Denker tegen de hoop

Het is vandaag honderd jaar geleden dat Albert Camus werd geboren. Tijd voor herwaardering van de Franse existentialist, zegt filosoof Ruud Welten. 'Camus is een heilzaam tegengeluid. Juist nu.'

Zelfmoord, vond de Franse romancier en filosoof Albert Camus (1913-1960), is het enige werkelijke probleem van de filosofie. Is het leven de moeite waard of niet? Als je meent dat het van iedere zin is verstoken, kun je net zo goed meteen voor de trein springen. Voor Camus, zoveel is duidelijk, was filosofie allesbehalve vrijblijvend. Vandaag is het precies honderd jaar geleden dat hij werd geboren.

Die uitspraak over zelfmoord, aan het begin van Camus' beroemde essay 'De mythe van Sisyphus' uit 1942, was het eerste wat filosoof Ruud Welten van de Franse existentialist las. Hij werd er meteen door gegrepen. Welten: "Ik studeerde in de jaren negentig, de hoogtijdagen van het postmodernisme. In de mode waren denkers als Deleuze, Derrida en Lyotard. Sartre en Camus, die las je niet meer, dat was achterhaald. Ik vond die postmoderne filosofie fantastisch, maar er bekroop mij ook een ontevreden gevoel. Teksten verwezen in deze filosofie alleen nog maar naar andere teksten, ze bleef boven de werkelijkheid zweven. Bij Camus stond er echt wat op het spel."

Inmiddels zijn die postmodernen zelf alweer passé, aldus Welten. Dat geeft ruimte voor een herwaardering van existentialisten als Camus, hoopt hij. "Wat ik heerlijk vind, is hoe zij hun gedachten op de spits dreven. Denkers als Camus en Sartre zochten bewust niet naar de nuance, maar gingen tot aan de rand, of er net overheen, om te kijken waar je dan uitkomt. Zoals Sartre schrijft in 'De walging': 'ik wil een boek schrijven dat je het mes op de keel zet'. Geen wonder dat vooral jongeren zich tot deze filosofie voelen aangetrokken. De felheid, de ernst. Als mensen ouder worden zeggen ze vaak: ja, dat existentialisme, het is allemaal wel wat simpel. Daar zit wat in: Camus' denken blinkt niet uit in subtiliteiten. Maar er gaat wel een enorm appèl van uit."

Welk appèl?

"Camus schreef in de schaduw van de Tweede Wereldoorlog. Voor Camus was dat een ervaring die elke grond onder de mogelijkheid van metafysische systemen had weggetrokken. Het leven is absurd, zo verwoordt hij dat: er is geen antwoord op de vraag waarom we er zijn, er is geen God, geen ultieme verklaring, geen zin voor al het lijden. De maatschappij kan, als het erop aankomt, elke moraliteit laten varen. Je bent op jezelf aangewezen."

Dat klinkt eerder deprimerend dan appellerend.

"Camus roept op om die absurditeit van het bestaan in de ogen te kijken. En er tóch niet in te berusten. Dat is de boodschap van 'De mythe van Sisyphus'. Sisyphus werd door de goden gestraft: hij moest een steen telkens weer de berg op duwen, ook al zou de steen onvermijdelijk weer naar beden rollen. Toch was er nog steeds ruimte voor verzet, schrijft Camus. Door die straf als zijn eigen levensproject te aanvaarden, ontnam Sisyphus de goden hun macht en werd hij een vrij individu. Het gaat er dus niet om dat je je bij het absurde neerlegt, maar dat je ertegen in verzet komt, en toch weet te leven zonder hogere instantie. In 'De mens in opstand' uit 1951 trekt Camus deze lijn verder door. Kenmerkend voor de mens is dat hij in opstand kan komen. Hij ligt niet vast en moet zich ook niet vast láten leggen. Niet door een of andere godheid, niet door dictators, niet door omstandigheden."

Verbond Camus ook politieke consequenties aan zijn filosofie?

"Ja, maar anders dan je zou denken. Camus was allergisch voor utopisme, voor elke neiging de onzekerheid van het bestaan op te heffen. Van verzet moet je nooit een systeem maken, zei hij. Dan dreig je de vrijheid die je vond door je te verzetten juist weer op te geven. Camus wantrouwde de hoop. Hij was een denker tegen de hoop. Zodra hoop politiek wordt uitgebuit gaat het mis, zei hij. Dan laat je je al snel weer definiëren door een ideologie. Om die reden distantieerde Camus zich ook van het communisme; aanvankelijk was hij lid van de communistische partij. De aanzet tot revolutie waardeert hij, de revolte, de fase dat je 'nee' zegt. Maar hoe je vervolgens verder moet, dat is een mijnenveld. Hij komt daar niet echt uit. Soms lijkt hij te zeggen: je kunt maar beter geen revolutie beginnen en de situatie accepteren zoals ze is."

Dus maar niets doen, uit angst voor ideologische verdwazing?

"Je mag natuurlijk proberen je leefomstandigheden te verbeteren. Daar is hij niet tegen. Het is meer zo dat Camus ervoor waarschuwt om je te sterk aan irreële ideeën vast te klampen. Dat leidt al snel tot nieuwe vormen van geweld. Zoals in communistisch Rusland. Of in Zuid-Amerika in de jaren zeventig, waar revoluties eindigden in vreselijke terreur."

Maar predikte Camus nu berusting of verzet? Was hij een stoïcijn of een revolutionair?

"Allebei een beetje. Dit is een fundamentele spanning in zijn denken. Zijn tijdgenoten verweten hem dat hij geen partij durfde te kiezen. In het intellectuele milieu van Camus' tijd was alles zwart-wit. Je had je in de oorlog tegen de Duitsers verzet of je was een collaborateur geweest. Je was een communist of je was een verrader. Camus kon daar niet goed mee overweg. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van Algerije, in de jaren vijftig nog een Franse kolonie, leidde dat tot een harde botsing tussen Camus en Sartre. Camus, opgegroeid als pied noir in Algerije, wilde gewoon dat het geweld zou stoppen, dat er geen terroristische aanslagen meer plaatsvonden. Hij wilde iedereen met elkaar verzoenen. Dat impliceerde dat Algerije een kolonie moest blijven. Mensen als Sartre vonden dat onacceptabel. Laf. Soms is het keihard nodig om geweld te gebruiken, zei hij. Ook ik vind Camus uiteindelijk té pacifistisch. Hij wilde geen vuile handen maken. Maar zijn huiver voor ideologisch gemotiveerd geweld houdt mij wel scherp."

Hoe helpt Camus' denken u in de praktijk?

"Dat ik me geen rad voor de ogen laat draaien. Mensen zoeken altijd naar manieren om de werkelijkheid begrijpelijk te maken. En zo kijken ze naar hun eigen leven, als een zinvol verhaal met een begin, een einde en een moraal. Maar misschien is die er wel niet en moeten we het leven niet zien als een opstijgende lijn, een project waar je steen voor steen aan bouwt en dat je op een gegeven moment 'voltooit'. Je leven als kunstwerk, met zo'n aaibaar humanisme maakt Camus korte metten. Het tragische van het menselijke bestaan is dat je nooit het definitieve punt zult bereiken waarop je klaar bent, alles overziet en 'het' begrijpt."

Camus roept op tot autonomie, maar is het probleem tegenwoordig niet juist een te ver doorgeslagen autonomie-ideaal?

"Natuurlijk, we leven in een andere tijd dan Camus. Hij streed tegen grote, dwingende ideeën, tegen de utopie van bijvoorbeeld het communisme. Tegenwoordig zijn we het tegenovergestelde van utopisch. Wij zijn behoudzuchtig: wij zien onze samenleving als een utopie die al is verwezenlijkt, nu moeten we die zien te beschermen. We zijn geobsedeerd door beveiliging. Door normen en waarden. Door identiteit. Elk gehucht in Brabant heeft tegenwoordig wel een eigen 'identiteit'. Maar ook in deze nieuwe context is Camus een heilzaam tegengeluid. Juist nu. Want, zou hij betogen, er bestaan geen vaste identiteiten. Dat is zelfbedrog. Door onszelf zo in hokjes te duwen of ondergeschikt te maken aan een groter geheel beroven we onszelf van onze vrijheid."

Ruud Welten
Ruud Welten (1962) is docent aan Universiteit van Tilburg en lector bij de hogeschool Saxion te Deventer. Hij schreef onder meer 'Zinvol geweld: Sartre, Camus en Merleau-Ponty over terreur en terrorisme' (2006) en 'Het ware leven is elders: Filosofie van het toerisme' (2012). Hij promoveerde op Emmanuel Levinas en geldt als een kenner van de fenomenologie en de moderne Franse filosofie, in het bijzonder van Sartre. In 2010 schreef hij een toneelstuk over Camus en Sartre, getiteld 'De hel'.

Honderd jaar Camus
Vanavond geeft Ruud Welten een lezing in de aula van de Radboud Universiteit in Nijmegen over de blijvende actualiteit van Camus. 20.00-22.00, aanmelden via www.ru.nl.

Zaterdag en zondag houdt de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden een Camus-symposium. Aanmelden via www.isvw.nl.

Albert Camus
Albert Camus werd op 7 november 1913 geboren in Dréan (toen: Mondovi) in Algerije. Zijn vader heeft hij nooit gekend; hij overleed in 1914 als soldaat in de Eerste Wereldoorlog. Camus studeerde aan de universiteit van Algiers, waar hij door tuberculose enige studievertraging opliep, en waar hij afstudeerde op een verhande- ling over het neoplatonisme. Hij schreef toneelstukken, korte verhalen, essays en romans: 'De Vreemdeling' (1942), 'De pest' (1947) en 'De val' (1957), die zich in Amsterdam afspeelt. In 1957 kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur. Hij overleed onverwachts door een auto-ongeluk in 1960.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden