Demonen, demonen – tot de dood ons van hen verlost

Museumbezoekers blijven negen seconden voor een schilderij staan. Veel te kort om er recht aan te doen. Maar als je langer wilt kijken, hoe moet je dat doen? In samenspraak met Peter Henk Steenhuis onderricht filosofe Mieke Boon over de filosofie van het kijken. Vandaag: de freudiaanse demonen van Salvador Dali.

Van Freud naar Freud. Met het vlezige schilderij van Lucian Freud nog op het netvlies vertrokken we naar het Museum voor Schone Kunsten in Brussel, om daar te kijken naar de ’Bekoring van Sint Antonius’ (1946) van Salvador Dali en te spreken over Sigmund Freud, die een groot bewonderaar was van deze surrealistische meester.

Je kunt weinig van dit schilderij begrijpen als je niet weet dat Antonius een zeer tot de verbeelding sprekende heilige uit de geschiedenis van de Kerk is geweest. Waarschijnlijk werd Antonius in 251 voor Christus geboren in Como, een dorp in Midden-Egypte.

Hij verloor zijn welgestelde ouders rond zijn twintigste. Daar stond hij, rijk maar ongeletterd, want hij had altijd geweigerd te leren lezen en schrijven, hoewel hij in de kerk graag luisterde naar de verhalen uit de Bijbel. Gesticht door Jezus’ parabel van de rijke jongeling schonk hij zijn vermogen aan de armen. Daarna trok Antonius zich terug in de woestijn, waar hij vijftien jaar leefde in een grafspelonk, vervolgens twintig jaar in de resten van een vervallen fort, om uiteindelijk uit te wijken naar de berg Colzim, niet ver van de Rode Zee. In een kleine oase aan de voet van de berg verbouwde hij graan en groente. Omdat hij inmiddels als een heilige werd beschouwd, kwamen velen hem om raad vragen, zelfs keizer Constantijn de Grote kwam hem consulteren. Antonius is niet alleen befaamd vanwege zijn sobere leefwijze, waardoor hij wel wordt gezien als de vader van alle monnikenordes, maar net zo goed vanwege de strijd die hij ’s nachts moest aanbinden met hele legers van demonen.

Boon: „Die strijd was een geliefd thema in de kunst. De demonen zie je letterlijk in het werk van schilders zoals Jeroen Bosch (1505), Lucas van Leyden (1509), en Pieter Bruegel de Oude (1557). Monsterachtige wezens vallen een gekweld neerzittende man aan. Moderne schilders zoals Dali verbeelden die demonen niet meer als aanvechtingen die van buiten komen, maar eerder als iets dat aan de geest zelf ontspruit.

Dat ontlenen ze aan Freud, evenals de aard van die aanvechtingen, als de seksuele verleidingen. Het karakter van de heilige wordt door die strijd met zichzelf en zijn eigen aandriften veel dubbelzinniger.”

Antonius staat hier links vooraan, gespierd en naakt. In zijn rechterhand houdt hij een kruis, om de bekoring te bezweren, met de andere hand steunt hij op de rots van het geloof.”

De bekoring is dan dat reusachtige paard.

„Onder meer, ja.”

Waarom een paard?

„Omdat het symbool staat voor de kracht en voor de wellust.”

Daarom steigert het, en torent het zo hoog en dreigend boven Sint Antonius uit.

„Ja. Je krijgt de indruk dat het paard hem zal verpletteren als het neerkomt, en gezien de dunne instabiele achterbenen verwacht je dat het ieder moment zal gebeuren. Die dreiging wordt versterkt door het woest gedraaide hoofd en de ontblote tanden. Het zou best eens waanzinnig kunnen zijn, een indruk die versterkt wordt door de onwerkelijke, uitzinnig lange achterbenen van het dier.”

En die olifant achter het paard, is dat ook een symbool van wellust?

„Niet dat ik weet. Opmerkelijk is wel dat hij net zulke vreemde hoge poten heeft als het paard. De bekoring van de olifant is de kelk op zijn rug. In de kelk staat namelijk een naakte vrouw die door haar houding het erotische karakter van de compositie benadrukt.

Daarachter zie je twee olifanten op spinnenpoten. De eerste draagt een vreemd soort piramide, de tweede iets als een kathedraal. In het bouwwerk dat zich daar rechtsboven, half verscholen in de lucht bevindt, vermoedt men wel het klooster van El Escorial, een abdij bij Madrid die in opdracht van Philip II vanaf 1563 werd gebouwd.”

Wat doet dat gebouw daar?

„Dat heb ik me ook afgevraagd. Bekend is dat Philips II in het klooster van El Escorial ook een koninklijk pantheon liet bouwen, waar vervolgens alle koningen van Spanje begraven zouden moeten worden. Dat gebouw belichaamt daardoor een combinatie van kerkelijke en wereldse machten.”

Kan die kathedraal op de rug van de olifant niet datzelfde klooster zijn?

„Mogelijk. Je ziet daar letterlijk de combinatie van het geestelijke met de wereldse verzoekingen. De kathedraal verbeeldt het geestelijke, maar in die kathedraal is de naakte torso van een vrouw te zien is. De kathedraal straalt ook wereldse uitbundigheid uit door de naar boven reikende personen op de daken.

Dat het hier om seksuele prikkelingen gaat, kun je verder nog afleiden uit de olifant op de achtergrond die een fallische vorm op zijn rug draagt. Verder zouden de dieren met hun lange poten, die hen bijna gewichtloos maken, symbool staan voor de seksuele opwinding.”

Het is net alsof de druipende hoeven van het paard niet goed in dit schilderij passen.

„Waarom niet?”

Het ziet er smerig uit, terwijl de rest juist vrij steriel en glad is.

„Waarschijnlijk zijn het verse excrementen. Dali begon daarmee in 1929 op ’Het duistere spel’, waarop een figuur staat die besmeurd is met uitwerpselen. Dat schilderij veroorzaakte een schandaal in Barcelona en wekte zelfs geschokte reacties onder surrealisten.

Dali schrijft in ’Dagboek van een genie’ (1964) dat hun geschoktheid hem verbaasde. Ik heb het meegenomen. Luister: „Ik stuitte hier weer op dezelfde verboden als bij mijn familie. Het bloed vonden ze goed. Ik mocht er een beetje schijt aan toevoegen. Maar schijt alléén, dat kon niet. De afbeelding van het geslachtsdeel stond men toe, maar geen anale fantasieën. Elke anus werd met wantrouwen bekeken! De lesbiennes bevielen hen best, maar de pedofielen niet.”

Dali beroemde zich erop dat hij bij de surrealisten de tegenstrijdigheid had blootgelegd. „Ze wilden geen anus! Sluw zette ik ze in grote hoeveelheden in vermomming voor, en het liefst machiavellistische anussen. Wanneer ik een surrealistisch object maakte waarin zo’n fantasie niet voorkwam, was de symbolische functie van het hele object niets anders dan de anus’.”

Dus jij ziet meer dan paardenhoeven?

„Je kunt die raar gedraaide druipende hoeven nu bijna niet anders zien dan als een symbool van de anus.

Dali geeft in ’Dagboek van een genie’ een soort psychologische interpretatie: „Ik zette mijn eerste schreden in de str..., wat, psychologisch gezien, in het vervolg beschouwd kon worden als de prettige verwijzing naar het goud waarmee ik later – gelukkig – overladen zou worden.”

Naderen we nu Sigmund Freud?

„Zeker. ’Dagboek van een genie’ opent ook met een motto van Freud: ’Een held is degene die zich verzet tegen zijn vaders autoriteit en hem overwint’. Dit motto is letterlijk van toepassing op het leven van Dali: zijn vader had grote moeite met zijn surrealisme en met de romance die hij heeft met Gala, een vrouw die levenslang de muze bleef van Dali. Rond 1929 breekt de vader met de zoon.

In dit schilderij zie je hoe Dali speelt met het gegeven van de freudiaanse psychologie. Sigmund Freud vocht het destijds toonaangevende idee aan dat de mens een redelijk dier is en onze geest eenduidig, helder en autonoom zou zijn. Hij beschreef onze psyche als een verdeeld huis, waarvan belangrijke kamers ook nog eens niet bewust zijn maar wel krachtige en soms destructieve invloed uitoefenen.

Surrealisten zoals Dali gebruikten de verschillende lagen van dit huis: aan de ene kant laat hij zijn eigen onderbewuste zijn gang gaan, om van die fantasieën vervolgens kunst te maken. Hun centrale idee was om beelden en fantasieën die de psyche, liefst zonder tussenkomst van het bewustzijn, voortbrengt, als onderwerp te gebruiken. Je kunt dat idee vanuit Freud interpreteren, namelijk dat zulke schilderijen de krochten van het onderbewuste tonen. Tegelijkertijd is het idee ook filosofisch te begrijpen, namelijk als een kenmerk van wat mens-zijn is. Het idee dat je speelbal bent van de psyche en tegelijkertijd beschikt over je psyche om bijvoorbeeld kunst te creëren, komt dicht bij wat Plessner de excentrische positie van de mens noemt: de mens ís zijn psyche en hij hééft zijn psyche.”

Dit lijkt op wat je eerder zei over Plessner: we zijn niet alleen lichaam, we hebben het ook.

„Daarom wilde ik na het schilderij van Lucian Freud dit werk bekijken. Voor onze psyche geldt inderdaad iets vergelijkbaars: we ervaren onszelf namelijk tegelijkertijd als producent en als product van onze psychische processen. De meeste psychische processen spelen zich zelfs af zonder dat je daar invloed op hebt. Eigenlijk hebben die vooral invloed op jou, op hoe jij jezelf en de wereld om je heen ervaart. Tegelijkertijd verandert je psychische uitrusting omdat de ervaring jou weliswaar overkomt, maar je ondergaat dat niet passief: gewoonlijk doe je er iets mee, je praat erover, je bedenkt nieuwe mogelijkheden, of je maakt er kunst van. In die wederzijdse beïnvloeding speelt het vermogen om te denken, te willen en te voelen een grote rol, tegelijk wordt dat vermogen er ook door veranderd.”

Dat gaat eindeloos zo door.

„Tot de dood ons ervan verlost.”

En tot die tijd?

„Zolang we leven, bepaalt die dynamiek juist ook hoe we ons leven leiden. Dit schilderij is daar een voorbeeld van. Als je het voor het eerst ziet, lijkt het een bizar sprookje. Je kijkt naar een fabuleuze schildertechniek en naar een inhoud die van het volle leven ver verwijderd is. Maar dan kijk je naar de titel: ’De bekoring van Sint Antonius’. Bekoring is de katholieke variant van de protestantse verzoeking. En verleidingen kennen we allemaal, ze huizen vooral in ons hoofd. Allerlei krachten lijken daar met elkaar te strijden om de voorrang. Het geweten moedigt aan verleidingen te weerstaan; het nuchtere verstand zegt dat je goed over de consequenties moet nadenken en de begeerte voelt zich zo sterk tot de verleiding aangetrokken dat zij elke moraal aan haar laars wil lappen. Geweten, verstand, begeerte – het zijn strijdende krachten. Dali laat zien hoe bizar dat krachtenspel in onze psyche werkt.

Besef je dit, dan kijk je niet alleen anders naar deze schilderijen maar ook naar jezelf.”

Mieke Boon is filosofe aan de Universiteit Twente.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden