Detectiefje spelen tussen het beton

Het zit de tienjarige Kate niet mee. Ze woont in een achterbuurt, haar moeder is weg, haar vader gaat dood. Maar debutante O’Flynn, zelf uit zo’n buurt afkomstig, maakt van Kate een kranige heldin.

Catherine O’Flynn: Wat verloren is. Uit het Engels vertaald door Jeannet Dekker. Artemis & co, Amsterdam. ISBN 9789047200352, 267 blz. euro 17,95.

Engelse steden kunnen schitterend zijn. Middeleeuwse gebouwen opgetrokken in honingkleurige zandsteen, omringd door parken en riviertjes – plekken waar je fantasie rijkelijk wordt gevoed. Maar Engelse steden kunnen ook afgrijselijk zijn. Vooral die in het midden van het land, waar de grote industrieën zijn verdwenen en verval en werkeloosheid het stadsbeeld tekenen. In een van die steden speelt ’Wat verloren is’, het debuut van Catherine O’Flynn.

De hoofdpersoon van deze roman is Kate, een tienjarig meisje. Ze woont met haar grootmoeder in een buurt die uit troosteloze betonnen woonblokken en kunstmatige heuvels is opgetrokken. De meeste winkeliers hebben hun zaak verkocht. Alleen een tijdschriftenverkoper en een slager hebben het uitgehouden, maar de slager heeft te weinig klandizie om elke dag vers vlees te kunnen verkopen en de tijdschriftenhandelaar heeft zijn hoop op een beter leven opgegeven. Hij wordt in de winkel bijgestaan door zijn zoon Adrian, die een universitaire opleiding heeft afgemaakt, maar geen zin heeft naar passend werk te zoeken. Adrian komt voor Kate ’nog het dichtst in de buurt van een beste vriend’. Vriendinnetjes heeft ze niet, ze is, zelfs in deze buurt, die uit louter gebroken gezinnen bestaat, een buitenbeentje. Haar moeder is weggelopen toen ze nog een kleuter was, en haar vader is niet lang daarna overleden.

Kate kan goed leren, maar haar onderwijzeres, ’die in het geheel niet geschikt was om jonge kinderen les te geven’, heeft de hoop opgegeven dat ze haar leerlingen iets bij kan brengen. Naast Kate heeft ze Teresa gezet – een onaangepast, grof meisje, dat alleen maar naar school gaat om een paar uur aan de aandacht van haar gewelddadige vader te ontsnappen.

Kommer en kwel dus. Wat dat betreft lijkt deze roman een moderne variant van de droevig stemmende kitchen sink realism-romans uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, waarin het verlies aan saamhorigheid – door werkeloosheid en materiële verlangens – aan de kaak wordt gesteld.

Maar O’Flynn is geen John Osborne of Alan Sillitoe, de bekendste angry young men van vijftig jaar geleden. Het gaat haar er niet om haar lezers te shockeren door ze ruw met sociale misstanden te confronteren. En hoewel ze geen enkele poging doet om de omgeving waarin Kate opgroeit mooier voor te stellen dan die is, heeft ze haar hoofdpersoon een troostrijke gave gegeven die ze blijkbaar ook zelf als kind bezat.

Hoewel zij zelf, net als Kate, is opgegroeid in een troosteloos deel van Birmingham, zoals ze in een interview vertelde, was ze ’gezegend met een oeverloze nieuwsgierigheid’, waardoor ze zich geen moment verveelde of alleen voelde. Kate is niet alleen nieuwsgierig, maar bezit ook een grote mate van zelfstandigheid, fantasie, een open geest en een rotsvast vertrouwen in de voordelen van het goed zijn voor anderen.

Als Kate van haar vader vlak voor zijn dood ’Het groot detectivehandboek’ krijgt, richt ze haar eigen detectivebureau op. Om aan opdrachten te komen gaat ze, samen met een geliefd knuffeldier dat ze tot haar compagnon heeft benoemd, zelf op zoek naar verdachte personen.

Die vindt ze vooral in het nieuwe winkelcentrum aan de rand van de stad, een reusachtig complex met glazen liften en glimmende balustrades. Al haar vrije tijd stopt ze in het bespioneren van mensen die zich ongewoon gedragen, en dankzij haar grote fantasie zijn dat er heel wat. ’Speurders moeten dapper zijn’, is Kate’s credo. En dapper is ze – soms zelfs een beetje te dapper voor een sociaal voelend tienjarig meisje.

Als Kate erachter komt dat Teresa zich op school verveelt doordat ze vele malen intelligenter is dan de andere kinderen, besluit ze haar klasgenoot te redden door haar bij haar speurderszaken te betrekken. De toekomst ziet er, zo stelt ze vast, helemaal niet zo gek uit. „De politie zou merken hoe nuttig ze kon zijn. Hoeveel andere kinderen konden bogen op een training als de hare? Hoeveel anderen waren net zo onzichtbaar als zij leek te zijn?”

Helaas is Kate geen toekomst gegund. In het tweede deel van ’Wat verloren is’ blijkt dat ze nog voor haar elfde verjaardag letterlijk onzichtbaar is geworden – ze is verdwenen. In dit deel, dat negentien jaar later in hetzelfde, maar grondig gerenoveerde winkelcentrum speelt, heeft O’Flynn de hoofdrollen gegeven aan Lisa, een manager in een muziekwinkel, en aan Kurt, een bewaker. Lisa en Kurt hebben veel met elkaar gemeen. Net als Lisa voelt Kurt ’niet de ambitie iets anders te doen, maar hij vond wel dat hij dat moest doen’. Zowel Kurt als Lisa lijdt onder de moeilijke verhouding met hun ouders en hebben moeite de juiste partner te vinden.

Even lijkt het erop alsof O’Flynn met de nieuwe personages en hun gedetailleerde verhalen de consistentie verliest van het eerste deel, dat helemaal om Kate draait. Maar doordat O’Flynn de verhalen van Kurt en Lisa stukje bij beetje met Kate’s geschiedenis verbindt, wordt de roman steeds spannender en intrigerender.

Als aan het slot duidelijk wordt wat er met Kate is gebeurd, ontvouwt zich een uitgebreid patroon van verbindingen. Lisa blijkt de zus te zijn van Adrian, die van huis is weggelopen, nadat hij door de politie ervan verdacht werd Kate ontvoerd te hebben. En Kurt heeft Kate waarschijnlijk als laatste gezien, toen hij als jongetje spijbelend in het winkelcentrum zijn tijd doodde. Als dan ook Teresa weer in het verhaal opduikt, is de geschiedenis rond.

Wat een deprimerend verhaal over sociale spanningen, problematische gezinsverhoudingen en de uitwassen van het westerse kapitalisme had kunnen worden, blijkt de vorm en inhoud van een modern sprookje te hebben gekregen. Droevig, omdat een klein meisje lijkt te zijn opgeofferd voor het geluk van anderen. Maar toch hoopgevend, omdat het laat zien dat ook betonnen landschappen zich met enige verbeeldingskracht in ware avonturenparken laten veranderen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden