Den Uyl: zoeker en zwabberaar

Van de vier premiers die na de oorlog met reden de aandacht op zich gevestigd hebben, zijn er drie politiek goed te plaatsen. Drees was de man die de sociale zekerheidsstaat op poten zette, Lubbers degene die de vastgelopen verzorgingsstaat terug naar de markt stuurde, terwijl Kok als bestuurder bij uitstek de oude links-rechts- controverse met succes wist te overbruggen.

Het is niet zo dat hun premierschap met die korte karakteristieken uitputtend is omschreven, maar wie de moderne parlementaire geschiedenis in fasen wil indelen komt onwillekeurig bij dit drietal terecht. Er zit lijn in hun optreden, ze staan ergens voor.

Maar waarvoor stond Den Uyl? Zijn tijd als premier was met die vier jaar inderdaad beperkter maar zeker niet minder opmerkelijk, eerder meer. En toch, wie er geen moeite mee heeft een hard oordeel te vellen, moet zeggen: Den Uyl stond voor chaos (zoals ook Balkenende momenteel).

En dan bedoel ik niet dat zijn kabinetsperiode telkens opnieuw werd ontwricht door dramatische gebeurtenissen zoals de oliecrisis, de Molukse terreuraanslagen en de affaires rond Prins Bernhard, want dat waren externe uitdagingen die elke premier op zijn weg had kunnen ontmoeten. Ik bedoel dat de gegeven binnenlandse situatie een volstrekt chaotische aanblik bood die van overheidszijde geen eenduidig beleid mogelijk maakte.

In haar recent verschenen Den Uyl-biografie is Anet Bleich er dan ook niet goed uitgekomen. Grondige democratisering van de samenleving – daar moeten we het uiteindelijk mee doen.

Maar al is het waar dat dit destijds de leus was, de concrete manifestaties waaierden alle kanten uit en waren niet zelden met elkaar in tegenspraak. Men eiste volledige vrijheid maar prees dictaturen als de DDR, China en Noord-Vietnam; men geloofde in de zekerheid van een materialistische welvaart bij gelijktijdige aanvallen op ondernemen en ondernemerschap; men wenste op alle gebieden ’welzijn’ – zelfs ’geluk’ – zonder de rekening ervoor te willen betalen.

Wat nu opvalt is dat Den Uyl, al lang niet meer jong, zich in dit klimaat vol tegenstrijdigheden als een vis in het water voelde, van ’baas in eigen buik’ tot ’internationale solidariteit’. Hij was evenzeer bereid de monarchie via een bedenkelijke misleiding van de volksvertegenwoordiging te redden als de gezamenlijke ondernemers dreigen hun investeringsbeslissingen bij de overheid te zullen leggen.

Den Uyl – het grote woord moet er maar uit – kon letterlijk overal warm voor lopen. Hij begon met het wazige ’personalistisch socialisme’ van 1945 te bewonderen om kort nadien de klassenstrijd te propageren maar weer even later, in 1951, te tekenen voor het ’planrapport’ van de PvdA, ’De weg naar vrijheid’, dat als een gewichtig socialistisch document de geschiedenis in zou gaan maar tegelijk het opkomend consumentisme als positieve ontwikkeling de hemel in prees.

Inmiddels was hij zijn ideologisch vuur geheel kwijt geraakt. In een artikel uit 1956 riep hij zich met innige tevredenheid uit als een pragmaticus en noemde in een adem de PvdA een voorbeeld voor alle zusterpartijen omdat er een ’hartgrondige afkeer van ideologie’ zou heersen.

Zes jaar later had hij het werk van Galbraith ontdekt en wenste ineens het belang van gemeenschapsuitgaven te stellen boven particuliere welvaart, tot ontsteltenis van veel partijleden die nu juist spreiding van bestedingsmogelijkheden als nieuw evangelie hadden aanvaard. De aantrekkelijkheid van Den Uyl als politicus was zijn ongebreidelde bereidheid alles te overwegen en er nog enthousiast voor te pleiten ook. Hij was een intellectuele omnivoor, verfrissend in zijn bereidheid langskomende ideeën serieus te nemen en op hun merites te onderzoeken. Hij hoorde nooit tot een ’school’.

Ik verklaar die openheid – die vaak in wispelturigheid resulteerde – mede uit zijn positie tussen de grote politieke generaties. Toen hij in de oorlog tot politiek zelfbewustzijn kwam, was de ’vernieuwing’ van de Nederlandse sociaal- democratie al beslist; hij zou er als journalist en directeur van de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, alleen bij kunnen aanknopen. Twintig jaar later, tot politiek leiderschap geroepen, was hij niet te jong om voorop te lopen, maar te oud, in ieder geval in de ogen van de Nieuw Linksers, de dertigers die de macht opeisten.

Na zijn premierschap miste hij de volgende boot: de overal rijzende twijfel aan de overspannenheid van de verzorgingsstaat. Terwijl Wim Kok, ondanks zijn vakbondsverleden, in dit opzicht begin jaren tachtig overstag ging, bleef Den Uyl in strikte overheidsregie geloven.

Geen van de drie momenten in zijn loopbaan als sociaal-democraat stond hij aan het hoofd van een doorbraak; hij vocht telkens tegen een wending die al bezig was zijn beslag te krijgen. Het geeft zijn politieke loopbaan, ondanks alle vechtlust, een tragisch karakter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden