Denken over dichten

Waarom is de Nacht van de Poëzie altijd uitverkocht terwijl moderne dichtbundels nauwelijks verkopen? Is moderne poëzie moeilijker dan oude? Kunnen we nog iets leren van poëzie? Trouw-redacteur Peter Henk Steenhuis voerde het afgelopen jaar vele gesprekken met de Amsterdamse filosoof Theo de Boer (1932). Over poëzie.

Preciezer: over de relatie tussen poëzie en filosofie. De Boer is van jongs af aan gegrepen door poëzie. Sinds de jaren tachtig betrekt hij de dichtkunst bij zijn filosofische werk. De komende maanden zal onder de titel ’Denken over dichten’ de weerslag van deze gesprekken in Letter & Geest verschijnen.

Poëzie is populair. In Utrecht is de Nacht van de Poëzie altijd uitverkocht. In Rotterdam trekt Poetry International telkens meer bezoekers. Na een paar jaar is de Gedichtendag al een landelijke traditie geworden. Op rouwadvertenties is een dichtregel eerder regel dan uitzondering. De verkiezing van de Dichter des Vaderlands is een happening. En toch.

En toch verkopen de meeste dichters niet meer dan een paar honderd exemplaren van een nieuwe bundel. En toch spelen dichters, zeker in vergelijking met vroeger, een marginale rol in de samenleving. En toch lijkt poëzie tijdverdrijf te zijn geworden voor de happy few. Zijn die feiten te rijmen?

Een paar jaar geleden schreef ik voor de krant een reportage over de Nacht van de Poëzie. Voor aanvang van de poëtische hoogmis vroeg ik een bezoeker waarom ze hier eigenlijk was. De vrouw reageerde verbaasd. Dit was duidelijk een domme vraag: ze hield van poëzie. Las ze dan veel gedichten? Te weinig. Waarom? Ze kwam er niet aan toe, geen tijd. Ook ’s avonds niet? Dan had ze, gaf ze toe, geen fut meer. Een gedicht van vroeger, dat sloeg ze voor het slapen gaan nog wel eens op, maar ze had geen moed meer zich in een nieuw gedicht vast te bijten. „Daarvoor vind ik moderne gedichten ook veel te moeilijk.”

Is poëzie moeilijk? Moeilijker dan vroeger? „Ja”, zegt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer. „Een gymnasiast leest makkelijker een Romeinse dichter als Horatius dan een moderne dichter uit de 20ste eeuw als Lucebert. Ik heb me vaak afgevraagd wat daar de reden van is. Zijn de poëtische technieken gecompliceerder geworden? Zijn stijlmiddelen als metafoorgebruik, rijm, enjambement belangrijker geworden? Waarschijnlijk wel.”

Hoe komt dat?

„De historicus Johan Huizinga schrijft in ’Herfsttij der Middeleeuwen’ dat men tot in de 13de eeuw alles op rijm kon zetten, tot geneeskunde en natuurlijke historie toe. Men las om iets te leren, en dat ging gemakkelijker wanneer de tekst op rijm stond. In de 15de eeuw, stelt Huizinga, vindt er een ontrijming plaats. Deze derimage is een overgang naar een nieuwe geest.”

Die nieuwe geest leerde niets meer van poëzie?

„Dat kun je zo niet zeggen. Poëzie leverde geen feitenkennis meer, geen historische of medische kennis. Maar men kon nog wel iets van poëzie leren. Vanaf Horatius heeft de dichter altijd een bijdrage geleverd aan het deugdzame leven van mannen en vrouwen. Van Horatius is ook de bekende leidraad voor de dichters: utile dulci. Zij moeten het nuttige paren aan het aangename. Het nuttige is de inhoud, het zoet de verpakking: rijm, ritme, beeldspraak.

Het rijm is het versierende element dat bij kennisoverdracht gemist kan worden. De inhoud is in eerste instantie een morele. Horatius zag zichzelf als moralist. Poëzie was een middel om de Romeinen goede karaktertrekken bij te brengen en tot fatsoenlijke burgers op te voeden – zelf stond Horatius bijvoorbeeld kritisch tegenover gladiatorenspelen. Die opvatting over poëzie heeft bij ons tot in de 19de eeuw standgehouden.

Dat zie je nog bij een dichter als Isaüc Da Costa, maar dan wel anders. Bij hem gaat het erom de inwoners van het nieuwe Koninkrijk Nederland tot vredeminnende en brave huisvaders op te voeden. Hij schrijft in de ’Lof der dichtkunst’:

O wonderlijke kracht van dichterlijke tonen!

Het volk, dat zonder wet in bosschen placht te wonen,

bewogen door het zoet van Orpheus lier en zang,

vereent zich op zijn raad voor ’t algemeen belang.

Van daar verhaalde men, dat tijgers, boomen, steenen

hem volgden, om het oor aan zijne stem leenen.

Mijn geestdrift sleept mij weg‿ Ik zie hem zelv’ daar staan

Omsingeld van het volk, dat luistrend aangedaan,

met open oog en mond hem ’t nut van ’t zamenleven

hoort zingen, en gedwee zich laat de wetten geven.

Een man dus door natuur met rijk vernuft begaafd

heeft door welluidend dicht den woesten mensch beschaafd.

In dit gedicht lijkt de mythische oude bard Orpheus op te treden als een soort zingende Jan Peter Balkenende, die het samengestroomde volk het nut van het samenleven uitlegt. Moet je nagaan: in de ’Metamorfosen’ van de Romeinse dichter Ovidius wordt Orpheus verscheurd door een menigte woedende maenaden, maar hier staat het volk met open mond te luisteren naar wat de grote zanger te zeggen heeft over het algemeen belang en het nut van wetten.

Het idee dat de dichter een zedelijke taak heeft, is eeuwenlang gangbaar gebleven. De 18de-eeuwse Verlichtingsfilosoof Denis Diderot schreef over poëzie: hoe goed zou het zijn als het haar doel was ons de deugd te doen beminnen en de ondeugd te haten. En ook de romanticus Percy Bysshe Shelley, van wie je dat gezien zijn reputatie niet zou verwachten, benadrukt in zijn ’Verdediging van de poëzie’ aan het begin van de 19de eeuw dat zij de bron is van Deugd, Liefde, Patriottisme en Vriendschap. „De grootste dichters waren de mannen van de meest vlekkeloze deugd.”

Die ethische richtlijnen wenst de dichter eind 19de eeuw niet meer te geven. In Nederland maakte de stroming die bekendstaat als de Tachtigers, een einde aan wat wel genoemd wordt ’de retorische of utilitaire poëzie’. De Tachtigers, onder leiding van Willem Kloos, verwierpen de stichtelijke poëzie van hun voorgangers. Zij hielden een pleidooi voor een gepassioneerde poëzie, zonder een morele of didactische boodschap.’’

Nu valt er echt niets meer van de poëzie te leren.

„Dat is waar en onwaar. Volgens de Tachtigers moet de dichter zijn hoop, zijn wanhoop, zijn ellende en geluk verwoorden in een eigen persoonlijke taal. „Poëzie”, zo schrijft Kloos bij de publicatie van ’Verzen’ van Herman Gorter in 1890, is ’de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’.

Van Kloos zijn ook de beroemde regels:

Ik ween om bloemen, in de knop gebroken

En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,

Ik ween om liefde die niet is ontloken

En om mijn harte dat niet werd verstaan.

Deze poëzie is er nu niet meer voor de weetjes en ook niet meer voor de moraal. Kunst is er‿’’

...alleen nog om de kunst.

„Dat is de beroemde slogan, die naar mijn idee op een verkeerd begrip van de moderne kunstenaar duidt. Of het nu gaat om Kloos of Nijhoff, het gaat de moderne dichter om identiteit – niet om de identiteit van de volksgenoot of de burger, maar om de eigen identiteit. Zij zoeken naar een verdieping van het innerlijk. Ook van die zoektocht kan de lezer iets leren.’’

Martinus Nijhoff had het toch juist niet begrepen op die allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie?

„Hij heeft zich inderdaad sterk verzet tegen de opvatting dat een dichter zijn emoties uitstort in een gedicht. ’Een dichter schreit niet’, schrijft hij in een recensie. Wil iemand zijn gevoelens uiten, laat hij dat doen in een dagboek, maar niet in een gedicht. Het gedicht is veel meer dan de directe uitdrukking van een gevoel. Tussen de emotie van de dichter en de expressie daarvan in een gedicht bestaat een afstand. Je zou kunnen zeggen dat de vorm zich in die afstand nestelt, en zo een eigen esthetische inhoud creëert.”

En dan kun je nog steeds niet spreken van kunst om de kunst?

„Nee. Het is wel zo dat de esthetische inhoud nu belangrijker is dan de ongevormde morele en emotionele inhoud. Dat deze esthetische, gevormde inhoud belangrijker is geworden dan alle aanleidingen, leidt niet automatisch tot een poésie pure, die geen enkele relatie onderhoudt met de werkelijkheid. Goed, compositorische wetten, stilistische regels, klank, ritme en grammatica bepalen de vorm van het werk. Maar als de dichter zijn pen neerlegt, staat er wel iets. Is er een bouwwerk tot stand gekomen met een uitgekristalliseerde vorm, een zelfstandig ding. Dat bouwwerk heeft ons wel iets te zeggen.”

Wat?

„Dat verschilt per gedicht. Een moderne lezer hoopt geen bruikbare kennis te verwerven, voelt ook niet de behoefte gesticht te worden, maar zoekt een verdiept inzicht in de werkelijkheid, en daartoe behoort zijzelf ook. De Franse filosoof Paul Ricoeur, die vorig jaar geleden overleed, zei eens dat de vorm van een gedicht als een lens werkt, die een werkelijkheid blootlegt die ’werkelijker’ is dan de dagelijkse werkelijkheid. Volgens de filosoof Hans-Georg Gadamer is precies dat de ’waarheid van de kunst’.”

Dus toch een soort lering? Maar wat heeft die lezeres uit Utrecht daar aan als het gedicht simpelweg te moeilijk is?

„Dat is de lastigste vraag. Ik suggereerde al dat de stijlmiddelen van aard veranderd zijn. Dat kun je illustreren aan het rijm. Het heeft als geheugensteuntje en versiering zijn functie verloren. Bij de klassieke dichters die de gymnasiast leert lezen, Homerus, Ovidius, Vergillius, kwam het overigens helemaal niet voor.

Toch zie je dat juist bij de dichters in de 19de eeuw die men ’modernisten’ noemt, het rijm niet verdwijnt maar juist nadrukkelijk een betekenis krijgt. Er is een sonnet van Stéphane Mallarmé over een zwaan – in het Frans: cygne – waarin de i-klank het rijm van alle veertien regels vormt. Dat is een buitengewoon staaltje van rijmkunst bij een dichter die naar poésie pure streefde.

Martinus Nijhoff, die Mallarmé ’Frankrijk grootste levende dichter’ noemde, heeft in ’Awater’ ook een dergelijk staaltje van versificatie weggegeven. In dat lange gedicht komt een sonnet voor dat slechts vier rijmklanken heeft, die alle dezelfde klinker hebben, weer een ’i’, en dat ook nog eens een vertaling is van een sonnet van Petrarca:

- Steeds troostte ze, steeds heeft zij als ik sliep

mij met haar liefelijke komst bezield,

de aanbedene; thans kwam ze en heeft vernield

de laatste steun die mijn verlies zich schiep.

Zij was, toen ’k haar ontwaren ging, in diep

met schrik vermengd verdriet terneergeknield;

ik hoorde dat zij mij geloof voorhield

maar zonder dat het hoop of vreugde opriep:

’Herinnert ge u dien laatsten avond niet’

sprak ze ’toen ik uw tranen heb ontzien

en zonder meer de wereld achterliet?

Ik kon, noch wilde ik, melden u sindsdien

hetgeen ik thans u te verstaan gebied:

niet hopen mij op aarde ooit weer te zien.’

Zit er iets ongerijmds in dat rijm?

„Ja, want een uitwendig middel krijgt een rol in het tot stand brengen van de betekenis. Je kunt dat alleen begrijpen als het een heel andere functie krijgt dan die van louter vorm of versiering. De vorm krijgt een eigen inhoud, een ’esthetische inhoud’, zoals Nijhoff het noemde.”

Niet alleen de gedachtegang maar ook de klank bepaalt de strekking van het gedicht.

„Precies. Je zou kunnen zeggen dat historisch gezien de ontrijming tot de emancipatie van het rijm leidt. Als we dat begrijpen, dan begrijpen we wellicht ook iets van het raadsel waarom moderne poëzie ’moeilijk’ is. De esthetische inhoud kan niet bij eerste lezing gevat worden. De lezer moet met een gedicht aan het werk, moet gaan interpreteren, moet leren om onderzoekend te lezen. Hij moet een nieuwe werkelijkheid ontdekken achter de dagelijkse versleten taal.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden