de onvermijdelijke werkloosheid in de niet-duurzame sectoren staat straks inspirerende werkgelegenheid in duurzame bedrijvigheid. Dat perspectief ontbrak in de jaren dertig. Maar in de voetsporen van de Amerikaanse president Obama kan het Nederlandse kabinet ook van de nood een deugd maken. Het is een kwestie van integraal en vasthoudend inzetten op duurzaamheid. Dan wordt de wereld na de kredietcrisis schoner en humaner. Als dat lukt, gaat de vergelijking tussen de huidige malaise en de depressie van de jaren dertig pas écht niet meer op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden