Denemarken / Het Deense mirakel

Het kabinet sloot de veemarkten tot woede van boer en handelaar, eist nu maandelijkse MKZ-controles voor alle vee, kwam deze week met heffingen op bestrijdingsmiddelen en droomt, met het rapport van de commissie Wijffels onder het kussen, over een duurzame veehouderij. Nederland worstelt met zijn landbouw. En ziet in Denemarken een schoon voorbeeld, waar de landbouw meer rekening houdt met mens, dier en milieu. Wat heeft Denemarken dat Nederland mist? Wat is het Deense mirakel?

Het Deense ministerie van landbouw en visserij werd vijf jaar geleden herdoopt in het ministerie van voedsel, landbouw en visserij. Daar lag de wereld niet wakker van. Maar de nieuwe benaming drukte verandering uit. Van productie naar consumptie. Van kwantiteit naar kwaliteit. Van boer naar consument.

"Denemarken was de eerste die voordeel putte uit de toenemende aandacht voor voedselkwaliteit en -veiligheid", zegt Flemming Duus Mathiesen, directeur onderzoek en ontwikkeling van het ministerie. "Het landbouwbeleid van de Europese Unie heeft 200 procent succes gehad; het is uitgelopen op overproductie. De omvang van de landbouwproductie was geen probleem meer. De kwaliteit van de producten wel. Door de reorganisatie van het ministerie hebben we die link gelegd en gaat het niet meer alleen om boerenbelang, maar ook consumenten- en milieubelang."

We zijn in Kopenhagen op zoek naar een antwoord op de vraag wat Denemarken heeft dat Nederland mist. De overmatige mestproductie, de intensieve veehouderij, en de veterinaire crises van BSE, varkenspest en mond- en klauwzeer hebben het aanzien van de landbouw zwaar aangetast evenals het consumentenvertrouwen in de producten van die landbouw. De crises leidden tot een debat over de toekomst van de veehouderij in Nederland.

In opdracht van het ministerie van landbouw schetste een commissie onder leiding van SER-voorzitter Wijffels onlangs de contouren van de veehouderij van de toekomst. Een veehouderij die niet alleen gestandaardiseerde exportproducten voortbrengt, maar ook streekwaren voor de lokale markt, die naast intensieve bedrijven ook grondgebonden veehouderijen heeft, niet alleen de gangbare productiemethoden maar ook biologische productie, die zijn dieren niet levend transporteert over honderden kilometers.

Een mooie toekomst, maar Den Haag worstelt met de vraag hoe die te bereiken. De veterinaire crises hebben niet alleen het aanzien van de veehouderij geschaad, maar ook het vertrouwen in ministerie en controlediensten. De minister van landbouw slaagt er niet in de boeren achter zich te krijgen op weg naar die toekomst; zij blokkeren liever een paar snelwegen zodra hij de veemarkten sluit.

Op het oog verschilt Denemarken nauwelijks van Nederland. Het heeft koeien. Veel koeien; Denemarken is groot-exporteur van kazen, waaronder Danish Blue en Feta gemaakt uit koemelk. En varkens. Veel varkens; Denemarken is 's werelds grootste baconproducent. Het land heeft minder intensieve veehouderijen dan Nederland, meer grondgebonden en gemengde bedrijven. Maar er is toch ook een omvangrijke import van soja die als veevoer dient.

Maar mest is er geen probleem meer. De veterinaire crises die Europa hebben geteisterd zijn aan Denemarken goeddeels voorbijgegaan. En op de een of andere manier is er een consensus tussen politiek en landbouw, over wat de boer wel en niet mag, tussen poltiek en consument, tussen de producenten van het voedsel en degenen die het opeten.

"We wilden niet in de Nederlandse val trappen", zegt Duus Mathiesen. Midden jaren tachtig zagen de Denen aankomen dat de mestproductie van de veehouderij een probleem zou worden. Duus Mathiesen weet dat Denemarken een geweldig voordeel heeft omdat het land minder intensief wordt gebruikt dan Nederland. In oppervlakte zijn beide landen ongeveer even groot. Maar Denemarken telt slechts 5 miljoen mensen.

Varkens heeft Denemarken evenveel als Nederland. Bovendien zijn ze geconcentreerd in het noorden van Jutland. En dat levert toch een teveel aan mest op. In zijn eerste Milieuactieplan stelde de Deense regering grenzen aan de veedichtheid. Gemeten naar hun productie van nitraat, het belangrijkste mestprobleem, werd het aantal rundereenheden per hectare beperkt tot 2,3, en mochten er nog maar 1,7 varkenseenheden op een hectare. Boeren met een beetje veestapel hadden dus veel land nodig. 35 procent van de benodigde oppervlakte moest bovendien eigendom zijn van de veehouder. De resterende 65 procent mocht hij gaan zoeken bij een akkerbouwer die de mest zou willen afnemen.

"De beperking van het aantal dieren per hectare oogstte nauwelijks protesten van de Deensen boeren", zegt Heidi Alsing van de Dansk Familielandbrug, de organisatie van familiebedrijven en parttime boeren. "Financiële compensatie heeft de boeren over de streep getrokken. Bovendien gingen ze hun meststoffen bewuster gebruiken en ontdekten de voordelen daarvan." Problemen, zegt Alsing, kwamen er enkele jaren later, toen de Deense milieubeweging ten strijde trok tegen de landbouw vanwege de vissterfte door meststoffen in de Deense kustwateren.

Met de wind van de milieubeweging in de rug besloot het Deense parlement dat de hoeveeheid nitraat die op het land werd gebracht met de helft verminderd moest worden. En zolang de boer nog mest voorhanden had, zou hij daarvoor geen kunstmest mogen aanwenden.

Onzin; mest is een natuurlijke stof, dat kan dus geen probleem zijn, luidde de reactie van de Deense boeren. "Dat verhaal hebben we twee jaar volgehouden", zegt Henrik Hoegh, vice-voorzitter van de Danish Farmer's Unions. "Maar de publieke opinie is zo sterk, dat de politiek iets moest doen. We stonden voor de keus daaraan mee te werken of wetgeving over ons heen te krijgen."

Het werd meewerken. De landbouworganisaties begonnen zelf veldproeven op te zetten, om te bepalen hoeveel nitraat de verschillende gewassen nodig hebben of kunnen verdragen. Hoegh: "We moesten ervoor zorgen dat normen voor de mestgift een wetenschappelijke basis zouden hebben en niet door de politiek zouden worden bepaald." De landbouworganisaties oogstten veel kritiek van de eigen leden. Maar ook tegenover hen hielden Hoegh en de zijnen vol dat het zoeken naar een wetenschappelijke basis de enige manier was om te garanderen dat iedereen gelijk behandeld zou worden. Daarom steekt het Hoegh zo dat de Deense regering drie jaar geleden ineens riep dat de nitraatgift 10 procent beneden dat wetenschappelijk optimum moest komen te liggen: "Een messteek in de rug. Dáár hebben wij nooit mee ingestemd." Het valt een boer ook niet uit te leggen dat hij zijn gewassen niet de meststoffen mag geven die zij nodig hebben.

Meewerken aan het stellen van normen voor de landbouw is echter de houding van de Deense landbouw organisaties gebleven. Zes jaar geleden zorgden de bestrijdingsmiddelen voor felle debatten in Denemarken. Hoegh: "De milieubeweging wilde de bestrijdingsmiddelen voor 75 procent, en liefst 100 procent uitbannen. We hebben toen voorgerekend dat dat een schadepost zou opleveren voor de Deense economie van 6 miljard gulden. Dat vonden ook de politici te veel." Het Deense streven werd een vermindering van het pesticide-gebruik met 30 tot 40 procent. Er kwamen heffingen op bestrijdingsmiddelen, een belasting van 35 tot 50 procent. Een zinloze maatregel, die geen enkel effect heeft gehad op het pesticidegebruik, zegt Hoegh: "Als de boer het idee heeft dat het voor zijn gewas goed als hij bestrijdingsmiddelen spuit, zal hij dat niet achterwege laten omdat daarop nu een heffing zit. Het is gewoon een verhoging van de kosten." De heffing levert de Deense regering jaarlijks 150 miljoen gulden op. Er was de boeren compensatie beloofd in de vorm van een lagere grondbelasting. Maar via die weg komt slechts 60 miljoen gulden per jaar terug, zegt Hoegh. "Heffingen werken niet. Wat werkt is het ondersteunen van de boeren bij de beslissing wel of niet te spuiten." De landbouworganisaties ontwikkelden daarom een computerprogramma dat gevoed met gegevens als bladschade, aantallen luizen, de weersverwachting voor de komende dagen, de boer helpt bij de beslissing spuiten of niet. "Dat werkt", zegt Hoegh.

Van een Deens mirakel is geen sprake; er is een reeks factoren die de Deense aanpak doet afwijken van de Nederlandse. Beleidsmakers die net iets verder vooruit kijken. Een sterke milieubeweging. Politici die gesteund door de publieke opinie durven ingrijpen. Landbouworganisaties die tegemoet komen aan de wensen van milieubeweging en consument. En dat kunnen doen omdat ze een enorm draagvlak hebben in de landbouw, en omdat de landbouwvoorlichting in hun handen is en niet - zoals in Nederland - een overheidsdienst. Meer dan 90 procent van de boeren is lid van tenminste één organisatie. Dat is Denemarken, zegt Heidi Alsing. Overgeorganiseerd: "Als drie Denen het ergens over eens zijn, richten ze een vereniging op. En een jaar later stapt een van de drie eruit om een eigen vereniging te beginnen."

Minister Bjerregaard heeft vorige maand een forum voor het toekomstig voedselbeleid in het leven geroepen. Iedereen zit erin: grote boeren, kleine boeren, ekologisch boeren, slachters, voedingsindustrie, supermarkten, milieubeweging, houthakkers, zelfs de oude landadel. Biotechnologie en genetische modificatie zullen in het forum zeker ter sprake komen, zegt Duus Mathiesen. Maar er liggen meer vraagstukken in het verschiet: "We zullen kijken naar de macht van de supermarktketens. Je ziet in heel Europa een concentratie tot een beperkt aantal supermarktketerns. Die concentratie zorgt voor een neerwaartse druk op de prijzen, in de hele keten eindigend op de boerderij. De klassieke reactie van de boer als de prijzen onder druk komen, is de productiviteit verhogen. We moeten de vraag stellen of we daarmee niet biologische grenzen overschrijden. We hebben al kuikens gezien die harder groeien dan hun eigen poten kunnen dragen."

"We zullen ook kijken naar de rol van consument. Is het terecht dat het aandeel van voeding in het huishoudbudget steeds lager wordt. Nooit hoefden we aan voedsel zo weinig van onze middelen te besteden. We moeten goed kijken naar de invloed van de consument op de voedselproductie."

Je kunt erover praten, maar kan een overheid iets doen, bijvoorbeeld tegen de groeiende macht van de supermarktketens? Duus Mathiesen denkt van wel. Op grond van de mededingingswetgeving. Misbruik maken van een dominante marktpositie, is niet toegestaan. Supermarktketens die de landbouw voorschrijven wat zij moet produceren en tegen welke prijs, kunnen daarmee worden aangepakt, denkt de Deen.

Biologisch

Denemarken is Europa's koploper in de biologische landbouw. 24 procent van de dagmelk die de Denen consumeren is op biologische wijze geproduceerd. Geëxporteerd werd er tot nu toe weinig, maar inmiddels overtreft de productie van biologische melk de vraag; van de geproduceerde melk is inmiddels 40 procent biologisch. Dat biologische melk 20 procent duurder is dan de gewone dagmelk, lijkt de Denen niet te deren. De consument voelt het vaak niet eens omdat supermarkten de biologische melk hebben omarmd - voor de goede naam - en die tegen gereduceerde prijs aanbieden. In de kaas en boter blijft het aandeel biologisch stuk lager. En de varkenssector blijft steken op 2 procent, wat de Deense overheid bepaald niet zint. Voor de varkenshouderij is de omschakeling moeilijker en duurder dan voor de melkveehouderij. Het prijsverschil is het vlees dus ook groter. En het zal de Japanners en Britten, die de Deense bacon consumeren, worst zijn wat voor leven het varken heeft gehad. Het is voor de Deen niet veel anders. Er zijn tal van slagers geweest die uitsluitend vlees verkochten van varkens ide op een boerderij om de hoek biologisch waren vetgemest. Van die slagers houden er zeer weinig stand; het prijsverschil is de Deense consument te groot. Op initiatief van De Deense minister van landbouw Rit Bjerregaard tekende in mei vertegenwoordigers van een reeks Europese landen, waaronder Nederland, een verklaring waarin de Europese Unie wordt opgeroepen de biologische landbouw te stimuleren.

Genetisch

Als het gaat om genetisch gemodificeerde voeding is er in Europa geen roder licht te vinden dan in Kopenhagen. Terwijl de Nederlandse minister van landbouw Brinkhorst orakelt dat we met de biotechnologie behoedzaam voorwaarts gaan, daarmee iedereen in het ongewisse latend, roept zijn Deense collega Bjerregaard dat zij genetisch gemodificeerd voedsel doodeng vindt. Bjerregaard heeft zich in het verleden als EU-commissaris voor milieu al heeft laten kennen als een eigenzinnige en weinig diplomatieke dame, maar met haar afkeer van genetische modificatie vertolkt zij de gevoelens van een groot deel van het Deense volk. En de boer weet dat, die wil niet eens over genetisch modificatie práten. Geen haar op het boerenhoofd overweegt tegen de wil van de consument in te gaan.

Directeur onderzoek en ontwikkeling van het ministerie van landbouw Duus Mathiesen weet dat de weerstand tegen genetische modificatie niet zozeer rust op argumenten en wetenschappelijke informatie, maar op weerzin tegen de arrogantie van zaadveredelaars als het Amerikaanse Monsanto. Maar, zegt Duus Mathiesen, we moeten met die skepsis rekening houden. Het ministerie lanceerde daarom enkele jaren geleden al een onderzoeksprogramma naa de ethische aspecten van genetische modificatie. "Nu pas wordt dat ook de Europese Unie opgepikt", zegt Duus Mathiesen. Duus Mathiesen hoopt dat goede informatie de publieke weerstand tegen de nieuwe technologie kan wegnemen. Want die weerstand is een rem op innovatie. Maar hij maakt zich geen enkele illusie over de termijn waarop dat mogelijk is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden