Deze dwaaltuin van boeken

Iedereen die schrijft zou zich moet afvragen of hij het labyrint van boeken, teksten en commentaren niet nóg ondoorgrondelijker maakt dan het al is, vindt dichter en classicus Piet Gerbrandy. „Er wordt moedeloos makend veel gepubliceerd en het meeste daarvan wordt door bijna niemand gelezen.”

’La chair est triste, hélas! et j’ai lu tous les livres.’ Het vlees is droef, helaas, en ik las alle boeken.

In het gedicht dat met deze regel begint spreekt Stéphane Mallarmé (1842-1898) van een peilloos ennui, een diepe onvrede met het dagelijks bestaan die doet verlangen naar weidse verten, naar het échte leven. Dat hij reeds in het openingsvers de depressieve gevoelens koppelt aan een overdosis literatuur, zou een reden tot verwondering kunnen zijn. Wat is er mis met boeken? En staat de hartekreet niet zelf ook in een boek?

Boeken zijn ondingen, als we mogen afgaan op uitspraken van Plato (427-347 voor Chr.), zelf een van de productiefste schrijvers van de Oudheid. In de dialoog ’Phaidros’ discussieert Socrates met een jonge vriend over de waarde van retorica, en daarbij komt ook de status van de geschreven tekst aan de orde.

Geschreven woorden kunnen de indruk wekken iets verstandigs te beweren, maar als je ze iets vraagt bewaren ze een plechtig stilzwijgen, want ze kunnen niets anders zeggen dan ze al doen. Eenmaal geschreven rolt de tekst de wereld in en komt terecht bij mensen die er verkeerd mee omgaan. Maar verdedigen kan hij zich niet. Daarvoor heeft hij een advocaat nodig, idealiter de auteur zelf. Nee, de ware communicatie vindt mondeling plaats, wanneer meester en leerling oog in oog staan.

Opmerkelijk genoeg hanteert Plato voor dit gesprek toch weer een schriftuurlijke metafoor: het woord wordt deskundig in de ziel van de leerling geschreven. Van dat levende woord is het geschrevene niet meer dan een bleke, starre afbeelding. De tekst is het dodenmasker van de bezielde taal.

Er zijn boekenkasten vol geschreven om Plato’s paradox te verklaren, boekenkasten die hun eigen bestaan wensten te rechtvaardigen door aan te tonen dat Plato in de ’Phaidros’ niet serieus geweest kan zijn. Hoe kan een schrijver het boek verwerpen? Inderdaad biedt de dialoog aanknopingspunten te over om aannemelijk te maken dat Plato een spel speelt. Zo vindt het gesprek plaats in een erotisch geladen situatie, hamert Socrates op het belang van aan waanzin grenzende inspiratie, en verklaart hij dat geschreven teksten altijd een spelkarakter hebben. Helaas maakt dit het probleem erger, want hoe kun je een tekst vertrouwen die zelf beweert onbetrouwbaar te zijn?

Het is goed te bedenken dat in Plato’s tijd het schrijven en lezen van boeken nog niet vanzelfsprekend was. De schriftcultuur was nog in ontwikkeling en Plato, conservatief denker als hij was, moet begrepen hebben dat er van het boek een gevaarlijke democratische werking uitgaat.

Wanneer iedereen de beschikking heeft over literatuur, vervaagt het onderscheid tussen ingewijde en buitenstaander. Toch viel Plato ten prooi aan de lokroep van het publiceren. En wie eenmaal een boek de wereld in heeft gestuurd, kan het daarbij niet laten. Een tweede boek moet het eerste aanvullen, verhelderen of corrigeren, een derde plaatst kanttekeningen bij het tweede, en zo draagt het ene werk steeds de kiem voor het volgende in zich. De dode letter van een ’Phaidros’ kan zichzelf niet in leven houden. Dat moeten andere dode letters doen.

Zo zie je al in de Oudheid, vooral sinds de stichting van de bibliotheek in Alexandrië, een halve eeuw na Plato’s dood, een imposante commentaartraditie ontstaan, waarin gecanoniseerde teksten worden uitgegeven, verbeterd, en van geleerde inleidingen en toelichtingen voorzien, die op hun beurt door latere geleerden worden hernomen en becommentarieerd. Het is die traditie die in de Middeleeuwen wordt voortgezet, in de Renaissance verfijnd en in de achttiende en negentiende eeuw soms groteske vormen aanneemt, waarbij de oorspronkelijke tekst zozeer onder elkaar verklarende glossen wordt bedolven dat hij stikt. De negentiende-eeuwse Altertumswissenschaft propageerde immers het megalomane programma van wat August Boeckh Erkenntnis des Erkannten heeft genoemd, het willen weten van alles wat ooit geweten is en geweten kan worden.

Behalve veel onschatbare tekstcorpora, ook van teksten die geen mens wil lezen, heeft dit streven een reusachtige berg onverteerbare commentaren opgeleverd, waarin soms informatie terechtgekomen is die geen andere waarde heeft dan dat ze correct is. Op haar beurt is de commentaartraditie de afgelopen decennia object van onderzoek geworden. Onwillekeurig dringt zich het beeld op van de financiële wereld, waar het gebruikelijk is te handelen in derivaten, zoals opties. Het probleem met derivaten is dat de eigenaar nooit zeker weet hoe rijk hij is. En hoe raak je wegwijs in deze dwaaltuin van boeken?

Het kan geen toeval zijn dat juist de negentiende eeuw, die een explosie in de boekproductie te zien geeft, een dichter als Mallarmé voortbrengt. Hij schept een hermetische grammatica die tot doel lijkt te hebben niet alleen de wereld, maar ook de taal zelf op te heffen. Daarbij werkt hij bezeten aan een project dat hij, met een term uit de alchemie, zijn grand oeuvre noemt en dat bekend is geworden onder de naam ’le Livre’. „Het beoogde, maar nooit te voltooien boek slokt de wereld op”, zegt Mallarmé. Betekenisloze taal neemt de plaats in van de dingen. Het verbaast mij niet dat het vlees daar droef van wordt.

Mallarmé wordt vaak gezien als wegbereider voor wat in de humaniora de linguistic turn wordt genoemd, de neiging alles wat zich in de wereld voordoet in termen van taal te beschrijven, omdat taal het denken van de mens conditioneert. De extreemste vertegenwoordiger van die richting is de in 2004 overleden Jacques Derrida met zijn beruchte uitspraak: „Il n’y a de hors-texte.” Het buitentekstuele bestaat niet. Als dat waar is, vervalt het onderscheid tussen wereld en literatuur, verandert het universum in een monsterachtige bibliotheek en verliest het boek zijn gepriviligieerde positie als drager van kennis en cultuur.

In dat kader lees ik het verhaal ’De Bibliotheek van Babel’ uit 1941 van Jorge Luis Borges (1899-1986). Niet toevallig voert het een motto ontleend aan ’The Anatomy of Melancholy’ – dat krankzinnige, labyrintische boek van Robert Burton uit 1621 dat zo ongeveer de hele wereld omvat. „Het heelal”, zo begint Borges, „(dat anderen de Bibliotheek noemen) bestaat uit een onbepaald, en misschien oneindig aantal zeshoekige galerijen.”

De bibliotheek, die eeuwig is en waarin wij levenslang rondreizen, bevat alle mogelijke boeken, in alle talen en alle mogelijke lettercombinaties. Theoretisch bestaat er voor ieder probleem, van welke aard ook, een boek waarin de oplossing ervoor is te vinden. Wellicht is er zelfs een boek dat de perfecte samenvatting van alle andere boeken behelst.

Helaas voorziet de bibliotheek niet in een catalogus en is tot nog toe niemand erin geslaagd te ontdekken op welke wijze het boekenbezit is geordend. Zij die erin ronddwalen worden dan ook periodiek overvallen door wanhoop of razernij.

Ik wil niet suggereren dat de academische wereld een getrouwe afspiegeling vormt van Borges’ bibliotheek. Ik denk wel dat iedereen die geschreven woorden de wereld instuurt zich moet afvragen of ze het labyrint niet nog ondoorgrondelijker maken dan het al is, en of dat echt nodig is. Er wordt moedeloos makend veel gepubliceerd en het meeste daarvan wordt door bijna niemand gelezen.

Daar komt bij dat een boek zonder context altijd een dode letter is. Misschien had Plato gelijk met zijn opvatting dat bij het verwerven van ware wijsheid boeken slechts een bescheiden rol kunnen vervullen. De fysieke – Plato zou zeggen: erotische – nabijheid van leermeester en student brengt inzichten voort waar geen bibliotheek tegenop kan. En laten we niet vergeten dat de echte, opwindende wereld zich niet in teksten bevindt, maar daarbuiten.

„Je partirai!”, roept Mallarmé, „Steamer balançant ta mâture, / Lève l’ancre vers une exotique nature!” (Ik ga vertrekken! Schip, laat je tuigage deinen, / en licht het anker voor exotische domeinen.)

Ik geef toe dat ook deze regels in een boek staan.

Piet Gerbrandy is dichter, classicus en essayist. Dit is de tekst van een lezing die hij deze week uitsprak tijdens de opening van het academisch jaar bij de faculteit geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. De bijeenkomst stond in het teken van Amsterdam Wereldboekenstad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden