Deskundigen: Geloof niet alles wat politici over cijfers zeggen

Beeld Brechtje Rood

Bijna nergens leunt de politiek zo sterk op cijfers en prognoses als in Nederland. Vooral in verkiezingstijd laait de stress erover op, zeker nu er historische beslissingen nodig zijn over het klimaat. Maar geloof niet alles wat politici over die cijfers zeggen, adviseren deskundigen.

Slechts één week voor de Statenverkiezingen van 20 maart zal er bij politieke partijen een onderzoeksrapport op de mat vallen waarvoor al die partijen nu al klaar zitten. Vol ongeduld zullen ze gaan bladeren door de tabellen en sommen die het Planbureau voor de Leefomgeving heeft opgesteld over het Klimaatakkoord.

Hebben die partijen zelf dan niet allang een standpunt over het klimaatbeleid, hebben ze niet al gekozen welke kant ze willen opgaan? Jazeker wel, kijk de verkiezingsprogramma’s er maar op na. Maar hun definitieve standpunt over het Klimaatakkoord bepalen ze pas met de cijfers achter de komma in de hand, en geen minuut eerder.

Op die woensdag in maart zullen in ijltempo telefoontjes gepleegd worden, tussen de klimaatspecialisten en de financiële whizzkids in de partij. Er zal druk verkeer in appgroepen volgen. Met cijfers zullen ze elkaar bestoken in de laatste week van de verkiezingscampagne. Over cijfers zal het gaan in de laatste week van de campagne.

Eerst doorrekenen, daarna pas beslissen, dat is in vijf woorden hoe in Nederland de grote politieke knopen worden doorgehakt (of hoe dat nog even wordt uitgesteld). Zo zijn we het gewend. Bijna nergens ter wereld zijn er zoveel planbureaus en kennisinstituten die beleid doorrekenen. En in weinig landen is er bij politieke partijen inmiddels zoveel ervaring met hoe je cijfers kunt pareren, selecteren en naar je toe redeneren. De president van de Algemene Rekenkamer, Arno Visser, mopperde er dit weekeinde nog over: politici ‘hechten erg aan cijfers en projecties, maar gaan er wat minder nuchter mee om’.

De cijferstress bereikte de afgelopen week in de Tweede Kamer grote hoogten. Sowieso gaat het in de Kamer al maanden over koopkrachtplaatjes en betaalbaarheid van de klimaatplannen. Maar de Kamer ontplofte toen bleek dat huishoudens dit jaar honderden euro’s meer kwijt zijn aan hun energienota dan het kabinet onlangs nog stellig beweerde. Cruciaal in dat debat was dat het kabinet citeerde uit een rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Beeld Brechtje Rood

Het geloof in de rekenmeesters van het PBL kreeg er een flinke knauw door. CDA en VVD twijfelen openlijk aan de betrouwbaarheid van het planbureau, net nu dat op het punt staat om met de belangrijke doorrekening van de plannen uit het Klimaatakkoord te komen. De VVD heeft de vraag al opgeworpen of het PBL wel geloofwaardig is – een indicatie dat die fractie de doorrekening van de klimaatplannen zal gaan aanvechten. En ook GroenLinks heeft vragen: volgens die fractie bestaat het PBL nog te kort om nu al doorwrochte berekeningen te maken.

Een loopje

Die twijfel aan het planbureau is niet terecht, vindt de Leidse econoom Wimar Bolhuis. Premier Rutte erkende vrijdag dat het PBL geen blaam treft en een ‘heel goed functionerend’ planbureau is. Maar, zegt Bolhuis, “minister Eric Wiebes van economische zaken gaf het PBL de schuld van de te lage inschatting van de energierekening. En CDA-leider Buma volgde dit voorbeeld. Terwijl zij weten dat de fout niet bij het PBL lag. Het ministerie gaf zelf een verkeerde voorstelling van zaken door cijfers voor 2017 te gebruiken voor 2019.”

Het PBL is relatief jong en daardoor nemen politici er makkelijker een loopje mee, ziet Bolhuis. Hij promoveerde op onderzoek naar de doorrekeningen van verkiezingsprogramma’s en regeerakkoorden door het oudste en bekendste planbureau, het Centraal Planbureau (CPB). Dat regeringen en ook Kamerfracties zo gefixeerd zijn op rapporten van planbureaus, komt vooral door de solide reputatie die dit bureau heeft opgebouwd. In de afgelopen 33 jaar was er ook vaak kritiek, maar die is verstomd.

Inmiddels telt Nederland drie planbureaus: behalve het CPB (economie) ook het Sociaal en Cultuur Planbureau (leefbaarheid) en het PBL (natuur en milieu). Daarnaast hebben alle ministeries hun eigen, onafhankelijke raadgevers in de vorm van kennisinstituten. De wetenschappelijke status van de planbureaus CPB, SCP en PBL is volgens Bolhuis ‘ijzersterk’. Ze worden regelmatig beoordeeld door externe deskundigen en de resultaten daarvan zijn heel goed.

Formatietafel

Een serieuze politieke partij kan bijna niet om het CPB heen. Een partij die haar plannen niet door het CPB op hun effecten voor de economie heeft laten beoordelen, kan een plaats aan tafel bij het formeren van een nieuw kabinet wel vergeten. Bolhuis: “De enige partij die ooit zonder CPB-doorrekening aan de formatietafel zat, was in 2002 de LPF.”

Met dat doorrekenen begon het CPB in 1986, toen nog maar drie partijen het waagden om hun verkiezingsprogramma te laten doorrekenen. Daarmee is de traditie begonnen van politiek bedrijven door op cijfers en prognoses te leunen. Sindsdien schermen lijsttrekkers steevast met mooie doorrekeningen die bewijzen dat hun ideeën de economie zullen opkrikken.

Neem die beweringen met een korreltje zout, adviseert Bolhuis. “Veel partijen weten inmiddels precies welke cijfers ze moeten aanleveren om goed uit de modellen van het CPB te komen. En als ze er niet goed afkomen hebben ze vaak een excuus. Ze zeggen dan bijvoorbeeld dat ze in onderwijs investeren, wat wel goed is voor de economie, maar niet scoort in de CPB-modellen.”

Omdat prognoses, cijfers en tabellen het lot van een politiek besluit kunnen maken of breken, leunen ook ministeries zwaar op de planbureaus en de kennisinstituten. Zie alleen al de getallen: met de planbureaus erbij telt Nederland zestien onafhankelijke ‘publieke kennisorganisaties’, zo turfde één van die organisaties een paar jaar geleden. Alleen al bij het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn 1800 formatieplaatsen aan deskundigen beschikbaar om de overheid en de samenleving van de juiste cijfers te voorzien.

Beeld Brechtje Rood

Omdat ministers weten dat het politieke lot van hun plannen kan staan of vallen met overtuigende prognoses en getallen, kan de verleiding groot worden om zich tegen een onderzoek aan te bemoeien of later selectief te shoppen in de resultaten. Zo had het ministerie van justitie driemaal een ‘onbehoorlijk’ dikke vinger in de pap bij onderzoek van het instituut WODC, dat onafhankelijk moest zijn (zie kader).

Dikke vinger

“Dat is de klassieke discussie: zit het ministerie er te dicht bovenop?”, zegt politicoloog Paul Dekker, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau. “Prognoses van de rekenmeesters lagen wel vaker onde vuur, maar daar is een nieuwe discussie bijgekomen: deugen de onderzoeksrapporten zelf wel? Het is dezelfde scepsis waar universiteiten tegenaan lopen.” Die scepsis klinkt vooral op sociale media en geeft een vertekend beeld van het algemene vertrouwen in de wetenschap, zegt Dekker. “Een ruime meerderheid van de Nederlanders heeft nog steeds vertrouwen in wetenschappelijk instituten.”

De Nederlandse traditie van het doorrekenen van politieke plannen is eigenlijk een soort polderwijsheid, ziet Dekker. “Wij zijn een land van coalitievorming, van veel overleg en akkoorden sluiten. Feiten en cijfers inbrengen past daarbij. In Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, is dat ondenkbaar. Daar staat een hoge muur tussen de overheid en de wetenschap. Daar wil de politiek vrijelijk kunnen winkelen en piekert de regering er niet over zich min of meer bindend te laten adviseren door kennisinstituten. De politiek is er veel politieker, met als nadeel dat wetenschappelijke onderbouwing er bij besluiten minder toe doet.”

Een apart bureau als het SCP, dat het welzijn van de inwoners ging onderzoeken, was in 1973 al helemaal een wereldprimeur. Ook het aparte planbureau PBL voor natuur en milieu is uniek.

Muur

Alsnog een muur optrekken tussen de politiek en de wetenschap is volgens onderzoeker Wimar Bolhuis geen goed idee. Hoe vaak het de komende verkiezingscampagne ook zal gaan over procentjes achter de komma in de berekeningen over de klimaatplannen of over de koopkracht, de onderbouwing blijft zinnig. Nederland is juist slim om goed naar koopkracht te kijken.

“Koopkrachtcijfers geven een richting aan. Die heb je nodig om beleid te maken. Voor een klimaatakkoord heb je ook een inschatting nodig van de kosten voor de burger. Dan kan een politicus plannen verdedigen. Als we maar niet vergeten: het zijn inschattingen, scenario’s, en die hoeven niet per se helemaal te kloppen. Ze geven wel een onderbouwde richting aan. En die richting is bijna altijd goed.”

De hoge energienota

Het is een grote verrassing als het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) half februari vaststelt dat de energierekening in 2019 voor een huishouden gemiddeld 334 euro hoger uitvalt. Twee weken eerder had minister Eric Wiebes van economische zaken nog geruststellend gezegd dat het 108 euro zou zijn. De Tweede Kamer staat op de achterste benen. Wiebes verklaart de misgreep door te verwijzen naar verouderde cijfers van het Planbureau voor de leefomgeving (PBL). Daarmee krijgt het PBL de schuld. Maar er zijn geen andere cijfers waarmee het PBL kan rekenen. Wel schatte een aantal deskundigen eind vorig jaar de rekening al veel hoger in dan de optimistische minister Wiebes.

Het ministerie keek mee

Het wetenschappelijk instituut van het ministerie van justitie (WODC) is onlangs zélf onderzocht, nadat de top van het ministerie zich vergaand bemoeide met een WODC-studie naar het drugsbeleid. Een onderzoekscommissie concludeerde: het instituut heeft moeite zijn onderzoeken onafhankelijk uit te voeren. Ambtenaren willen bijvoorbeeld meebeslissen over de uitkomsten, zodat de conclusies in het straatje van de regering passen. Of ze willen een bepaalde onderzoeksvraag liever niet beantwoord zien. WODC-medewerkers moesten tegenover ambtenaren ‘vechten’ voor hun wetenschappelijke integriteit. Minister Grapperhaus grijpt nu in en plaatst het instituut op afstand. Dat verlaat het gebouw van het ministerie.

Tegenvallende koopkracht

Bij koopkrachtcijfers is de verwachting meestal anders dan de werkelijkheid. Vorig jaar deed zich zoiets voor: de voorspelling (opgesteld in de zomer van 2016) voor 2017 luidde dat er 1 procent bij zou komen. Het CBS berekende achteraf (in de loop van 2018) dat de koopkrachtstijging in werkelijkheid de helft lager was. Bij een mooie prognose op Prinsjesdag kraait het kabinet victorie en als het later tegenvalt roept de oppositie ‘boeh’. In de Tweede Kamer werd schande gesproken van de foute berekeningen. Maar het rekenmodel gaat ervan uit dat er niets verandert in de leefsituatie van de burger. In het echte leven is dat natuurlijk wel het geval.

Lees ook: 

Ook Rutte door het stof over energierekening

Premier Mark Rutte bekende vrijdag schuld over de fout met de energierekening. Die stijgt niet met de eerder door het kabinet voorspelde 108 euro, maar met 334 euro. Rutte pleitte het Planbureau voor de Leefomgeving vrij.

Niet elk onderzoek is WC-eendwetenschap

Columnist Hieke Huistra legt uit waarom het soms misgaat met onafhankelijke onderzoeken over politiek gevoelige onderwerpen. Zij is wetenschapshistorica aan de Universiteit Utrecht. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden