Denk daar eens over na, kameraden

Czeslaw Milosz (\N)

In het vijftiende gesprek over poëzie en filosofie buigt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer zich over de Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz. Diens gedicht 'Over het gebed' stamt uit 1984, het jaar dat de heilsstaat in Polen veertig jaar bestond. "In feite zegt hij: Religie bestaat nog steeds. Wat betekent dat?"

Hoe kun je bidden tot iemand die niet bestaat? Op die vraag is dit gedicht van de Poolse Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz één lang antwoord. ’Je vraagt’, zo begint Milosz. Wie zou die ’je’ zijn? Is dat een opgroeiende zoon die zijn gelovige vader het vuur na aan de schenen legt?

Czeslaw Milosz werd in 1911 geboren in Litouwen, dat later onderdeel werd van Polen. In de oorlog zat hij in het verzet. Hoewel hij katholiek was, betoonde hij zich aanvankelijk solidair met het communistische bewind. Hij werkte in diplomatieke dienst maar week in 1951 uit naar Frankrijk. In 1953 publiceerde hij ’De geknechte geest’, een boek waarin hij uitlegt waarom juist de totalitaire variant van het marxisme zo’n aantrekkingskracht heeft op intellectuelen.

„Gezien die achtergrond”, zegt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer, „denk ik niet dat Milosz een gesprek tussen vader en zoon voor ogen heeft gehad. Het is aannemelijk dat de vraag afkomstig is van een ex-collega uit de bestuurlijke elite: Zeg, je weet dat God niet bestaat, waarom bid je dan?”

Het lijkt wel of de dichter het antwoord niet weet. Hij begint met ’Ik weet alleen...’, en legt dan uit wat bidden is. Maar dat heeft die collega helemaal niet gevraagd.

„Nee, wat bidden is, zal deze collega wel menen te weten: iets vragen aan een almachtig Wezen. Maar wordt dat hier bedoeld? De clou van ’Over het gebed’ is volgens mij dat je eerst enig besef moet hebben van wat bidden is voor je die vraag naar het bestaan van God kunt beantwoorden. Dat lijkt inderdaad op het omzeilen van het probleem.”

Je zou kunnen zeggen dat het antwoord is: ’Ik bid dus Hij bestaat’.

„Zeker. Wie bidt heeft de vraag naar het bestaan al impliciet beantwoord, anders zou hij niet doen wat hij doet. Maar dit gedicht is filosofisch interessant vanwege het verhaal dat hij erbij vertelt. Wanneer bestaat iets? Als je het kunt waarnemen. Maar zo eenvoudig is het niet. Neem vliegende schotels. Er schijnen waarnemingen van te bestaan, maar toch geloven we niet dat die kloppen. Ze passen niet in ons wereldbeeld. Dit is belangrijk: om het bestaan van iets vast te stellen, heb je een context nodig, een verhaal eromheen.”

Dan proberen we eerst grip te krijgen op die context.

„Bij die brug van fluweel dacht ik onmiddellijk aan de Fluwelen Revolutie in Tsjecho-Slowakije, najaar 1989. Maar van een historicus hoorde ik dat die uitdrukking al gebruikt werd tijdens onze eigen Bataafse Revolutie uit 1795, waarbij ook geen bloed werd vergoten. Goed mogelijk dat Milosz het begrip kende, en het tegenover de communistische revolutie plaatst, die bepaald niet bloedeloos was. Ons spreekt dit beeld nu weer aan omdat we in een tijd leven waarin gelovigen menen zich met springstof een weg naar boven te moeten banen.”

Maar waarom gebruikt hij bij de omschrijving van het gebed de metafoor van de brug?

„Je zou je kunnen voorstellen dat het symbool van de ladder hier meer op zijn plaats is. Er is immers sprake van een ’opstijgen boven landschappen’. Maar de brug is ook een religieus symbool als we de ’andere wereld’ van de religie zien als het beloofde land waarvan we gescheiden worden door een rivier. De brug is een beeld dat marxisten ook zal aanspreken want het gaat hen tenslotte om een vernieuwing van de aarde.”

De spreker komt zijn ex-collega een eind tegemoet.

„Nee, in wezen niet. Want het gebed is hoe dan ook gericht tot God en dat veronderstelt zijn bestaan. Maar wat moeten we verstaan onder dat bestaan? Het beslissende woord daarover moet nog vallen.”

Dat is het woord ’Ommekeer’ uit de zesde regel?

„Ja. Ook in het Pools heeft dat een hoofdletter. Soms is het aardig om in een gedicht te tellen. Het woord ’Ommekeer’ staat precies in het centrum: het is het laatste woord van de eerste zes regels, waarna nog zes regels volgen.

Milosz omschrijft die Ommekeer als een punt „waar alles andersom is en het woord ’is’ een betekenis onthult die wij nauwelijks voorvoelen”. We zijn aan de overkant van de rivier in een gebied beland waar ’zijn’ of ’bestaan’ heel iets anders betekent dan aan deze zijde. Ofwel: de betekenis van ’is’ is kennelijk afhankelijk van een andere manier van leven. Tot die levenswijze hoort, dat weten we al, een ritueel: het bidden. En bij dat andere leven hoort ook een andere manier van denken. En één ding is zeker, dat kan ik nu al zeggen: dit leven en dit ritueel en dat denken zijn niet afhankelijk van een godsbewijs.

De helderste opmerking daarover is afkomstig van de filosoof Ludwig Wittgenstein. Die schrijft: stel dat er evidentie zou zijn omtrent het bestaan van God, ’this would in fact destroy the whole business’. Dan zou dat in feite de hele zaak bederven. We spreken van evidentie als een stelling zo zeker is dat verdere discussie geen zin heeft. Je bent gewoon gedwongen haar aan te nemen. Sommige prelaten zouden misschien wensen dat de geloofsuitspraken die status hadden, maar het zou het geloof als geloof te gronde richten. Het geloof moet het hebben van een appèl dat wij al dan niet kunnen volgen.”

U spreekt nu over ’wij’. Milosz doet dat ook. In de volgende regel benadrukt hij dat zelfs: ’Let wel, ik zeg ’wij’.’ Duidt dit meervoud op de bidder en de al dan niet bestaande God?

„Dat denk ik niet. God bestaat aan de overkant waarnaar we opstijgen in het gebed. Milosz heeft het hier over de medebidders. Op de oever van de Ommekeer ontstaat een eigen manier van leven. ’Daar voelt ieder afzonderlijk/ medelijden met anderen.’

Ieder is een afzonderlijk individu, dat staat voorop. Als je niet iemand apart bent, krijg je een collectief en is de mens, naar een stelling van Marx, niets anders dan een onderdeel van de som van de maatschappelijke verhoudingen. Pas als je een zelfstandig wezen bent, kun je een relatie met anderen aangaan, kun je mededogen met anderen voelen. Dat kunnen we dankzij onze lichamelijkheid, die de basis is van onze medemenselijkheid. De hongerigen en de dorstigen spreken ons aan omdat wij zelf honger en dorst kennen.”

Is het niet juist die medemenselijkheid die volgens Marx de godsdienst overbodig maakt?

„Je mag er wel van uitgaan dat Milosz met zijn spreken over Ommekeer op deze vraag geanticipeerd heeft. De ex-collega’s hebben hun eigen Ommekeer gehad. Waarin zit het verschil? Eén punt is al genoemd: het collectivisme. Het collectief, de massa, kent geen moraal. Je moet niet vergeten dat ’ethiek’ bij marxisten een scheldwoord was en is. Het communistische establishment had zo zijn eigen evidenties. In hun Ommekeer was een ware werkelijkheid gevonden, die van de productiekrachten. De rest is schijn en de religie is de grootste schijn. Toen is, in hun terminologie het heil ’gerealiseerd’, van de hemel naar de aarde gehaald’.”

U denkt dat Milosz met dit gedicht een discussie aangaat over de betekenis van ’is’?

„Ja. Laat ik dat toelichten met een opmerking uit zijn boek ’De geknechte geest’. Hij schrijft daar over het marxisme: ’Medelijden is een overbodig gevoel als de Geschiedenis spreekt.’ Let op de hoofdletter. De Geschiedenis is hier de instantie die uitmaakt of we medelijden moeten hebben. Niet het lot van de naaste. Die overtuiging, die ook haar eigen ritueel heeft, is geen brug van fluweel maar drukt als een loden last op de samenleving. Elke dissident, en dat betekende in Polen ook elke gelovige, boort een gaatje in die last van het ware Zijn.

’Over het gebed’ is geschreven in 1984. Toen bestond de heilsstaat in Polen veertig jaar. Voor Milosz, en voor zijn opponenten, een mooie gelegenheid om te herdenken. En om na te denken over de betekenis van ’is’. In feite zegt hij: ’Religie bestaat nog steeds. Wat betekent dat? Denk daar eens over na, kameraden.’”

Die kameraden zullen weer antwoorden dat religie schijn is.

„Zo eenvoudig gaat het niet. Neem de dissidenten. Ze begrijpen de zin der Geschiedenis niet en vertegenwoordigen dus de schijn. Het zijn eigenlijk nietsen. Toch is het regime bang voor ze. Hoe kan dat? Welke macht heeft die schijn? Kan een niets onrust baren? Het marxistische antwoord hierop is: ze vormen een realer Schein.”

Maar als bidden hoort bij een bepaalde manier van leven, komt het bouwen van die fluwelen brug dan eigenlijk niet neer op het doen van goede werken?

„We naderen nu de kern van de zaak. Dit gedicht gaat over het gebed en dat wordt een brug genoemd, tot drie keer toe. We kunnen het bidden geen metaforische betekenis geven en identificeren met het doen van goede werken. Het is stellig niet Milosz’ overtuiging dat je het religieuze ritueel tot intermenselijke verhoudingen kunt reduceren, tot een ’religie zonder God’ zoals dat tegenwoordig heet. Ook dan opereren we weer met het ’ware zijn’ als denkinstrument binnen de context van het moderne seculiere wereldbeeld dat maar één ondubbelzinnige betekenis toelaat.”

Hoe zit het nu precies met die verschillende betekenissen van ’is’? Iets is of is niet?

„Laten we nog even terugkeren naar de marxistische opvatting van de Geschiedenis, waarin de economie de motor van het bestaan, van het zijn, is. De cultuur is daar een soort bijwagen van, en de religie is daarvan weer een schaduw. Is het verwonderlijk dat dissidenten, van welke gezindte of gading ook, argwanend worden als ze het woord ’zijn’ horen?

Die achterdocht, ook van gelovige dissidenten, geldt evenzeer de theologie. Is God het ware Zijn? Maakt dat de gelovigen niet tot net zulke ledepoppen als de marionetten van de Geschiedenis, in plaats van tot lotgenoten die voor elkaar instaan? Ik geef deze voorbeelden om te illustreren dat altijd, vaak impliciete, criteria een rol spelen bij het bepalen van wat bestaat of niet bestaat. In het begin noemde ik dat de context of het verhaal. Het is de taak van de filosofie naar die criteria kritisch te kijken. Wat bestaat, is vaak dat wat meetelt, wat in het licht staat. Of iets bestaat, wordt dan beslist door beeldvorming of kijkcijfers.”

Maar hoe kan een opvatting over bestaan afhankelijk zijn van een context, van een manier van leven?

„Voor de mensen die de Ommekeer hebben meegemaakt, is dat een primitief feit. Het is niet niks: het lot van de ene mens weegt op de ziel van de andere.”

Pardon?

„Je kunt volgens mij het gewicht van het bestaan, of van het heil, van de ander meetorsen. Niet op je verstand, of op je geest, maar op je ziel. Dit hoort tot het bevindelijke taaltje die ik van mijn vaders familie heb mee gekregen – Jan Siebelink zou het thuis kunnen brengen, vermoed ik. En ze denken ook na over dat feit, over de hoofdletter. Ze hebben een presentie ervaren van een Appèl.”

Dat vind ik zo’n slap woord.

„Misschien moeten we meer denken aan een stoot van de gepunte ossestok die Paulus naar eigen zeggen tot ommekeer bracht. Zo’n gebeurtenis verzin je niet, vinden gelovigen, of liever, zij bevinden dat. In hun bevindelijke taal zeggen zij: het is geen vond maar een wond. Ik begrijp dus heel goed waarom zij gewoon doorgaan met het opgaan van die brug over de aarde, ook al is ergens – door Wie of Wat? – uitgemaakt dat er geen overkant is. Zij zijn tenslotte die brug. Wie zou het nu eigenlijk beter weten? Het probleem van het bestaan van de Gebedene dat het gebed oproept, lost het gebed ook zelf op. Met precies die zekerheid en onzekerheid die daarbij past.”

Dat staat er volgens u in de laatste regel?

„Inderdaad. Maar de dichter zou het gedicht wel bederven als hij het zo zou zeggen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden