Review

Dèr Mouw laat me niet meer los

De meest indrukwekkende literaire ervaring uit mijn leven kan ik me nog herinneren als de dag van gisteren. Ik was twaalf jaar en had de vertrouwde omgeving van mijn ouderlijk huis achter me gelaten om op kostschool in een landelijk dorpje bij Nijmegen mijn middelbareschooltijd door te brengen.

Het zal begin september geweest zijn. De ramen van het klaslokaal, dat uitkeek op een weelderige binnentuin, stond wijd open. In de lucht hing de aangename geur van de laatste zomerdagen. Voor het vak Nederlands had ik een docent, die een liefhebber van poëzie was. Hij had de gewoonte om iedere week een gedicht op het bord te schrijven en het daarna voor te lezen. Hij ging er verder niet op in, maar liet je het overnemen in een schriftje en ieder moest maar zien wat hij ermee deed. Een onorthodoxe methode, waar de moderne onderwijspedagogen waarschijnlijk de vloer mee zouden aanvegen. Maar het onderwijs werd in die tijd - het was 1961 - nog niet geteisterd door de strakke voorschriften van de deskundologen uit Zoetermeer en docenten hadden nog voldoende ruimte om binnen hun lessen persoonlijke accenten aan te brengen.

Gelukkig maar, want anders was ik nooit zo vroeg op het spoor gezet van wat een belangrijke rol in mijn leven zou gaan spelen. Op het bord verscheen de naam Johan Andreas dèr Mouw en daaronder het volgende sonnet:

't Is zomer, zondagmorgen. Een toneel

zie 'k plotseling voor me uit verre jongensjaren:

ik lig in het gras, er liggen rozenblaren

overal om me, roze en wit en geel;

mijn moeder speelt piano, 't laatste deel

van Gounods Faust. En 't leek op eens, als waren

aan 't trillen ergens in mij zelf de snaren,

en 't bonsde door mijn borst tot aan mijn keel.

En 'k huilde en huilde, tot mijn moeder kwam,

en me aaide en kuste en me in haar armen nam,

en 'k gaf, gelukkig, haar de liefste naam.

'k Zie rozen. Ik word grijs. De herinnering

voel 'k trillen in mijn keel, en 't is me, als zing

ik stil: ,,Anges des cieux, portez mon âme.'

Een eigenaardig gedicht om een kind van twaalf voor te schotelen, zeker als je de laatste strofe in aanmerking neemt. Maar die woorden hadden toch iets bij me losgemaakt en ik bleef ze steeds weer herlezen. Er was natuurlijk een aantal regels waar ik maar weinig van begreep. Achteraf ben ik blij dat mijn leraar niet op zijn hurken is gaan zitten om te voorkomen dat het ons boven de pet zou gaan. Zo kwam ik er al vroeg achter dat je een gedicht niet volledig hoeft te begrijpen om het toch mooi te vinden.

Nu ik erop terugkijk is het niet moeilijk vast te stellen waarom juist dat gedicht zo'n verpletterende indruk op me maakte: mijn tere kinderziel, zo abrupt weggerukt van huis en haard, kon zich gemakkelijk identificeren met de emoties die in de tweede en derde strofe beschreven werden en als ik die regels overlas begonnen ook in mij de snaren te trillen en voelde ik het heimwee als een kluwen wormen door mijn maag kronkelen. Ik zag de rozenblaren in de tuin van mijn ouders en hoorde de pianomuziek door de open serredeuren naar buiten golven en viel ten prooi aan verwarde emoties omdat het half bewust tot mij begon door te dringen dat ik de deur naar het onbezorgde domein van mijn jeugd definitief achter me had dichtgetrokken.

Ik had het raadsel van de poëzie leren kennen op het meest zuivere niveau, dat van de onbevangen intuïtie. Jaren later, gepokt en gemazeld door de rationele logica van het onderwijssysteem, begon ik de analytische methode op gedichten los te laten en ontdekte op die manier weer andere betekenislagen. De fascinatie voor die merkwaardige Dèr Mouw liet me overigens niet los: binnen de literatuurgeschiedenis bleek hij niet gemakkelijk te etiketteren: hij hield zich verre van literaire bewegingen en ging onverstoorbaar zijn eigen gang. Het is vooral aan de artikelen van Victor van Vriesland en Menno ter Braak te danken dat hij niet in de anonimiteit is verdwenen.

Dèr Mouw, die in 1863 werd geboren, studeerde klassieke talen en filosofie en vooral het laatste boeide hem mateloos. Als wijsgeer was hij vooral geïnteresseerd in de kennistheorie en met name de relatie tussen subject en object. Immanuel Kant, die bewees dat we de exacte relatie tussen subject en object nooit kunnen beschrijven en Arthur Schopenhauer, die de samenhang tussen die twee vooral formuleerde in relatie tot het metafysische principe van de 'wil', die aan beide ten grondslag zou liggen, waren voor Dèr Mouw in die tijd belangrijke inspiratiebronnen. Schopenhauer zette hem bovendien op het spoor van de oosterse filosofie.

Daar vond hij ten slotte de oplossing voor het filosofische probleem waar hij mee worstelde. In de Oepanisjaden, de heilige hindoe-geschriften, die tussen 800 en 400 voor Christus werden geboekstaafd, staan twee begrippen centraal: Atman, dat zoveel betekent als 'het eigen Ik' en Brahman, het Goddelijke principe of 'de wereldziel'. Kennis ontstaat, kort gezegd, wanneer je beseft dat het onderscheid tussen subject en object maar schijn is en dat Atman en Brahman samenvallen. Dat inzicht, dat eerder mystiek dan kennistheoretisch veroverd kan worden, wordt in het Sanskriet aangeduid met de term Advaita, 'tweeheidloos'. Dèr Mouw voelde zich zo bevrijd door dat inzicht dat hij vanaf dat moment Advaita als pseudoniem hanteerde. Hij nam afstand van een strikt intellectuele benadering en gaf ruim baan aan de intuïtie. Tussen 1913 en 1919, het jaar van zijn dood, schreef hij een stroom gedichten, die in twee delen, Brahman 1 en 2, na zijn dood zouden verschijnen. Kenmerkend voor zijn dichterschap is, zoals Kees Fens het heeft verwoord, dat hij het stijlmiddel van de vergelijking nodig heeft om de gelijkheid van alles te verwoorden, om de paradoxen van het bestaan op te heffen. Dat principe is ook terug te vinden in het bovengenoemde gedicht en het zou jaren duren voordat ik het in zijn volle omvang met al zijn betekenislagen zou begrijpen.

Het bestuderen van Dèr Mouws filosofische ontdekkingsreis heeft het begrip voor zijn gedichten zeker verdiept. Maar om de magie van zijn woorden te kunnen bewonderen, had ik al die kennis niet nodig. De intuïtie van een kind was meer dan voldoende.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden