Democraat tot het bittere eind

In zijn jeugd was hij gevoelig voor rechts-nationalistische sympathieën, maar in zijn politieke leven was Joop den Uyl een overtuigd democraat, aldus zijn biografe Anet Bleich. De burger moest in zijn ogen actief bij de politiek worden betrokken. Als geen andere politicus heeft hij dat gedaan.

Anet Bleich: Joop den Uyl 1919-1987, Dromer en doordouwer . Balans, Amsterdam. ISBN 97890501888180; 544 blz. euro 35

De ernstigste politieke fout die Joop den Uyl maakte was volgens zijn biografe dat hij tijdens de formatie van 1977 terugdeinsde voor het machtswoord om zijn tweede kabinet te forceren. Door zijn eigen nalatigheid kwam zo een einde aan zijn hoofdrol in de Nederlandse politiek, schrijft Anet Bleich. In dat laatste heeft ze zeker gelijk. Den Uyl was wel een doordouwer, zoals ze uit de titel laat blijken, in de ogen van zijn tegenstanders zelfs een drammer, maar niet een politicus die de frontale botsing zocht.

Het is nog maar de vraag of dat beroemde ‘tweede kabinet-Den Uyl’ er wel was gekomen, als de PvdA-leider zijn dwarsliggende partijkader voor het blok had gezet. Van ingewijde christen-democraten heb ik altijd begrepen dat het cruciale moment al eerder was gepasseerd. Het CDA was de doorlopende eisen van de PvdA meer dan beu en het deed de deur dicht dat de socialisten zelfs zijn eerste man, Dries van Agt, aan een ballotage onderwierpen. Maar afgezien daarvan is het oordeel van Bleich moeilijk te rijmen met haar eigen slotconclusies over het politieke leven en werken van Den Uyl.

Daarin stelt ze vast dat politiek voor hem meer was dan beheren en besturen en meer dan louter een streven naar macht. Ze zoekt de betekenis van zijn leiderschap, terecht naar mijn idee, in zijn uitgesproken noties over wat democratie nu eigenlijk behelst. Voor hem kwam het er in de essentie op neer de burger actief bij de politiek te betrekken. „De democratie is zo dood als een pier als zij niet leeft in de harten van gewone burgers”, schreef hij al in 1947 in een stuk in Vrij Nederland, waar hij als redacteur werkte, voordat hij twee jaar later, naar zou blijken voorgoed, naar de politiek overstapte.

Hij beschouwde het daarom als de voornaamste taak van een politicus te overtuigen, met als wapen het argument. In dit opzicht behoort Den Uyl nog altijd beroemd te zijn; berucht was hij in zijn dagen al vanwege zijn tomeloze energie het debat te zoeken, tegenspraak uit te lokken en kwesties van alle kanten te bezien. Fons van der Stee, een van de CDA-ministers uit zijn kabinet, omschreef de ploeg naderhand als ’een debatingclub die pas ophoudt als de zon opkomt’.

Dat Den Uyl erin slaagde de burgers bij de politiek te betrekken blijkt alleen al uit de opkomst bij de verkiezingen van 1977, volgend op de val van zijn kabinet: 88 procent, nog altijd het record. Politiek was spannend in die tijd, schrijft Bleich, omdat Den Uyl zowel zijn mede- als tegenstanders wist duidelijk te maken wat zijn inzet was. In dat vermogen was hij vrij zeldzaam. In geen andere periode in het naoorlogse Nederland was de betrokkenheid bij de politiek zo groot.

De keerzijde was dat de verwachtingen bij zijn medestanders zo hoog werden opgeschroefd dat zij geen oog meer hadden voor de wensen en gevoeligheden van anderen, en evenmin voor de politieke verhoudingen. Dat effect, waaraan Den Uyl zijn bijnaam van ‘rooie drammer’ te danken had, was er ten diepste de oorzaak van dat zijn tweede kabinet er nooit is gekomen. Datzelfde effect onttrok ook aan het oog dat de smalle marges van de parlementaire democratie en de rechtsstaat voor hem heilig waren. Niet voor niets behoorde hij naar zijn eigen zeggen tot ’het zondige ras der reformisten’.

De instituties van de democratie bepaalden meer dan alleen de grenzen, zij belichaamden voor Den Uyl ook fundamentele waarden op zich. Al in september 1940 schreef hij dat een sociaal-economische orde nooit bovengeschikt kan zijn aan politieke en persoonlijke vrijheid. De kunst was de economie te hervormen met behoud van de vrije geestelijke krachten en de menselijke waardigheid. Op dit punt is hij zeer consistent gebleven.

In 1967, toen hij Anne Vondeling als PvdA-leider opvolgde, omschreef hij op het partijcongres de samenleving als een fijnvertakt organisme, te vergelijken met een horloge. „U begint dan weinig met een schroevedraaier of met een nagelschaartje. Wij willen de maatschappij hervormen, niet stukmaken.” Dit thema keerde terug in 1970, toen hij, naar aanleiding van de studentenbezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam een jaar eerder, zijn beroemde artikel over de ’smalle marge van democratische politiek’ schreef.

Daarin keerde hij zich, tot onvrede van Nieuw Links in de PvdA, tegen de bezetting. Buitenparlementaire acties waren in zijn ogen wel geoorloofd, maar er mochten geen onwettige middelen worden gebruikt en ze mochten niet ten koste gaan van de rol van het parlement. Het afzien van het machtswoord in 1977, dat nadien veel discussie losmaakte, paste dus in die consistente lijn. Het was geen kwestie van moed of lafheid, zei naderhand zijn toenmalige medewerker Henk Beereboom, het paste gewoon niet bij hem.

Hoezeer hij dat tweede kabinet ook begeerde, hij wilde de meerderheid niet zijn wil opleggen. In politiek Den Haag, waar op cruciale momenten het machtsstreven vrijwel altijd de doorslag geeft, is er om die reden altijd twijfel blijven bestaan over Den Uyls drijfveer. Het ging er eenvoudig niet in dat overwegingen van democratische aard voor een politicus in die positie en op zo’n ogenblik bepalend konden zijn. Bleich werpt op zijn motieven geen ander licht. Het lag niet in zijn aard en hij wilde de partijdemocratie respecteren.

Tot die aard behoorde ook, zoals de biografe laat zien, een hartgrondige afkeer van geweld. Die afkeer gold fysiek geweld, zoals in zijn studententijd bleek uit zijn onvermogen een muis dood te slaan en tijdens zijn premierschap uit zijn inzet pas tot overheidsgeweld over te gaan als alle andere middelen zijn uitgeput. Zowel na de politieontruiming van de bezette psychiatrische inrichting Dennendal als na de gewelddadige beëindiging van de treinkaping bij De Punt sprak hij van ‘een nederlaag voor de democratie’.

Het is dus goed mogelijk dat zijn afkeer ook politiek geweld gold, wat het spreken van het machtswoord uiteindelijk is. In het licht van dat sterke democratische besef is het in eerste instantie schokkend en zelfs vervreemdend te lezen dat Den Uyl als middelbare scholier en student economie in de jaren dertig gevoelig is geweest voor rechts-nationalistische denkbeelden en waardering koesterde voor de economische prestaties van Hitler.

Meer nog dan dat is het opmerkelijk dat hij tot aan de Duitse inval in Nederland in mei 1940 blind is gebleven voor de kwaadaardigheid van het nationaal-socialisme. Hij zag wel de rassenleer en jodenvervolgingen als schaduwkanten, maar verbond er geen consequenties aan, ook niet na een twee maanden durende verblijf in Duitsland in de zomer van 1939. Het komt nu ronduit aanmatigend over hoe hij dominee Niemöller, die zich met zijn Bekennende Kirche tegen het naziregime verzette, de maat nam, zelfs nadat deze was opgepakt en in een concentratiekamp opgeborgen.

Niemöller zou, schreef de gereformeerde student Den Uyl, „niet minder een geloofsheld zijn als hij, zoals tientallen van zijn directe geestverwanten, nog zondag aan zondag preekte”. De kerk diende niet primair te veroordelen, maar moest „een open kerk zijn, waar evenzeer plaats is voor deernen en tollenaars als voor Hitler en Goebbels”. Deze relativering leverde hem prompt een zeer vinnige reactie op van dominee Couvée, een sympathisant van de Bekennende Kirche: „Wees gerust brutaal, jongeman, tegen mij of tegen uw Prof. Maar blijf af met uw beduimelende woorden van iemand die wel iets meer deed dan tientallen van zijn directe geestverwanten.”

Het heeft veel weg van een Saulus-Paulusbekering dat Den Uyl na de Duitse inval in zeer korte tijd zijn visie radicaal bijstelde. Onder de druk van de schokkende gebeurtenissen vond hij, veel sneller dan zijn literaire held Du Perron in ’Het land van herkomst’, zijn identiteit en ontdekte hij waar zijn loyaliteiten lagen. In januari 1943, na de deportatie van zijn joodse vriendin Leonie Norden, rekende hij in 25 punten af met zijn geloof. Hij vond het onverdraaglijk dat goede mensen, zijn vrienden, in de hel zouden komen. Het schokte hem dat de mensen in de vreselijkste onzin konden geloven, waarmee hij doelde op ‘het geloof van millioenen Duitsers in hun Führer’. Hij werd geen atheïst, maar intellectuele twijfelaar als hij was, agnosticus. „God is een mogelijkheid.” Op dat moment had hij al afgerekend met zijn pro-Duitse sympathieën en was hij tot inzichten gekomen die hem van een romantische zoeker met een hang naar rechts-nationalistische ideeën tot een overtuigd democraat en sociaal-democraat maakten.

Anet Bleich heeft deze transformatie, alsook het latere politieke leven van de PvdA-politicus, mooi en secuur beschreven. We mogen haar dankbaar zijn dat ze die rottige opstelletjes van de jonge Den Uyl heeft teruggevonden, omdat ze scherp laten zien hoe politiek naïef de zucht naar radicale en autoritaire oplossingen kan zijn. De nog jonge Joop kwam daar tot zijn schande pas achter toen de parlementaire democratie en daarmee de geestelijke vrijheid om zeep waren geholpen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden