Demasqué van een sprookjesprins

Prins Bernhard in 1946 als inspecteur-generaal. (FOTO'S UIT BESPROKEN BOEK.) Beeld
Prins Bernhard in 1946 als inspecteur-generaal. (FOTO'S UIT BESPROKEN BOEK.)

Ineens was daar de droomprins die naar de hand van Juliana dong. Biografe Annejet van der Zijl laat echter zien dat Bernhard veel eerder een mislukking was.

Bij de verloving van kroonprinses Juliana met de voor de meeste mensen dan nog volslagen onbekende prins Bernhard verspreidde de Nederlandse regering een persoonlijkheidsschets van de Duitser: „Een sportieven jongeman die eenvoudig door het leven wenscht te gaan en wiens belangstelling vooral uitgaat naar wetenschappelijke en culturele vraagstukken.” Het communiqué sprak ook van ’een stil en rustig, tot overpeinzing geneigd karakter’ en ’boven alles een eenvoudige en degelijke persoonlijkheid’. Het volk, na jaren van crisis tuk op een mooi sprookje, geloofde het graag. Het had geen idee dat dit niet de ware prins maar slechts de gedroomde prins was.

De karaktertekening van vlak voor Bernhards eindexamen klinkt veel realistischer. Met zijn verstand was niets mis, oordeelde de middelbare school. Maar juist daardoor was hij nogal gemakzuchtig. „Het ontbreekt hem aan een scheut staal in het bloed, de sterke wil die hem lichamelijk ongemak en ziekte alsook grotere geestelijke moeilijkheden laat overwinnen. Zijn wezen klampt zich daardoor vast aan een zekere mate van gretigheid en oppervlakkigheid die voor een toekomstig diplomaat gevaarlijk is.”

Annejet van der Zijls ’Bernhard. Een verborgen geschiedenis’ is een lange poging om Nederlands meest besproken prins van de twintigste eeuw nog scherper te duiden. Van het Angelsaksische adagium What makes Sammy run? maakt zij What made Benno run?

Zonder de hijgerigheid van de kritische biografen vóór haar en zonder pluimstrijkerij van de hagiografen gaat de schrijfster de slag aan met waarheid en verdichting. Achter de dikke mist (belangrijkste bron: Bernhard zelf) komt een figuur naar voren die in weinig lijkt op de in 1936 en later voorgespiegelde droomprins.

Een Duitse derderangs-edelman die bij IG Farben in Parijs nog niet verder was gekomen dan wat knip- en plakwerk zag een kans in Nederland en greep die. Daar gedroeg hij zich al snel als ’een autoritair en overgevoelig zonnekoninkje’. Bernhard moet als een mislukking worden beschouwd, vindt de schrijfster. Niet vanwege zijn nonchalance en alles wat hij meende zich te kunnen permitteren, maar vanwege het geloof in zijn eigen mythe en de wijze waarop hij die manipuleerde.

Van der Zijl wil Bernhard nadrukkelijk in zijn tijd plaatsen. Soms weidt ze daarbij wel erg uit over de Duitse geschiedenis tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Het voortdurend verwijzen naar Sebastian Haffner, hoeveel kwaliteiten die ook had als chroniqueur van zijn dagen, gaat op den duur zelfs een beetje irriteren.

Maar de schrijfster laat wel mooi zien hoe het ouderlijk gezin van Bernhard mee wordt gespoeld met alle golven van het Duitsland in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het zorgde voor pieken en vooral voor dalen. Kansen keerden in een oogwenk.

Bij krabbel-adel als deze Lippe-Biesterfelds versterkte dat de bestaande anti-democratische sentimenten. Het leidde bovendien tot een neiging tot het leven ’in de dag’, tot hedonistisch genieten van het moment (morgen kon alles weer anders zijn). Met name via de kant van zijn moeder Armgard leek Bernhard toch al genetische aanleg te hebben meegekregen voor een zucht naar luxe en avontuur. Een opvoeding als oogappeltje van de familie (op het landgoed werd de kleine Bernillo ’pasja’ genoemd) werkte ook niet bepaald karaktervormend.

Wat het aanzien en het welvaren van de Lippe-Biesterfelds niet ten goede kwam, was dat vader Berni met zijn huwelijk weliswaar zijn hart volgde, maar trouwde met een gescheiden vrouw van lagere adel. Hoewel hij het harmonieuze gezinsleven thuis altijd bleef prijzen, kan dat Bernhard hebben gestimuleerd om het tegengestelde te doen. Toen zijn tante hem attendeerde op de moeilijk bemiddelbare Nederlandse kroonprinses, qua Ebenbürtigkeit eigenlijk ver boven zijn macht, waagde hij vrijwel onmiddellijk zijn kans.

Van der Zijl is – ze bewees het al eerder met ’Jagtlust’, ’Anna’ en ’Sonny Boy’ – geen droge feitjesrijgster maar een knappe verhalenverteller. Soms stapt ze daarbij wel eens wat al te luchthartig over zaken heen die niet in haar grote schema passen of die lastig helder zijn te krijgen.

Als het gaat om Bernhards Weibergeschichte komt ze bijvoorbeeld tot de conclusie dat zijn moeder altijd de belangrijkste vrouw is gebleven, dat hij zeer hechtte aan mannenvriendschappen (of misschien nog beter: het jongens-onder-elkaar-gevoel) en dat hij als jongeling niet altijd even handig was als charmeur. Zo’n analyse bevredigt niet helemaal.

Uit alles blijkt bovendien dat Bernhard zeker als Prins der Nederlanden het ritselen tot kunst verhief. De garage van Soestdijk puilde al kort na het huwelijk uit van de auto’s. Zelfs de eerste babyfoto’s van Beatrix vormden handel.

Na de Duitse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog stroopte Bernhard de depots af naar allerlei bruikbaars en kreeg de stafchef van de Amerikaanse bevelhebber Eisenhower het verzoek om bij inname van München enkele goede Duitse auto’s (bij voorkeur nieuwe) voor hem te reserveren. Er lijkt weinig reden om aan te nemen dat de prins, als het op seksueel genot aankwam, heel veel anders in elkaar zat. Waarschijnlijk is de waarheid op dit gebied wel lastig te achterhalen. Dat kan een onderzoeker gewoon melden.

„Ik besef dat ik veel mensen met dit verhaal hun held ontneem”, stelt Van der Zijl aan het einde van haar boek, „en anderen hun schurk.” Dat laatste is niet per se het geval. „Ik hoop er een mens voor te hebben teruggegeven.” Dát is Van der Zijl wel gelukt. Ze maakt het gedrag van Bernhard begrijpelijk of toch op zijn minst inzichtelijk. Zelf geeft ze aan te zijn uitverteld over deze schavuit. Dit is het verhaal wat zij kwijt wilde. Het wachten is op een biograaf die met dezelfde mix van kritiek en compassie het ware verhaal achter de mythes rond de prins uit later jaren vandaan krabt.

Prins Bernhard in 1946 als inspecteur-generaal. Beeld
Prins Bernhard in 1946 als inspecteur-generaal.
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden